id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.8 Rolnummer: P.23.0221.N Zaak: V. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 1000 - laatst gezien 2026-06-19 01:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 794 Gerechtelijk Wetboek laat de rechter toe om, binnen de door die bepaling gestelde voorwaarden, een kennelijke rekenfout, verschrijving of andere kennelijke leemte in de rechterlijke beslissing te verbeteren, evenwel zonder de in die beslissing bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen
(1); de rechter kan aldus een materiële vergissing in de rechterlijke beslissing corrigeren op voorwaarde dat die verbetering het gezag van gewijsde van die beslissing niet aantast en geen wijziging inhoudt van hetgeen daarin werkelijk werd beslist.
(1)Cass. 26 januari 2022, AR P.21.0838.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220126.2F.4, AC 2022, nr. 68; Cass. 27 mei 2020, AR P.20.0522.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.7, AC 2022, nr. 327; Cass. 4 november 2009, AR P.09.0972.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4, AC 2009, nr. 640; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0439.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.15, AC 2019, nr. 272; F. VAN VOLSEM, “De verbetering van een vonnis in strafzaken”, RABG 2021, 942-955; A. VERHEYLESSONNE, Manuel de l'action civile, Kluwer, 2021, 233. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 794 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 794 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 6 De omstandigheid dat het oordeel van de strafrechter over de burgerlijke rechtsvordering in strijd is met zijn op strafgebied gewezen beslissing over de telastlegging waarop die burgerlijke vordering is gegrond, levert geen grond op tot verbetering van die beslissing in de zin van artikel 794 Gerechtelijk Wetboek; wanneer de strafrechter het misdrijf van misbruik van vertrouwen bewezen verklaart met betrekking tot een bepaald bedrag en er tegen die beslissing over de strafvordering geen rechtsmiddel wordt ingesteld, staat het vast dat dit vermogensmisdrijf bewezen is met betrekking tot dat bedrag; de miskenning van het gezag van gewijsde van die beslissing bij het oordeel van de strafrechter over de op dat vermogensmisdrijf gebaseerde burgerlijke rechtsvordering, levert als zodanig geen grond op tot een in artikel 794 Gerechtelijk Wetboek bedoelde verbetering van de beslissing op strafgebied. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 794 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 794 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 794 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 794 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 9 Wanneer de verbeterende beslissing betrekking heeft op de omschrijving van de telastlegging in het verbeterde vonnis, dat die telastlegging bewezen verklaart en uitspraak doet over de op die telastlegging gebaseerde burgerlijke rechtsvordering, kan dit laatste vonnis niet worden beschouwd als een verbeterde beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan zoals bedoeld in artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek
(1), wanneer tegen dit vonnis hoger beroep werd aangetekend met betrekking tot de beslissing over de op die telastlegging gebaseerde burgerlijke rechtsvordering.
(1)Over art. 801/1 Ger. W., ook van toepassing in strafzaken (Cass. 26 januari 2022, AR P.21.0838.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220126.2F.4 met noot MNB, AC 2022, nr. 68), zie G.-F. RANERI et M. TRAEST, "La jurisprudence de la Cour sur l'applicabilité en matière répressive des articles 700 à 1147 du Code judiciaire", Rapport annuel de la Cour de cassation, Larcier, 2005, p. 189-193; C. VAN SEVEREN, “Art. 801/1 Ger.W.”, in Comm. Ger. 2020, 1-
- Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 801/1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 801/1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 801/1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0221.N N. V. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
- C. R.,
- L. R.,
- P. R.,
- S. R.,
- F. R., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 4 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. FEITEN
