id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.8 Rolnummer: C.23.0115.N Zaak: SCHRIJNWERKERIJ TONY MOORS nv contra LAMOT Franz Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-01-09 Raadplegingen: 979 - laatst gezien 2026-06-19 01:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.8 Fiche 1 Het staat aan de partijen door het hoofdberoep en het incidenteel beroep de grenzen te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de rechter voorgelegde betwistingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit de relatieve werking van het hoger beroep vloeit voort dat, in de regel, het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing in hoger beroep strekt zich uit tot hetgeen waarover de appelrechter uitspraak heeft gedaan binnen de door partijen bepaalde grenzen van het hoger beroep
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 5 Het gezag van gewijsde van een beslissing in hoger beroep waarin de appelrechter uitspraak doet over het hoger beroep van een door de eerste rechter in het ongelijk gestelde partij, strekt zich niet uit tot een andere in het ongelijk gestelde partij, die als procespartij betrokken was in die beroepsprocedure maar zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en verhindert dus niet dat die partij in een afzonderlijke procedure alsnog hoger beroep instelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0115.N SCHRIJNWERKERIJ TONY MOORS nv, met zetel te 3990 Peer, Achterstraat 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0435.906.023, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen F.L., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van Gert VERREYT, advocaat, met kantoor te 2300 Turnhout, Begijnenstraat 17, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de verweerder, tot gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 december
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 6 november 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond, de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van rechterlijk gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
- Krachtens artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis. Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Het staat evenwel aan de partijen door het hoofdberoep en het incidenteel beroep de grenzen te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de rechter voorgelegde betwistingen. Voorts volgt uit de relatieve werking van het hoger beroep dat, in de regel, het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt.
- Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat het gezag van gewijsde van een beslissing in hoger beroep zich uitstrekt tot hetgeen waarover de appelrechter uitspraak heeft gedaan binnen de door partijen bepaalde grenzen van het hoger beroep. Het gezag van gewijsde van een beslissing in hoger beroep waarin de appelrechter uitspraak doet over het hoger beroep van een door de eerste rechter in het ongelijk gestelde partij, verhindert dus niet dat een andere in het ongelijk gestelde partij, die als procespartij betrokken was in die beroepsprocedure maar zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, in een afzonderlijke procedure alsnog een hoger beroep instelt, aangezien de appelrechter hierover in de reeds gewezen beslissing in hoger beroep nog geen uitspraak heeft gedaan en het gezag van gewijsde van die beslissing zich hiertoe niet uitstrekt.
- Uit de vaststellingen van de appelrechters in het bestreden arrest blijkt dat: - de eiseres en twee andere schuldeisers derdenverzet hebben ingesteld tegen het vonnis van 15 oktober 2019 tot kwijtschelding aan de verweerder van zijn restschulden; - het derdenverzet bij vonnis van 6 oktober 2020 ongegrond werd verklaard; - de twee andere schuldeisers hoger beroep hebben ingesteld tegen dit vonnis, waarbij zij de verweerder, de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij en de eiseres als geïntimeerden hebben aangemerkt; - de appellanten in die beroepsprocedure in hoofdorde de volledige weigering van de kwijtschelding van de restschulden van de verweerder hebben gevorderd en ondergeschikt uitsluitend de weigering van de kwijtschelding van de restschulden van de verweerder ten aanzien van beide appellanten; - een van de appellanten in uiterst ondergeschikte orde heeft gevorderd om, voor zover haar vordering onontvankelijk of ongegrond zou worden verklaard, de eiseres, haarzelf en de andere appellant slechts te veroordelen tot één rechtsplegingsvergoeding; - de eiseres hiertegen bij conclusie heeft aangevoerd dat zij niet mede kon worden veroordeeld tot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en zich voor het overige heeft gedragen als naar recht; - de eiseres dus als procespartij betrokken was in de voormelde beroepsprocedure, maar in die procedure zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 6 oktober 2020; - het hoger beroep bij arrest van 9 september 2021 gegrond werd verklaard en de kwijtschelding van de restschulden van de verweerder ten aanzien van beide appellanten werd geweigerd, terwijl de kwijtschelding van de overige restschulden werd bevestigd; - in voormeld arrest werd geoordeeld dat “op derdenverzet de kwijtschelding wordt geweigerd met betrekking tot de vordering van appellanten wiens belang zich hiertoe beperkt. Voor de overige restschulden wordt aan [de verweerder] de kwijtschelding toegekend. [De eiseres] heeft zelf geen hoger beroep aangetekend tegen de beslissing waarbij haar derdenverzet tegen de toegestane kwijtschelding werd afgewezen, zodat de beslissing ten aanzien van haar ongewijzigd blijft”; - de eiseres op 3 januari 2022 in een afzonderlijke procedure zelf ook hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 6 oktober
- In het bestreden arrest oordelen de appelrechters dat: - het arrest van 9 september 2021 gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de eiseres aangezien het werd gewezen tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid omtrent hetzelfde voorwerp, met name het derdenverzet tegen de beslissing inzake kwijtschelding, en met dezelfde oorzaak, namelijk dezelfde feitelijke omstandigheden die de vordering dragen; - het eerste hoger beroep, ingesteld door de twee andere schuldeisers, de vraag naar de volledige weigering van kwijtschelding behelsde, ondergeschikt beperkt tot de weigering van kwijtschelding van de restschulden ten aanzien van die schuldeisers, en het thans ingestelde hoger beroep eveneens is gericht op de volledige weigering van kwijtschelding van restschulden en dus dezelfde betwisting betreft; - de voorwaarden van artikel 23 Gerechtelijk Wetboek vervuld zijn en de door de verweerder opgeworpen exceptie van gewijsde gegrond is; - de eiseres niet opnieuw de vordering kan instellen waarover het hof van beroep reeds uitspraak heeft gedaan in het arrest van 9 september 2021, waarbij zij als procespartij was betrokken, waarover zij tegenspraak heeft kunnen voeren in de door haar neergelegde conclusie en welke uitspraak ten aanzien van haar gezag van gewijsde heeft.
- Door het hoger beroep van de eiseres om die reden niet ontvankelijk te verklaren, terwijl in het arrest van 9 september 2021 slechts uitspraak wordt gedaan over het hoger beroep van de twee andere schuldeisers, aangezien de eiseres in die procedure zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep had ingesteld, zodat het gezag van gewijsde van dat arrest niet verhindert dat de eiseres in een afzonderlijke procedure zelf nog een hoger beroep instelt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Verklaart dit arrest bindend voor de tot gemeenverklaring opgeroepen partij. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 30 november 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div