← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.3 Rolnummer: P.23.0233.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 635 - laatst gezien 2026-06-15 06:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Bij het professioneel uitoefenen van horeca-activiteiten tijdens de coronapandemie dienden de uitbaters van horecabedrijven volgens artikel 6, § 2, MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing

(1), de in die bepaling omschreven minimale regels na te leven; die verplichting is niet alleen van toepassing op degene die juridisch de exploitant of de bestuurder is van de onderneming die de desbetreffende horeca-activiteit organiseert, maar op elkeen die bij de leiding en de organisatie van die activiteit betrokken is en als zodanig als de feitelijke uitbater ervan moet worden beschouwd.
(1)De feiten vonden plaats op 23 juli 2021 en 30 juli
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Algemeen Wettelijke bepalingen: MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 28-10-2020 - Art. 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 2020010455 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0233.N
  2. N. R. A.,
  3. S. M.,
  4. CHARLIES vof, beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Curd Vanacker, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 12 januari
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6, § 2, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (hierna MB 28 oktober 2020): het oordeel dat de eiser 1 de daadwerkelijke uitbater is van de eiseres 3 en in die functie ertoe gehouden was de maatregelen tot beperking van de verspreiding van het coronavirus te doen naleven, is niet naar recht verantwoord; als mede-aandeelhouder van de eiseres 3 is de eiser 1 geen bestuurder of eigenaar van de eiseres 3 en heeft hij niet de leiding over de bedrijfsactiviteiten; als partner van de eiseres 2, die de eigenares is van de eiseres 3, helpt de eiser 1 louter bij de uitbating van de herberg; de hoedanigheid als mede-vennoot is onvoldoende om de eiser 1 strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen voor de feiten.
  7. Het bestreden vonnis leidt de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiser 1 niet af uit de omstandigheid dat de eiser 1 een vennoot is van de eiseres
  8. Het oordeelt integendeel dat die enkele omstandigheid onvoldoende is om hem strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen voor de gepleegde inbreuken (bestreden vonnis, p. 7, derde-laatste alinea). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  9. Bij het professioneel uitoefenen van horeca-activiteiten tijdens de coronapandemie dienden de uitbaters van horecabedrijven volgens artikel 6, § 2, MB 28 oktober 2020, zoals hier van toepassing, de in die bepaling omschreven minimale regels na te leven. Die verplichting is niet alleen van toepassing op degene die juridisch de exploitant of de bestuurder is van de onderneming die de desbetreffende horeca-activiteit organiseert, maar op elkeen die bij de leiding en de organisatie van die activiteit betrokken is en als zodanig als de feitelijke uitbater ervan moet worden beschouwd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6, § 2, eerste lid, 2°, MB 28 oktober 2020: de bewezenverklaring van de inbreuk op de verplichting voor de uitbater om zich zodanig te organiseren dat de regels van de social distancing kunnen worden gerespecteerd, is niet naar recht verantwoord; uit de loutere omstandigheid dat de bezoekers van de horecazaak de regels van de social distancing niet hebben gerespecteerd, kan niet worden afgeleid dat de uitbater de voormelde verplichting niet heeft nageleefd; op de uitbater rust niet de verplichting om zich zo te organiseren dat het niet-respecteren van de regels van de social distancing onmogelijk is; de appelrechters motiveren niet op welke manier de organisatie zou zijn tekortgeschoten en bestraft de eisers voor inbreuken die door derden werden gepleegd.
  12. De appelrechters verklaren de in de telastleggingen A en B bedoelde inbreuken op de in artikel 6, § 2, eerste lid, MB 28 oktober 2020 omschreven verplichtingen niet bewezen op grond van de loutere omstandigheid dat de bezoekers van de horecazaak de regels van de social distancing niet hebben gerespecteerd, noch op grond van het oordeel dat op de uitbater de verplichting rust om zich zo te organiseren dat het niet-respecteren van de regels van de social distancing onmogelijk is. Het bestreden vonnis oordeelt integendeel als volgt (bestreden vonnis, p. 7) : “- [d]e rechtbank steunt zich bij haar beoordeling van de tenlastelegging A onder meer op de politionele analyse van de camerabeelden van de schuimparty XXL […] waaruit blijkt dat tafels aan de kant geschoven werden waardoor de aanwezigen niet aan tafel konden gaan zitten, mensen dicht bij mekaar stonden te dansen in het schuim, geen van de klanten drager was van een mondmasker, de DJ zijn mondmasker onder zijn kin droeg, de social distancing niet werd gerespecteerd en de uitbaters dit oogluikend toelieten; - [u]it deze feitelijke gegevens blijkt dat er op geen enkele wijze maatregelen werden genomen opdat de regels van social distancing konden gerespecteerd worden. De organisatie op zich van een schuimparty met DJ zette juist aan tot het niet respecteren van de voormelde coronamaatregelen waardoor de bewering dat men toch zou geprobeerd hebben de coronamaatregelen te doen respecteren, bijzonder ongeloofwaardig is; - [o]mtrent de tenlastelegging B verwijst de rechtbank onder meer naar de vaststellingen van de verbalisanten die op 30 juli 2021 ter plaatse gingen en zagen dat er teveel volk aanwezig was in de horecazaak, er heel wat personen geen plaats konden nemen aan een tafel en te dicht bijeen stonden en sommigen zelfs volop aan het dansen waren. Heel wat van de aanwezigen was geen drager van een mondmasker of droeg dit niet correct. - [u]it deze feitelijke vaststellingen blijkt dat de minimale regels voorzien in lid 1 van art. 6 § 2 van het MB van 28 oktober 2020 zoals omschreven in de dagvaarding, niet werden nageleefd onder meer deze waarin voorzien werd dat de uitbater zich zodanig moest organiseren dat de regels van de social distancing kunnen worden gerespecteerd; elke persoon aan zijn eigen tafel moest blijven zitten; de klanten en het personeel verplicht waren om een mondmasker te dragen.”
  13. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters de telastleggingen A en B bewezen verklaren omdat de organisatie van de horeca-activiteit, namelijk “een schuimparty met DJ”, de aanwezige klanten heeft aangezet tot het niet-respecteren van de voormelde verplichtingen. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: door de bevestiging van het beroepen vonnis, dat de eisers schuldig heeft verklaard aan de telastleggingen A en B en hen hiervoor elk een straf heeft opgelegd, hebben de appelrechters hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden immers onvoldoende op de grieven die de eisers hebben aangevoerd in hun grievenformulier.
  15. Met omstandige redenen met betrekking tot de schuld van de eisers aan de hen verweten feiten (bestreden vonnis, p. 6-9, nr. 2.2.1) en met betrekking tot de hen opgelegde straffen (bestreden vonnis, p. 10-11, nr. 2.2.2), beantwoorden de appelrechters de in het grievenschrift van de eisers aangevoerde verweermiddelen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  16. Voor het overige is het middel afgeleid uit het aldus vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.