id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.1 Rolnummer: F.22.0008.N Zaak: B. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-09 Raadplegingen: 1062 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.1 Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 53, 15°, WIB92 blijkt dat onder het begrip “onherroepelijke en onvoorwaardelijk betaling” moet worden verstaan een definitieve storting in speciën, dit is elke verrichting, met inbegrip van stortingen of overschrijvingen langs post- of bankrekening, die een werkelijke betaling vanwege de bedrijfsleider inhoudt, en dat eenvoudige boekhoudkundige geschriften verricht in de vennootschap uitgesloten zijn; in deze interpretatie kan de debitering van een rekening-courant door een bedrijfsleider niet worden beschouwd als een “betaling” in de zin van artikel 53,15°, WIB92 aangezien deze geen storting in speciën inhoudt; de omstandigheid dat het gedebiteerde credit in rekening-courant werd opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 15° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De vraag rijst of het redelijk verantwoord is dat, enerzijds, een bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen, terwijl de bedrijfsleider die de ter beschikking gestelde gelden in eerste instantie op het credit van zijn rekening-courant boekt maar de rekening-courant nadien, in het bijzonder in een later belastbaar tijdperk, debiteert, de ter beschikking gestelde gelden niet als beroepskost kan aftrekken van zijn belastbaar inkomen in het belastbaar tijdperk van de debitering; er bestaat dan ook grond om het Grondwettelijk Hof de volgende vraag te stellen: “Schendt artikel 53, 15°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang met artikel 49 van dit wetboek, de artikelen 10 en 11 en 170 en 172 van de Grondwet, in zoverre eruit volgt dat de aanzuivering van verliezen van de vennootschap door de bedrijfsleider door onherroepelijk afstand te doen van zijn schuldvordering op de vennootschap door middel van een debitering van zijn rekening-courant, niet als een betaling in de zin van artikel 53,15°, WIB92 en dus als een aftrekbare beroepskost wordt beschouwd, ook al werd de schuldvordering in rekening-courant opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, terwijl de bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen”? Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 15° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 170 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2024, nr. 43, p. 5-11. - VANDEWEYER, Tim; Noot'Tenlasteneming vennootschapsverlies door bedrijfsleider: debitering rekeningcourant volstaat (niet) voor aftrek' Tekst van de beslissing Nr. F.22.0008.N 1. J.B., 2. M.C., eisers, met als raadslieden mr. Jan Tuerlinck, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Putlei 14, waar de eisers woonplaats kiezen, en mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Directeur te P Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 126, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleesschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 oktober 2020. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijken de volgende feiten en procedurevoorgaanden: - de eisers zijn vennoten en bestuurders van Elim nv; - in de periode van 2008 tot en met 2011 verrichtten de eisers verschillende stortingen aan Elim nv die op het moment van de storting telkens werden gecrediteerd op de rekening-courant van de eisers, als gevolg waarvan de eisers een vordering op de vennootschap verkregen ten belope van de gestorte bedragen; - in 2011 werd het aldus opgebouwde creditsaldo op de rekening-courant van de beide eisers (voor een bedrag van 35.412,78 euro elk) gedebiteerd; - in de gezamenlijke aangifte in de personenbelasting van de eisers voor het aanslagjaar 2012 (inkomstenjaar 2011) werd voor beide eisers een bedrag van telkens 35.412,78 euro opgenomen als “andere beroepskosten bedrijfsleider” onder de codes 1406 en 2406, met de bedoeling deze bedragen met toepassing van artikel 53, 15°, WIB92 af te trekken als beroepskost; - in de aangifte in de personenbelasting van de eisers voor het aanslagjaar 2013 (inkomstenjaar 2012) werd een bedrag van 11.714,63 euro opgenomen onder code 1349 (“nog aftrekbare beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken:
- b)andere”); - aanvankelijk werden aanslagen gevestigd overeenkomstig de aangiftes; - nadien verstuurde de administratie een bericht van wijziging met betrekking tot de beide aanslagjaren 2012 en 2013, waarin zij aankondigde dat de aangiftes voor de betrokken aanslagjaren zouden worden gewijzigd omdat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 53, 15°, WIB92 voor de aftrekbaarheid als beroepskost van de tenlasteneming door bedrijfsleiders van de beroepsverliezen van hun vennootschap; met name zou er in de gegeven omstandigheden geen sprake zijn van een ‘onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som’ door de bedrijfsleiders aan de vennootschap met het oog op de aanzuivering van het verlies van de vennootschap, zoals vereist door artikel 53, 15°, WIB92; meer bepaald schreef de administratie: “De proef-&saldibalans (boekjaar 2011) van de betreffende vennootschap (NV ELIM) toont echter aan dat de verliezen ten laste werden genomen door stortingen van de bedrijfsleider(
- s)op de R/C tegen te boeken op het debet van de R/C. Dit is niet toegestaan, want zowel de regelgeving als de rechtspraak bepalen dat aan de tweede voorwaarde niet is voldaan wanneer de tenlasteneming van de verliezen op onrechtstreekse wijze gebeurt (Com.IB.nr.53/224), bijvoorbeeld door die verliezen te boeken op het debet van de rekening(en)-courant van de bedrijfsleiders”; - de eisers verklaarden niet akkoord te gaan met de voorgenomen wijzigingen, maar de administratie liet bij beslissing van kennisgeving tot taxatie weten dat ze bleef bij haar standpunt dat er in casu geen sprake was van onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling door de bestuurders met het oog op de aanzuivering van het verlies van de vennootschap in de zin van artikel 53, 15°, WIB92, waarna voor de aanslagjaren 2012 en 2013 supplementaire aanslagen werden gevestigd; - na afwijzing van hun bezwaar stelden de eisers tegen beide supplementaire aanslagen een fiscaal verhaal in bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, die de vorderingen van de eisers gegrond verklaarde en de supplementaire aanslagen vernietigde; - op het hoger beroep van de administratie, oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat voor wat betreft de stortingen door de eisers verricht vóór 2011, dus in de periode 2008-2010, niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 53,15°, WIB92; - tegen deze beslissing hebben de eisers cassatieberoep aangetekend. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid van het middel 1. De verweerder werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is onnauwkeurig omdat het globaal de schending aanvoert van verschillende wettelijke bepalingen en vervolgens in drie onderdelen verschillende grieven ontwikkelt, maar niet aangeeft welke van die wettelijke bepalingen op elk van die onderscheiden grieven betrekking hebben. 2. Krachtens artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek vermeldt het verzoekschrift tot cassatie op straffe van nietigheid de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd. Dit is ook vereist voor elk onderdeel van een middel dat een afzonderlijke grief bevat. 3. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt afdoende, voor elk onderdeel van het middel dat een afzonderlijke grief bevat, welke wettelijke bepalingen als geschonden worden aangevoerd. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste onderdeel Ontvankelijkheid 4. De verweerder werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel is zonder belang, vermits de vaststelling van de appelrechters dat de stortingen in de jaren 2008 tot en met 2010 in 2011 niet meer konden worden aangewend om verliezen van het boekjaar 2011 aan te zuiveren aangezien de eisers zelf stellen dat de destijds gestorte gelden zijn aangewend ter ondersteuning van de noodlijdende onderneming, zelfstandig de beslissing draagt dat de ten laste genomen verliezen niet aftrekbaar zijn als beroepskost. 5. Het onderdeel bestrijdt enerzijds het oordeel van de appelrechters dat de stortingen in 2008 tot 2010 in 2011 niet als een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som in de zin van artikel 53, 15°, WIB92 kunnen worden beschouwd, en anderzijds het oordeel van de appelrechters dat de debitering van de rekening-courant van de eisers in 2011 evenmin als een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som in de zin van artikel 53, 15°, WIB kan worden beschouwd. In zoverre de eisers aanvoeren dat de debitering van hun rekening-courant in 2011 wel als een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som in de zin van artikel 53, 15°, WIB92 dient te worden beschouwd, bekritiseert die grief noodzakelijkerwijs ook de vaststelling van de appelrechters dat de stortingen in de jaren 2008 tot en met 2010 in 2011 niet meer konden worden aangewend om verliezen van het boekjaar 2011 aan te zuiveren, aangezien die grief impliceert dat die vaststelling niet pertinent is. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 6. Krachtens artikel 49, eerste lid, WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Krachtens het tweede lid van voormelde wetsbepaling worden beschouwd als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt. 7. Krachtens artikel 53, 15°, WIB92 worden niet als beroepskosten aangemerkt, verliezen van vennootschappen ten laste genomen door natuurlijke personen, behoudens indien het gaat om bedrijfsleiders die deze tenlasteneming verwezenlijken door de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som voor het behoud van beroepsinkomsten welke die leiders periodiek uit de vennootschap verkrijgen en de aldus betaalde som door de vennootschap volledig wordt gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen. 8. Uit de samenhang tussen de voormelde wetsbepalingen volgt dat het door een bedrijfsleider ten laste genomen verlies van zijn vennootschap slechts als beroepskost aftrekbaar is in het belastbare tijdperk waarin de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een geldsom aan de vennootschap wordt verricht. 9. Het begrip “betaling” wordt in artikel 53,15°, WIB92 niet nader gedefinieerd. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 53, 15°, WIB92 blijkt dat onder het begrip “onherroepelijke en onvoorwaardelijk betaling” moet worden verstaan een definitieve storting in speciën, dit is elke verrichting, met inbegrip van stortingen of overschrijvingen langs post- of bankrekening, die een werkelijke betaling vanwege de bedrijfsleider inhoudt, en dat eenvoudige boekhoudkundige geschriften verricht in de vennootschap uitgesloten zijn. In deze interpretatie kan de debitering van een rekening-courant door een bedrijfsleider niet worden beschouwd als een “betaling” in de zin van artikel 53,15°, WIB92 aangezien deze geen storting in speciën inhoudt. De omstandigheid dat het gedebiteerde credit in rekening-courant werd opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, doet hieraan geen afbreuk. 10. De vraag rijst evenwel of artikel 53,15°, WIB92 hierdoor verstaanbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Meer bepaald rijst de vraag of het redelijk verantwoord is dat, enerzijds, een bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen, terwijl de bedrijfsleider die de ter beschikking gestelde gelden in eerste instantie op het credit van zijn rekening-courant boekt maar de rekening-courant nadien, in het bijzonder in een later belastbaar tijdperk, debiteert, de ter beschikking gestelde gelden niet als beroepskost kan aftrekken van zijn belastbaar inkomen in het belastbaar tijdperk van de debitering. Er bestaat dan ook grond om het Grondwettelijk Hof de in het dictum vermelde vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan totdat het Grondwettelijk Hof bij prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de navolgende vraag: “Schendt artikel 53, 15°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang met artikel 49 van dit wetboek, de artikelen 10 en 11 en 170 en 172 van de Grondwet, in zoverre eruit volgt dat de aanzuivering van verliezen van de vennootschap door de bedrijfsleider door onherroepelijk afstand te doen van zijn schuldvordering op de vennootschap door middel van een debitering van zijn rekening-courant, niet als een betaling in de zin van artikel 53,15°, WIB92 en dus als een aftrekbare beroepskost wordt beschouwd, ook al werd de schuldvordering in rekening-courant opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, terwijl de bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen?” Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 30 november 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.1 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.