id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.13 Rolnummer: P.23.1593.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 972 - laatst gezien 2026-06-18 17:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Indien wordt aangevoerd dat de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid uit onregelmatig verkregen bewijsgegevens, dient het onderzoeksgerecht prima facie de regelmatigheid van die bewijsverkrijging te beoordelen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.23.1593.N T. L. J. S., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tine Decoster, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 november 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 29 en 34 Wet Politieambt: het arrest verwijst naar het aanvankelijk proces-verbaal dat echter op geen enkele wijze gemotiveerd is; de politie ging onwettig want zonder enige motivering over tot identiteitscontrole van de eiser; voor de daarop volgende doorzoeking van het voertuig van de eiser waren er geen redelijke gronden; deze voertuigdoorzoeking levert als “huiszoeking heterdaad” onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal op; het arrest neemt niettemin op grond van de vaststellingen van de verbalisanten over de omstandigheden waarin het voertuig werd aangetroffen aan dat deze voldoende grond opleveren om te kunnen overgaan tot een identiteitscontrole; het gevonden bewijs moet worden uitgesloten. 2. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis. 3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis. 4. In zoverre faalt het middel naar recht. 5. In zoverre het middel is gericht tegen het handelen van de politie en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk. 6. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 7. Indien wordt aangevoerd dat de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid uit onregelmatig verkregen bewijsgegevens, dient het onderzoeksgerecht prima facie de regelmatigheid van die bewijsverkrijging te beoordelen. 8. Op grond van artikel 34, § 1, tweede lid, Wet Politieambt kunnen de politieambtenaren de identiteit controleren van ieder persoon indien zij, op grond van zijn gedragingen, materiële aanwijzingen of omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat hij wordt opgespoord, dat hij heeft gepoogd of zich voorbereidt om een misdrijf te plegen of dat hij de openbare orde zou kunnen verstoren of heeft verstoord. 9. Op grond van artikel 29 Wet Politieambt kunnen politieambtenaren overgaan tot het doorzoeken van een voertuig op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats, onder meer indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen of om overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf te vervoeren. 10. Het staat aan de kamer van inbeschuldigingstelling prima facie te oordelen of aan de in artikelen 29 en 34, § 1, tweede lid, Wet Politieambt bepaalde voorwaarden voor een identiteitscontrole en een doorzoeking is voldaan en dus of de zo verkregen bewijsgegevens regelmatig zijn en als grondslag kunnen dienen voor de ernstige aanwijzingen van schuld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Het arrest citeert de in het aanvankelijk proces-verbaal opgenomen vermeldingen door de verbalisanten als volgt: “Het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt: Op deze parking merken wij een man op in een voertuig OPEL Corsa met Belgische kentekenplaatnummer (...). De man heeft zijn voertuig geparkeerd tussen de HUBO en Quick achter een lichte vrachtauto. De Corsa is niet zichtbaar vanop straat. Betrokkene zit alleen in zijn voertuig. Wij plaatsen ons voertuig achter de Corsa en gaan over tot controle van de inzittende. Wij identificeren de bestuurder als [de eiser] (...) aan de hand van zijn identiteitskaart. Hij geeft ons mee dat hij op de parking aan het bellen was met zijn vriendin. Dit hebben wij niet kunnen vaststellen. Wij vragen hem of hij gekend is bij onze diensten. Hierop antwoordt hij: ‘ja, maar dat is al van even geleden’. Echter wanneer wij hem in onze databanken controleren blijkt hij gekend voor 5 feiten dit jaar waaronder: wapens en munitie, drugs verkoop en vereniging van misdadigers. Gezien zijn verhaal niet helemaal klopt, vragen wij betrokkene uit te stappen. [De eiser] wordt door Inp. J. op 28/10/2023 van 21u00 tot 21u03 onderworpen aan een veiligheidsfouille. Deze fouille gebeurt door middel van het aftasten van de kledij. De fouille had een negatief resultaat. Op 28/10/2023 gaan wij over tot doorzoeking van het voertuig. De doorzoeking van het voertuig start om: 21u04 en eindigt om 21u15. Tijdens de doorzoeking vinden wij volgende voorwerpen in het voertuig: Een zwart zakje met verschillende doorzichtige zakjes wit poeder. Een laptoptas met een zwarte zak met een som geld. Een zak met verschillende pakketjes, van uitzicht menen wij de inhoud te herkennen als cannabis”. 12. Het arrest (p. 3, derde alinea) oordeelt dat deze vaststellingen betreffende de omstandigheden waarin het voertuig werd aangetroffen (“actief tegen overlast, positie van het voertuig”) prima facie een voldoende grond opleveren om over te gaan tot een identiteitscontrole en daaropvolgend een fouillering en een doorzoeking van het voertuig. Aldus geeft het arrest te kennen dat na een prima facie-onderzoek geen onregelmatigheid blijkt van de door de identiteitscontrole en de doorzoeking van het voertuig verkregen bewijsgegevens en dat die wel degelijk in aanmerking kunnen worden genomen als ernstige aanwijzingen van schuld. De beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.13 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.