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de eiseres werd bij vonnis van 8 mei 2019 tot een straf veroordeeld op grond van onder meer de bewezenverklaarde telastlegging A, omschreven als misbruik van vertrouwen ten nadele van de rechtsvoorganger van de verweerders met betrekking tot een verduisterd geldbedrag van 27.650,00 euro; - op burgerrechtelijk gebied veroordeelde de correctionele rechtbank in datzelfde vonnis van 8 mei 2019 de eiseres tot het betalen aan de rechtsvoorganger van de verweerders van een schadevergoeding van 6.250,00 euro, meer intresten en een rechtsplegingsvergoeding, op grond van het oordeel dat het niet mogelijk is om de omvang van de door de eiseres verduisterde gelden exact te bepalen, dat de materiële schade bijgevolg in billijkheid wordt bepaald op 6.000,00 euro en de morele schade op 250,00 euro; - tegen het voormelde vonnis van 8 mei 2019 werd uitsluitend hoger beroep aangetekend door de rechtsvoorganger van de verweerders, die zich volgens zijn grievenschrift als burgerlijke partij gegriefd achtte door dit vonnis in zoverre de door hem gevorderde schadevergoeding, waaronder de vergoeding van de materiële schade ten belope van 27.650,00 euro, niet integraal werd toegekend; - de eiseres legde bij toepassing van artikel 794 Gerechtelijk Wetboek op 3 mei 2021 een verzoekschrift neer ter griffie van de correctionele rechtbank, waarbij zij vorderde dat het vonnis van 8 mei 2019 zou worden verbeterd in die zin dat de telastlegging A slechts bewezen is ten belope van 6.000,00 euro; - bij verbeterend vonnis van 24 november 2021 verklaarde de correctionele rechtbank het verzoekschrift tot verbetering ontvankelijk en gegrond, waarbij het vonnis van 8 mei 2019 werd verbeterd in die zin dat de feiten onder de tenlastelegging A bewezen zijn voor een bedrag van 6.000,00 euro; - tegen het verbeterend vonnis van 24 november 2021 werd hoger beroep aangetekend door
(1)de rechtsvoorganger van de verweerders, die zich blijkens zijn grievenschrift gegriefd achtte door dit vonnis omdat de correctionele rechtbank volgens hem niet bevoegd was om over te gaan tot de voormelde verbetering en stelde dat het desbetreffende verzoek onontvankelijk moest worden verklaard en de oorspronkelijke veroordeling voor de telastlegging A moest worden bevestigd, alsook door
(2)het openbaar ministerie, dat in zijn grievenschrift als grief aanvoerde dat het verbeterend vonnis, door de definitieve schuldigverklaring wegens misbruik van vertrouwen voor een bedrag van 27.650,00 euro te wijzigen in een bedrag van 6.000,00 euro, onwettig was en nietig diende te worden verklaard; - na de zaak met betrekking tot het hoger beroep tegen het vonnis van 8 mei 2019 en deze met betrekking tot de hogere beroepen tegen het vonnis van 24 november 2021 te hebben samengevoegd, vernietigde het hof van beroep met het thans bestreden arrest het verbeterend vonnis van 24 november 2021, dat voor niet-bestaande werd gehouden, en veroordeelde het de eiseres tot het betalen aan de verweerders, die als burgerlijke partijen het geding voor hun rechtsvoorganger hadden hervat, van een schadevergoeding die na verrekening van een reeds betaalde provisionele vergoeding werd bepaald op 26.670,04 euro, meer de intresten en de rechtsplegingsvergoedingen, waarbij de appelrechters oordeelden dat de materiële schade voor een bedrag van 27.650,00 euro vaststaat ingevolge de definitieve strafrechtelijke veroordeling voor de telastlegging A in het vonnis van 8 mei
- III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat het vonnis van 24 november 2021 niet als een verbeterend vonnis kan worden beschouwd maar een nieuwe beoordeling van de telastgelegde feiten betreft, is niet naar recht verantwoord; in het verbeterde vonnis van 8 mei 2019 werd de bewezenverklaarde telastlegging A omschreven als misbruik van vertrouwen met betrekking tot een geldbedrag van 27.650,00 euro, terwijl in datzelfde vonnis werd geoordeeld dat het niet mogelijk is exact te bepalen hoeveel gelden er werden verduisterd en dat de materiële schade moet worden bepaald op 6.000,00 euro; aldus bevat het vonnis van 8 mei 2019 een tegenstrijdigheid, die door het vonnis van 24 november 2021 kon worden verbeterd door te oordelen dat de telastlegging A bewezen is voor een bedrag van 6.000,00 euro.
- De in het onderdeel aangevoerde grief heeft betrekking op de wettigheid van de beslissing tot verbetering van het vonnis van 8 mei
- Artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan die grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Artikel 794 Gerechtelijk Wetboek, dat bij toepassing van artikel 2 van datzelfde wetboek van toepassing is in strafzaken, bepaalt: “Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, het gerecht waarnaar de beslissing werd verwezen of de beslagrechter kunnen te allen tijde ambtshalve of op verzoek van een partij elke kennelijke rekenfout of verschrijving of andere kennelijke leemte dan het in artikel 794/1 bedoelde verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering, met inbegrip van een inbreuk op artikel 780, met uitsluiting van artikel 780, eerste lid, 3°, of op artikel 782 en met inbegrip van een louter formele miskenning van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De verbetering vindt steun in de wet, het dossier van de rechtspleging of de stavingsstukken die werden voorgelegd aan de rechter die de te verbeteren beslissing heeft uitgesproken.”
