id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.2 Rolnummer: P.23.1531.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 759 - laatst gezien 2026-06-15 06:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Naast de afwezigheid van de bij artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4°, Wet Strafuitvoering limitatief opgesomde tegenaanwijzingen, is zekerheid over de identiteit van de veroordeelde een noodzakelijke voorwaarde voor zijn voorlopige invrijheidstelling en de daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied, omdat zonder die gegevens niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat uitvoering kan worden gegeven aan de gevraagde voorlopige invrijheidstelling met het oog op het verwijderen van het grondgebied of met het oog op overlevering; daaruit volgt dat de onzekerheid over de identiteit van een veroordeelde een wettige reden is om een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering af te wijzen
(1).
(1)Cass. 3 januari 2023, AR P.22.1652.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.10, AC 2023, nr. 5; Cass. 5 maart 2019, AR P.19.0137.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25/3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 26 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1531.N M. S. K., alias H. A., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 30 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering: het vonnis omkleedt de afwijzing van eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied niet regelmatig met redenen; een dergelijke afwijzing is enkel regelmatig met redenen omkleed, indien de strafuitvoeringsrechtbank vaststelt dat er tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op één of meerdere van de in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering vermelde gronden, de van toepassing zijnde gronden uitdrukkelijk worden vermeld en uitdrukkelijk wordt vermeld waarom aan deze tegenaanwijzingen niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; het vonnis stelt vast dat de eiser gekend is onder verschillende aliassen, alsook dat de strafuitvoeringsrechtbank geen zicht heeft op de vraag of de identificatieprocedure bij de Dienst Vreemdelingenzaken reeds opgestart dan wel afgerond is en dat een identificatieprocedure noodzakelijk is om een repatriëring vanuit de gevangenis te kunnen organiseren; het vonnis stelt aldus niet vast welke van de drie tegenaanwijzingen in aanmerking wordt genomen om de gevraagde voorlopige invrijheidsstelling te weigeren.
- Naast de afwezigheid van de bij artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4°, Wet Strafuitvoering limitatief opgesomde tegenaanwijzingen, is zekerheid over de identiteit van de veroordeelde een noodzakelijke voorwaarde voor zijn voorlopige invrijheidstelling en de daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied. Immers, zonder die gegevens kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat uitvoering kan worden gegeven aan de gevraagde voorlopige invrijheidstelling met het oog op het verwijderen van het grondgebied of met het oog op overlevering.
- Daaruit volgt dat de onzekerheid over de identiteit van een veroordeelde een wettige reden is om een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering af te wijzen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div