← België

L. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.12 Rolnummer: P.22.1307.N Zaak: L. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 668 - laatst gezien 2026-06-15 06:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak, waarbij onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot eenzelfde verdachte welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn en waarbij het enkele gegeven dat die feiten strafbaar zijn onder een andere misdrijfomschrijving niet bepalend is; de rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen identiek of substantieel dezelfde zijn en hij kan bij de beoordeling in aanmerking nemen dat de feiten werden gepleegd ten aanzien van andere slachtoffers en dat de misdrijven werden gepleegd gebruik makend van andere middelen; het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1307.N I S. M.-M. J. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van de Wal, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64/201, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. A. D., burgerlijke partij,
  2. T. V., burgerlijke partij,
  3. David ANNÉ, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Immerseelstraat 66, als curator van ARTEMIS CAPITAL bv, burgerlijke partij,
  4. G. V. D., burgerlijke partij,
  5. L. V. D., burgerlijke partij, verweerders. II David ANNÉ, reeds vermeld, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Cédric Monheim, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen S. L., reeds vermeld, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 september
  6. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  7. Het arrest spreekt de eiser I vrij van de feiten omschreven onder de telastlegging C. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep van de eiser I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie en van het cassatieberoep van de eiser II
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn memorie heeft ter kennis gebracht van de verweerder II en dat hij zijn cassatieberoep aan de verweerder II heeft laten betekenen, niettegenstaande deze verplichtingen zijn voorgeschreven door de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de eiser II tegen de verweerder II, zijn de memorie en het cassatieberoep van de eiser II niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: de appelrechters verwerpen ten onrechte eisers I non bis in idem-verweer omdat het feitencomplex in de reeds beoordeelde zaak een ander feitencomplex betreft dan dit in de thans te beoordelen zaak; er moet worden nagegaan of er gelijkheid van materiële feiten is, waarbij bepalend is of de feiten onlosmakelijk verbonden zijn naar tijd, plaats en voorwerp, zonder dat er een volledige gelijkheid van die feiten moet zijn; de appelrechters oordelen dat de thans vervolgde feiten een ander feitencomplex betreffen, waarbij zij het gegeven van een andere delictomschrijving en het aantal slachtoffers in aanmerking nemen, terwijl dit geen relevante criteria zijn; de geïncrimineerde periode in de reeds beoordeelde zaak kwam volledig overeen met die van de thans te beoordelen zaak; het betreft ook feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken en oplichting binnen Artemis met valse leningsovereenkomsten.
  10. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.
  11. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.
  12. Het algemene rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
  13. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak.
  14. Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot eenzelfde verdachte welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn en waarbij het enkele gegeven dat die feiten strafbaar zijn onder een andere misdrijfomschrijving niet bepalend is.
  15. De rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen identiek of substantieel dezelfde zijn. Hij kan bij de beoordeling in aanmerking nemen dat de feiten werden gepleegd ten aanzien van andere slachtoffers en dat de misdrijven werden gepleegd gebruik makend van andere middelen.
  16. Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Het arrest oordeelt met betrekking het non bis in idem-verweer van de eiser I als volgt: - bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 21 december 2016 werd de eiser I schuldig bevonden aan de feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (telastleggingen A1 en A2) en feiten van oplichting (telastlegging B); - deze feiten vonden plaats te Schoten met N.P. als benadeelde in de periode van 21 maart 2012 tot 7 april 2016; - bij de feiten werd een valse leningsovereenkomst van 21 maart 2012 en een addendum van 25 mei 2012 opgesteld, die zouden zijn gesloten met Artemis Invest sa; - in de voorliggende procedure wordt de eiser I eveneens vervolgd voor feiten van onder meer valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (telastleggingen A1 tot en met A30, A32 en A33) en feiten van oplichtingen (B1 tot en met B30, B32 en B33); - het betreft feiten die plaatsvonden te Schoten en of bij samenhang elders in het Rijk, in de periode van 24 augustus 2009 tot 14 april 2016 waarbij het gebruik van de valse stukken voortduurde tot 20 september 2016; - de benadeelden van deze feiten betreffen L.C, L.C., A.D., S.D., E.D., R.D., N.G., K.H., A.H., H.M., L.N, N.M., C.O., N.S., J.S., D.S., A.S., S.D., L.S., E.V., G.V, L.V., K.V., T.V., A.V., E.V., J.V., S.V., K.V., K.V., C.L. en R.V.; - bij de feiten werden valse leningsovereenkomsten met Artemis Capital of Artemis Invest sa, of Investment Forex Trading-contracten gesloten of een Prior FX Managed Account Customer Trading Agreement met Artemis Invest sa en de voormelde benadeelden; - het is duidelijk dat de eiser I thans niet wordt vervolgd voor enig feit waarvoor hij reeds schuldig werd verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 21 december 2016; - de thans voorliggende feiten werden, voor zover bewezen, gepleegd ten aanzien van andere benadeelden en hebben ook betrekking op andere valse overeenkomsten; - noch het gegeven dat aan de thans te beoordelen feiten eenzelfde kwalificatie wordt gegeven noch het gegeven dat ook bij een deel van deze feiten gebruik werd gemaakt van dezelfde vennootschap (Artemis Invest sa), noch het gegeven dat geheel of gedeeltelijk dezelfde werkwijze werd gebruikt, laat toe te besluiten dat de eiser I thans wordt vervolgd voor feiten waaraan hij reeds schuldig werd verklaard. Met het geheel van die redenen geven de appelrechters te kennen dat de reeds beoordeelde en thans te beoordelen feiten niet onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. Zij kunnen op grond van die redenen wettig het non bis in idem-verweer van de eiser I verwerpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: de eiser heeft op zijn grievenformulier de rubriek Procedure aangekruist, met de toevoeging dat zijn recht van verdediging is miskend wat ook een non bis in idem-verweer inhoudt; het arrest kan dan ook niet oordelen dat de eiser I voor het appelgerecht zijn non bis in idem-verweer niet langer kon aanvoeren.
  20. Uit het antwoord op het tweede middel volgt dat de appelrechters wel degelijk het non bis in idem-verweer van de eiser I hebben beoordeeld en verworpen. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden, en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers elk tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 271,01 euro, waarvan de eiser I 135,60 euro is verschuldigd en de eiser II 100,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.