- Artikel 794 Gerechtelijk Wetboek laat de rechter toe om, binnen de door die bepaling gestelde voorwaarden, een kennelijke rekenfout, verschrijving of andere kennelijke leemte in de rechterlijke beslissing te verbeteren, evenwel zonder de in die beslissing bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De rechter kan aldus een materiële vergissing in de rechterlijke beslissing corrigeren op voorwaarde dat die verbetering het gezag van gewijsde van die beslissing niet aantast en geen wijziging inhoudt van hetgeen daarin werkelijk werd beslist.
- De omstandigheid dat het oordeel van de strafrechter over de burgerlijke rechtsvordering in strijd is met zijn op strafgebied gewezen beslissing over de telastlegging waarop die burgerlijke vordering is gegrond, levert geen grond op tot verbetering van die beslissing in de zin van artikel 794 Gerechtelijk Wetboek.
- Wanneer de strafrechter het misdrijf van misbruik van vertrouwen bewezen verklaart met betrekking tot een bepaald bedrag en er tegen die beslissing over de strafvordering geen rechtsmiddel wordt ingesteld, staat het vast dat dit vermogensmisdrijf bewezen is met betrekking tot dat bedrag. De miskenning van het gezag van gewijsde van die beslissing bij het oordeel van de strafrechter over de op dat vermogensmisdrijf gebaseerde burgerlijke rechtsvordering, levert als zodanig geen grond op tot een in artikel 794 Gerechtelijk Wetboek bedoelde verbetering van de beslissing op strafgebied.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de aanpassing van het voorwerp van het misdrijf door in de bewezenverklaarde telastlegging A het verduisterde bedrag te herleiden van 27.650,00 euro naar 6.000,00 euro, niet kan worden beschouwd als een verbetering van het vonnis van 8 mei 2019 in de zin van de artikelen 794 en volgende Gerechtelijk Wetboek (arrest, p. 13, eerste alinea) en dat het 0“zogenaamde “verbeteringsvonnis” in feite – en met overschrijding van rechtsmacht” geen verbeterend vonnis [is] maar een zuivere tweede beoordeling van de aan de [eiseres] ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlastelegging A, waarvan de [rechtsvoorganger van de verweerders] het slachtoffer was” (arrest, p. 10, laatste alinea). Met dit oordeel verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat de verbeterde beslissing van 8 mei 2019 nog niet in kracht van gewijsde is gegaan zoals bedoeld in artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek is niet naar recht verantwoord; tegen het vonnis van 8 mei 2019 werd louter hoger beroep aangetekend door de rechtsvoorganger van de verweerders, wiens hoger beroep als burgerlijke partij enkel was gericht tegen de burgerrechtelijke beschikkingen van het vonnis, dat op strafrechtelijk gebied bijgevolg definitief werd en in kracht van gewijsde is gegaan; aangezien de verweerders en het openbaar ministerie weliswaar hoger beroep maar geen cassatieberoep hebben ingesteld tegen de verbeterende beslissing van 24 november 2021 bij toepassing van artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek, ging ook het verbeterend vonnis van 24 november 2021 in kracht van gewijsde en waren de appelrechters gebonden door dit vonnis, waarin definitief werd geoordeeld dat de telastlegging A bewezen is met betrekking tot een bedrag van 6.000,00 euro.
- Artikel 801/1 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, eenmaal de verbeterde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, de verbeterende beslissing alleen nog kan worden betwist door cassatieberoep in te stellen.
- Wanneer de verbeterende beslissing betrekking heeft op de omschrijving van de telastlegging in het verbeterde vonnis, dat die telastlegging bewezen verklaart en uitspraak doet over de op die telastlegging gebaseerde burgerlijke rechtsvordering, kan dit laatste vonnis niet worden beschouwd als een verbeterde beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan zoals bedoeld in de voormelde bepaling, wanneer tegen dit vonnis hoger beroep werd aangetekend met betrekking tot de beslissing over de op die telastlegging gebaseerde burgerlijke rechtsvordering. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat het hoger beroep van de rechtsvoorganger van de verweerders tegen het verbeterend vonnis van 24 november 2021 ontvankelijk is, is niet naar recht verantwoord; het verbeterend vonnis van 24 november 2021 had slechts betrekking op de strafvordering, zodat de rechtsvoorganger van de verweerders, in zijn hoedanigheid van burgerlijke partij, belang ontbeerde om hoger beroep tegen dat vonnis in te stellen.
- Het arrest kon het verbeterend vonnis van 24 november 2021 nietig verklaren op het enkele hoger beroep van het openbaar ministerie. Het middel kan bijgevolg niet tot de vernietiging van het voormelde oordeel van de appelrechters leiden en is dienvolgens, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.15 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220126.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div