id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.7 Rolnummer: P.23.0275.N Zaak: De POPULIER BV c. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 780 - laatst gezien 2026-06-15 11:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer de rechter oordeelt dat een bestaande vergunde constructie zonder vergunning werd uitgebreid en verbouwd op een wijze dat de onvergunde aanbouw niet kan worden beschouwd als een fysiek aansluitende aanhorigheid van het hoofdgebouw maar de constructie hierdoor in zijn geheel werd herbouwd, kan hij op grond hiervan wettig tot het besluit komen dat de volledige constructie moet worden beschouwd als niet noodzakelijk vergund in de zin van artikel 4.1.1, 7°, b, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van de artikel 3.2, 1°, Vrijstellingsbesluit. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.1.1, 7°,
- b)- 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 3.2, 1° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Thesaurus CAS: ONROEREND EN ROEREND GOED Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.1.1, 7°,
- b)- 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 3.2, 1° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Fiches 3 - 5 Wanneer de rechter aan een beklaagde een herstelmaatregel oplegt na te hebben geoordeeld dat de minnelijke schikking waarop de beklaagde zich beroept van rechtswege nietig is bij toepassing van artikel 6.4.19, § 1, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan is dat oordeel niet afhankelijk van de in artikel 3.33 Burgerlijk Wetboek voorgeschreven publiciteit, onverminderd de publiciteit met betrekking tot de eindbeslissing zoals bedoeld in artikel 6.3.1, § 6, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.4.19, § 1, tweede lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.4.20 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Burgerlijk Wetboek - Boek 3: Goederen - 04-02-2020 - Art. 3.33 - 19 ELI link Pub nr 2020A20347 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.4.19, § 1, tweede lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.4.20 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Burgerlijk Wetboek - Boek 3: Goederen - 04-02-2020 - Art. 3.33 - 19 ELI link Pub nr 2020A20347 Thesaurus CAS: MINNELIJKE SCHIKKING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.4.19, § 1, tweede lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.4.20 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Burgerlijk Wetboek - Boek 3: Goederen - 04-02-2020 - Art. 3.33 - 19 ELI link Pub nr 2020A20347 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0275.N DE POPULIER bv, met zetel te 1755 Gooik, Populierenstraat 8, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Margot Vandebeek, advocaat bij de balie Brussel, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Dennis Muñiz Espinoza, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsevest 47 bus 001, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 januari 2023. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 4.2.1 en 4.2.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de garage/schuur in haar geheel werd herbouwd, uitgebreid en herbestemd en de herbouwde en uitgebreide constructie fysiek en functioneel één geheel uitmaakt, miskennen de appelrechters de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal nr. HV.66.RZ.200048/2017 en van de dagvaarding, met name van de daarin omschreven telastlegging B, en verantwoorden zij de bewezenverklaring van de telastlegging A.6 niet naar recht; in deze beide akten wordt immers niet gesteld dat de garage/schuur integraal werd heropgebouwd, maar louter dat de “aanbouw” achter de bestaande garage/schuur werd heropgebouwd; het arrest oordeelt aldus in strijd met die akten en bij uitbreiding met heel het strafdossier. 2. Het arrest verklaart de telastlegging A.6 met betrekking tot het onvergund plaatsen van vier vaste afvalcontainers bewezen en de op die telastlegging gebaseerde herstelvordering gegrond, na te hebben geoordeeld dat de eiseres zich hierbij niet kan beroepen op de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, 12° en 13°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (hierna Vrijstellingsbesluit), omdat het aangebouwde deel van de schuur niet kan worden beschouwd als een “aansluitende aanhorigheid”, de schuur in haar geheel werd herbouwd, uitgebreid en herbestemd en de herbouwde en uitgebreide constructie fysiek en functioneel één geheel uitmaakt, zodat zij niet kan worden beschouwd als een “hoofdzakelijk vergund gebouw” in de zin van artikel 3.2, 1°, Vrijstellingsbesluit en artikel 4.1.1, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. 3. Het arrest (p. 15) verwijst voor het oordeel dat de garage/schuur in haar geheel werd herbouwd, uitgebreid en herbestemd en de herbouwde en uitgebreide constructie fysiek en functioneel één geheel uitmaakt, niet naar de dagvaarding en de daarin omschreven telastlegging B, noch naar het aanvankelijk proces-verbaal nr. HV.66.RZ.200048/2017, en dit ongeacht de omstandigheid dat het arrest naar dat laatste stuk verwijst bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering (arrest, p. 8, voorlaatste alinea). Het kan dan ook de bewijskracht van die akten niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest oordeelt in strijd met de voormelde dagvaarding en het voormelde proces-verbaal “en bij uitbreiding [met] heel het strafdossier”, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. 5. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4.1.1, 7°, b, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 3.1, 12° en 13°, en 3.2, 1°, Vrijstellingsbesluit: met het oordeel dat de garage/schuur in haar geheel werd herbouwd, uitgebreid en herbestemd en de herbouwde en uitgebreide constructie fysiek en functioneel één geheel uitmaakt, verantwoordt het arrest het oordeel dat de garage/schuur niet kan worden beschouwd als een “hoofdzakelijk vergund gebouw”, er bijgevolg geen sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningsplicht en de telastlegging A.6 dienvolgens bewezen is, niet naar recht; de schuur was wel degelijk vergund, zodat de kwalificatie van de schuur als een niet hoofdzakelijk vergunde constructie elke grondslag mist. 7. Wanneer de rechter oordeelt dat een bestaande vergunde constructie zonder vergunning werd uitgebreid en verbouwd op een wijze dat de onvergunde aanbouw niet kan worden beschouwd als een fysiek aansluitende aanhorigheid van het hoofdgebouw maar de constructie hierdoor in zijn geheel werd herbouwd, kan hij op grond hiervan wettig tot het besluit komen dat de volledige constructie moet worden beschouwd als niet noodzakelijk vergund in de zin van artikel 4.1.1, 7°, b, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en van de artikel 3.2, 1°, Vrijstellingsbesluit. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Voor het overige komt het onderdeel in wezen op tegen het oordeel van de appelrechters dat de onvergunde aanbouw niet kan worden beschouwd als een aansluitende aanhorigheid van de garage/schuur, die in haar geheel werd herbouwd, uitgebreid en herbestemd, waardoor de herbouwde en uitgebreide constructie fysiek en functioneel één geheel uitmaakt. In zoverre is het onderdeel, dat opkomt tegen dit onaantastbare oordeel of verplicht tot een onderzoek van de feiten waarop dit oordeel is gegrond, waarvoor het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk. Derde onderdeel 9. Het onderdeel voert miskenning aan van het beginsel dat appelrechters geen uitspraak mogen doen over andere feiten dan die waarop de beslissing van de eerste rechter betrekking had: door te oordelen dat de bestaande schuur volledig werd heropgebouwd zonder dat daarvoor een vergunning werd afgeleverd, doen de appelrechters uitspraak over feiten die bij de eerste rechter niet aanhangig waren gemaakt; bij de eerste rechter was immers wel de onvergunde “aanbouw” van de bestaande schuur aanhangig, maar niet het onvergund heropbouwen van de basisconstructie. 10. Het arrest verklaart noch de eiseres, noch de oorspronkelijk tweede beklaagde schuldig aan het onvergund verbouwen van de garage/schuur als basisconstructie, noch aan de feiten met betrekking tot de onvergunde aanbouw zoals bedoeld in de telastlegging B. Bij de beoordeling van de telastlegging A.6 gaat het arrest wel na of de handelingen met betrekking tot de in die telastlegging bedoelde afvalcontainers werden uitgevoerd binnen een straal van dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.2, 1°, Vrijstellingsbesluit. Hierdoor doet het arrest geen uitspraak over feiten die bij de eerste rechter niet aanhangig waren. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede middel 11. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door enerzijds te oordelen dat de in het beroepen vonnis verleende vrijspraak van de eiseres voor de telastlegging B definitief is en anderzijds met betrekking tot de herstelvordering te oordelen dat de eiseres mededader is van de feiten, voorwerp van de telastlegging B en het stedenbouwkundig misdrijf een voortschrijdend karakter heeft, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door niet te antwoorden op het verweer van de eiseres dat de feiten van de telastlegging B haar niet toerekenbaar zijn omdat zij pas op 19 december 2013 werd opgericht, is het oordeel van de appelrechters dat de eiseres mededader is van de feiten, voorwerp van de telastlegging B, niet regelmatig met redenen omkleed. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 203, 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de eiseres mededader is van de feiten, voorwerp van de telastlegging B, is niet naar recht verantwoord; de eiseres werd in het beroepen vonnis vrijgesproken van de telastlegging B en met betrekking tot deze vrijspraak werd door het openbaar ministerie geen grief aangevoerd, terwijl er ook door de verweerder geen hoger beroep werd ingesteld; aldus miskennen de appelrechters de saisine in hoger beroep. Het vierde onderdeel voert schending aan van de artikelen 25, 26 en 28 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde in strafzaken: het oordeel dat de eiseres mededader is van de feiten, voorwerp van de telastlegging B, is niet naar recht verantwoord; de eiseres werd in het beroepen vonnis van 1 oktober 2020, dat in kracht van gewijsde is gegaan, definitief vrijgesproken van de telastlegging B; door te oordelen dat de eiseres mededader is van de feiten, voorwerp van de telastlegging B, miskent het arrest het gezag van gewijsde van dit vonnis. Het vijfde onderdeel voert schending aan van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM: met het oordeel dat de eiseres mededader is van de feiten, voorwerp van de telastlegging B, is de veroordeling van de eiseres tot het herstel, dat als een straf in de zin van het EVRM moet worden beschouwd, niet naar recht verantwoord; door die veroordeling wordt de eiseres opnieuw gestraft niettegenstaande zij onherroepelijk was vrijgesproken voor die feiten. 12. Uit het arrest blijkt niet dat de appelrechters bij hun oordeel over de straftoemeting en over het gevorderde herstel rekening houden met de in het middel bekritiseerde redenen met betrekking tot de telastlegging B en met betrekking tot het voortschrijdend karakter van de ten aanzien van de eiseres bewezenverklaarde misdrijven. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 13. Na te hebben vastgesteld dat de eiseres in het beroepen vonnis definitief werd vrijgesproken van de telastlegging B, verklaart het arrest de eiseres louter schuldig aan de telastleggingen A.1 tot en met A.6 en C, bestraft het de eiseres op grond van die telastleggingen en veroordeelt het de eiseres tot herstelmaatregelen die louter op die telastleggingen betrekking hebben. In zoverre kan het middel, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 14. Het middel voert schending aan van artikel 6.4.20 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 3.33 Burgerlijk Wetboek: het oordeel dat de minnelijke schikking van 17 januari 2020 nietig is, is niet naar recht verantwoord; de vordering van de verweerder tot nietigverklaring van de minnelijke schikking werd niet ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel, zodat het arrest de minnelijke schikking, die een aan overschrijving onderworpen akte inhoudt en door de eiseres werd uitgevoerd, niet nietig kon verklaren. 15. Artikel 6.4.19, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt de voorwaarden onder welke de in die bepaling opgesomde overheden een minnelijke schikking kunnen aangaan met de overtreder, de overtreders of andere belanghebbenden. Volgens artikel 6.4.19, § 1, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening heeft de miskenning van een van die voorwaarden van rechtswege de nietigheid van de minnelijke schikking tot gevolg. 16. Volgens artikel 6.4.20 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt de minnelijke schikking binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waarin het onroerend goed gelegen is, waarbij het proces-verbaal van vaststelling van de uitvoering van de minnelijke schikking bij toepassing van artikel 6.4.21 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt overgeschreven op de kant van de overschrijving. 17. Wanneer de rechter aan een beklaagde een herstelmaatregel oplegt na te hebben geoordeeld dat de minnelijke schikking waarop de beklaagde zich beroept van rechtswege nietig is bij toepassing van artikel 6.4.19, § 1, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan is dat oordeel niet afhankelijk van de in artikel 3.33 Burgerlijk Wetboek voorgeschreven publiciteit, onverminderd de publiciteit met betrekking tot de eindbeslissing zoals bedoeld in artikel 6.3.1, § 6, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel Tweede onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat het “kennelijk onredelijk” zou zijn om aan te nemen dat de door de eiseres onwettig opgerichte constructies “kennelijk verenigbaar” zijn met de goede ruimtelijke ordening, is het oordeel van de appelrechters dat de minnelijke schikking van rechtswege nietig is en het herstel niet doet uitdoven, niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt immers niet op het in de appelconclusie van de eiseres ontwikkelde verweer dat de door de burgemeester namens de gemeente met de eiseres aangegane minnelijke schikking slechts het voorwerp kan uitmaken van een marginale toetsing aan de hand van het criterium van een normaal beslissingspatroon van een zorgvuldige overheid die optreedt in dezelfde omstandigheden en dat uit geen enkel gegeven blijkt dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden de minnelijke schikking met de eiseres zou hebben aangegaan. 19. Met de redenen die het arrest bevat (p. 17-21), gaan de appelrechters uitgebreid in op de vraag of de minnelijke schikking van 17 januari 2020 beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 6.4.19, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, waarbij zij met betrekking tot elke door de eiseres wederrechtelijk opgerichte constructie waarop de herstelvordering en de minnelijke schikking betrekking hebben, oordelen dat het “kennelijk onredelijk” is om op grond van de motivering van de minnelijke schikking aan te nemen dat de door de eiseres onwettig opgerichte constructies “kennelijk verenigbaar” zouden zijn met de goede ruimtelijke ordening, zodat die minnelijke schikking van rechtswege nietig is bij toepassing van artikel 6.4.19, § 1, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het herstel niet doet uitdoven. Met die redenen, waaruit blijkt dat het aangaan van de minnelijke schikking door de burgemeester namens de gemeente blijk geeft van een kennelijk onredelijk overheidsoptreden, geven de appelrechters noodzakelijk ook te kennen dat het ondenkbaar is dat een zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden de minnelijke schikking met de eiseres zou hebben aangegaan. Het onderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Eerste onderdeel 20. Het onderdeel voert miskenning aan van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur: met het oordeel dat het “kennelijk onredelijk” zou zijn om aan te nemen dat de door de eiseres onwettig opgerichte constructies “kennelijk verenigbaar” zouden zijn met de goede ruimtelijke ordening, is het oordeel van de appelrechters dat de minnelijke schikking van rechtswege nietig is en het herstel niet doet uitdoven, niet naar recht verantwoord; het arrest stelt aldus immers niet vast dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden de minnelijke schikking met de eiseres zou hebben aangegaan; nochtans kan slechts op grond van dat criterium tot een miskenning van het redelijkheidsbeginsel worden besloten. 21. Het onderdeel is afgeleid uit het in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is dienvolgens niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.