← België

DE MINISTER VAN FINANCIËN c. Cimenteries CBR Cementbedr

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.9 Rolnummer: P.22.0374.N Zaak: DE MINISTER VAN FINANCIËN c. Cimenteries CBR Cementbedr Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 591 - laatst gezien 2026-06-15 06:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 419, 420, § 4, eerste lid,
  2. a)en 420, § 4, vierde lid Programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 13, 1° en 54 KB van 28 juni 2015 en de algemene economie van de regeling die misbruiken wil beletten, volgt dat: 1°er slechts een stationaire motor is indien het werktuig zoals een op een voertuig gemonteerde betonmixer over een eigen brandstoftank en een eigen aparte motor beschikt en het aandrijven van het werktuig niet gebeurt via het aandrijfmechanisme of de motor van het voertuig zelf; 2°het verlaagd tarief voor motorbrandstoffen gebruikt voor industriële en commerciële doeleinden slechts van toepassing is als het werktuig autonoom kan functioneren via een eigen vaste motor en een eigen brandstoftank, zonder dat het werktuig mag verbonden zijn met het aandrijfmechanisme of de motor van het voertuig waarop het is gemonteerd; 3°deze bepalingen de wettelijke grondslag vormen voor deze vereiste en 4°voor strafbaarheid niet is vereist dat vaststaat dat gemerkte motorbrandstof (rode diesel) daadwerkelijk wordt gebruikt, maar dat het volstaat dat vaststaat dat het werktuig enkel kan worden aangedreven door de enige aandrijfmotor van het voertuig en dat daartoe gemerkte motorbrandstof voorhanden is. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 419 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 420, § 4, eerste lid, a), en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 KB 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit - 28-06-2015 - Art. 13, 1° - 06 ELI link Pub nr 2015003213 KB 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit - 28-06-2015 - Art. 54 - 06 ELI link Pub nr 2015003213 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 419 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 420, § 4, eerste lid, a), en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 KB 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit - 28-06-2015 - Art. 13, 1° - 06 ELI link Pub nr 2015003213 KB 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit - 28-06-2015 - Art. 54 - 06 ELI link Pub nr 2015003213 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0374.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 57, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. CIMENTERIES CBR CEMENTBEDRIJVEN nv, met kantoor te 1420 Eigenbrakel, Boulevard de France 3-5 (Parc de l’Alliance), beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Linneke Vandewiele, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8610 Handzame, Staatsbaan 175C, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. J.-M. R. J., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de verweerder woonplaat kiest, 3. H. A. A. D’H., beklaagde, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de verweerder woonplaat kiest, 4. F. J. D. N., beklaagde, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de verweerder woonplaat kiest, 5. J. F. H. M. M., beklaagde, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de verweerder woonplaat kiest, 6. I. J. D. M., beklaagde, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de verweerder woonplaat kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 februari 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan artikel 419,
  3. d)tot en met f), h), en i), Programmawet van 27 december 2004, artikel 419,
  4. e)en f), Programmawet van 27 december 2004, vóór zijn wijziging bij de wet van 25 december 2017, artikel 419, i), Programmawet van 27 december 2004, vóór zijn wijziging door de wet van 2 december 2021, artikel 420, § 4, Programmawet en de artikelen 13 en 54 van het koninklijk besluit van 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit (hierna KB 28 juni 2015): het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de eiser dat voor de aandrijving van een werktuig een aparte motor is vereist; uit artikel 420, § 4, Programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 13, 1°, en 54 KB 28 juni 2015 volgt dat er slechts van een stationaire motor sprake kan zijn wanneer het in artikel 13, 1°, KB 28 juni 2015 bedoelde werktuig, ook wanneer het is gemonteerd op een voertuig, zowel over een eigen brandstoftank als over een eigen aparte motor beschikt; het aandrijven van het werktuig mag niet gebeuren via het aandrijfmechanisme of de hoofdmotor van het voertuig zelf; van het verlaagd tarief voor motorbrandstof gebruikt voor industriële en commerciële doeleinden moet het externe werktuig derhalve autonoom kunnen functioneren via een eigen vaste motor en een eigen brandstoftank, zonder dat het werktuig mag verbonden zijn met het aandrijfmechanisme of de motor van het voertuig waarop het desgevallend is gemonteerd; de vereiste van een aparte, tweede motor vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 420, § 4, Programmawet van 27 december 2004 en artikel 13, 1°, KB 28 juni 2015 waaruit blijkt dat een stationaire motor per definitie een aparte motor is; de enige aandrijfmotor van een voertuig kan bijgevolg geen stationaire motor zijn in de zin van deze bepalingen; het al dan niet verbonden zijn van de ene motor met het aandrijfmechanisme van het voertuig op het moment dat de rode gasolie wordt gebruikt, is derhalve niet relevant voor de strafbaarstelling; het loutere feit dat bij het gebruik van de betonmixer de vrachtwagen zich niet kan verplaatsen en ingevolge het zogenaamde PTO-systeem de rode gasolie enkel kan worden gebruikt voor het aandrijven van de mixer en niet voor het aandrijven/verplaatsen van de vrachtwagen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de mixer zelf niet over een eigen vaste motor beschikt; de wettelijke voorwaarde van een aparte vaste motor en een afzonderlijke brandstoftank wil vermijden dat misbruik wordt gemaakt van een systeem van een dubbele brandstofbevoorrading. Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel 2. De verweerders voeren in hun memories van antwoord aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat dit het oordeel niet aanvecht dat de vrijspraak wordt verleend op basis van gerede twijfel. 3. De reden dat er gerede twijfel is, kan niet los worden gezien van de overige redenen die het arrest aanneemt om te beslissen tot vrijspraak en vormt aldus geen autonome grond op basis waarvan het arrest heeft beslist tot de vrijspraak. In zoverre kan de grond van niet-ontvankelijkheid niet worden aangenomen. 4. De verweerders voeren verder aan dat het middel opkomt tegen de feitelijke beoordeling door het arrest over de verbinding tussen de stationaire motor en het aandrijfmechanisme van het voertuig. 5. De beoordeling van die grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden gescheiden van de beoordeling van de gegrondheid van het middel. In zoverre kan de grond van niet-ontvankelijkheid evenmin worden aangenomen. Gegrondheid van het middel 6. Artikel 419 Programmawet van 27 december 2004 legt de accijnstarieven vast voor onder meer gasolie, waarbij de tarieven voor het gebruik als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden lager zijn dan voor het gewone gebruik als motorbrandstof. 7. Artikel 420, § 4, eerste lid, a), Programmawet van 27 december 2004 bepaalt dat met het oog op de toepassing van artikel 419,
  5. d)tot en met f),
  6. h)en i), worden aangemerkt als zijnde gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden, de onder fiscale controle gebruikte kerosine, gasolie, LPG en aardgas voor stationaire motoren. 8. Artikel 420, § 4, vierde lid, Programmawet van 27 december 2004 bepaalt dat de Koning nader omschrijft wat wordt verstaan onder stationaire motoren. 9. Artikel 13, 1°, KB 28 juni 2015 bepaalt dat betreffende de industriële en commerciële doeleinden zoals bepaald in artikel 420, § 4, Programmawet van 27 december 2004 onder stationaire motoren wordt verstaan, de vaste motoren voor het aandrijven van generatoren, compressoren, pompen, centrifuges en dergelijke, ook indien deze gemonteerd zijn op voertuigen, voor zover de motor niet verbonden is met het aandrijfmechanisme van het voertuig en over een afzonderlijk brandstofreservoir beschikt. 10. Artikel 54 KB 28 juni 2015 bepaalt dat de vloeibare motorbrandstoffen die hier te lande voorhanden zijn, verkocht of gebruikt worden voor de aandrijving van explosie- of verbrandingsmotoren van voertuigen die op de openbare weg rijden, andere dan deze bedoeld in artikel 420, § 4, Programmawet van 27 december 2004, geen denaturanten noch merkstoffen mogen bevatten. 11. Uit deze bepalingen en de algemene economie van de regeling die misbruiken wil beletten, volgt dat: - er slechts een stationaire motor is indien het werktuig zoals een op een voertuig gemonteerde betonmixer over een eigen brandstoftank en een eigen aparte motor beschikt en het aandrijven van het werktuig niet gebeurt via het aandrijfmechanisme of de motor van het voertuig zelf; - het verlaagd tarief voor motorbrandstoffen gebruikt voor industriële en commerciële doeleinden slechts van toepassing is als het werktuig autonoom kan functioneren via een eigen vaste motor en een eigen brandstoftank, zonder dat het werktuig mag verbonden zijn met het aandrijfmechanisme of de motor van het voertuig waarop het is gemonteerd; - deze bepalingen de wettelijke grondslag vormen voor deze vereiste; - voor strafbaarheid niet is vereist dat vaststaat dat gemerkte motorbrandstof (rode diesel) daadwerkelijk wordt gebruikt, maar dat het volstaat dat vaststaat dat het werktuig enkel kan worden aangedreven door de enige aandrijfmotor van het voertuig en dat daartoe gemerkte motorbrandstof voorhanden is. 12. Het arrest dat anders oordeelt, verantwoordt de beslissing om met bevestiging van het beroepen vonnis de verweerders vrij te spreken van het hen ten laste gelegde niet naar recht. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens waar dit de hogere beroepen van de eiser en het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 769,74 euro, waarvan 191,29 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 november 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.