id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.9 Rolnummer: P.23.0383.N Zaak: THE ATTIC COMPANY NV contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 907 - laatst gezien 2026-06-19 03:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De artikelen 8.8, 8.28 en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken
(1).
(1)Zie Cass. 19 september 2023, AR P.23.0723.N, AC 2023, nr. 571, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.6. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Fiche 2 Artikel 962 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op een door de strafrechter met betrekking tot de strafvordering bevolen deskundigenonderzoek
(1).
(1)Zie Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N, AC 2021, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3; Cass. 19 mei 2015, AR P.14.0921.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.1, AC 2015, nr.
- Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Tekst van de beslissing Nr. P.23.0383.N THE ATTIC COMPANY nv, met zetel te 9000 Gent, Franklin Rooseveltlaan 349 bus 33, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Yvan Verfaillie, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen G. P. A. A. G. L., beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Jan de Winter, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Baliestraat 28, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 februari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 8.8, 8.17, 8.18, 8.28 en 8.29 Burgerlijk Wetboek, artikel 491, eerste lid, Strafwetboek en artikel 962 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van de processen-verbaal in het strafdossier en de door de eiseres neergelegde stukken en het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: door te oordelen dat de verweerster op grond van de overeenkomst van 15 oktober 2009 in de veronderstelling kon verkeren dat zij de rechtmatige eigenaar was van de in die overeenkomst bedoelde antieke meubelen en kunstvoorwerpen, er bijgevolg twijfel bestaat over het bedrieglijk opzet van de verweerster en die laatste moet worden ontslagen van rechtsvervolging, is de beslissing dat de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres ongegrond moet worden verklaard niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; door te oordelen dat de bijlage bij de onderhandse overeenkomst van 15 oktober 2009 hiervan geen deel uitmaakte, miskennen de appelrechters immers de bewijskracht van die overeenkomst, waarin op het eerste blad uitdrukkelijk wordt verwezen naar die bijlage; door te oordelen dat het besluit van de schriftdeskundige niet met een redelijke mate van menselijke zekerheid uitsluitsel geeft over het feit of de paragraaf op de bijlage van de verweerster is, miskennen de appelrechters tevens de bewijskracht van het verslag van de schriftdeskundige van 6 oktober 2020, waarin deze had gesteld dat de bewuste paragraaf “met een zeer hoge waarschijnlijkheid” van de hand van de verweerster is; het oordeel dat de bijlage bij de overeenkomst van 15 oktober 2009 hiervan geen deel uitmaakte, miskent verder ook de bewijskracht van de getuigenverklaring van J. van 16 mei 2018, waarin deze heeft verklaard dat hij de bijlage bij de overeenkomst pas achteraf heeft opgesteld, waarna deze door de eiseres en haar ex-echtgenoot werd ondertekend; ten slotte miskennen de appelrechters ook de bewijskracht van het schattingsverslag van maart 2010, dit is van na de overeenkomst van 15 oktober 2009, waarin op de titelpagina op verzoek van de verweerster werd vermeld dat de desbetreffende goederen de eigendom waren van de eiseres, waarbij de eiseres in haar appelconclusie had aangevoerd dat dit het bewijs vormt dat de verweerster zeer goed wist dat zij op 15 oktober 2009 geen eigenaar was geworden van de goederen en derhalve niet te goeder trouw kon zijn bij haar weigering om de goederen af te geven; door miskenning van de bewijskracht van de voormelde akten miskennen de appelrechters verder ook de regels van het bewijs met alle middelen en feitelijke vermoedens en inzake het deskundigenbewijs, terwijl zij, door niet te antwoorden op de appelconclusie van de eiseres met betrekking tot die akten, hun beslissing ook niet regelmatig met redenen omkleden.
- De artikelen 8.8, 8.28 en 8.29 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken. Artikel 962 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op een door de strafrechter met betrekking tot de strafvordering bevolen deskundigenonderzoek. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest (p. 18-19) oordeelt dat het vaststaat dat de bijlage bij de overeenkomst van 15 oktober 2009 niet op 15 oktober 2009 werd ondertekend en toen zelfs nog niet gekend was, dat het besluit van de schriftdeskundige niet met een redelijke mate van menselijke zekerheid uitsluitsel geeft over het feit of de paraaf op de bijlage van de hand van de verweerster is en dat er geen zekerheid is of er met betrekking tot die bijlage wilsovereenstemming tussen de partijen bestond. Met het oordeel dat de bijlage op 15 oktober 2009 geen deel uitmaakte van de overeenkomst, geven de appelrechters dan ook geen uitlegging van die overeenkomst en bijlage maar beoordelen ze enkel de bewijswaarde ervan, waardoor de andersluidende conclusie van de eiseres op dit punt wordt verworpen en regelmatig beantwoord. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De mate van zekerheid waarmee de gerechtsdeskundige zijn bevindingen formuleert, is niet bindend voor de rechter, die onaantastbaar oordeelt of, en in welke mate, het standpunt van de deskundige overtuigend is. Na te hebben vastgesteld dat volgens het verslag van de schriftdeskundige de paraaf op het betwiste stuk “met een zeer hoge waarschijnlijkheid” van de hand van de verweerster is, oordeelt het arrest dat het besluit van de schriftdeskundige echter niet met een redelijke mate van menselijke zekerheid uitsluitsel geeft of de bewuste paraaf van de hand van de verweerster is (arrest, p. 18, laatste alinea). Met dat oordeel geeft het arrest geen uitlegging van het deskundigenverslag maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan, waardoor het ook de andersluidende grieven in de appelconclusie van de eiseres verwerpt en beantwoordt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het arrest oordeelt niet dat uit de getuigenverklaring van J. van 16 mei 2018 blijkt dat de bijlage geen deel uitmaakte van de overeenkomst van 15 oktober 2009, maar wel dat uit die verklaring kan worden afgeleid dat de bijlage bij de overeenkomst van 15 oktober 2009 niet op die laatste datum werd ondertekend en toen zelfs nog niet bekend was. De appelrechters leiden het oordeel dat er geen zekerheid is over de vraag of er wel een wilsovereenstemming was over de bijlage voor het overige niet af uit die verklaring maar uit andere gegevens, met name het gegeven dat het niet zeker is dat de bewuste paraaf van de hand van de verweerster is. Hierdoor worden ook de andersluidende grieven in de appelconclusie van de eiseres verworpen en beantwoord. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het schattingsverslag van maart
- Het kan dan ook de bewijskracht van dit stuk niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De rechter moet niet elk argument dat ter staving van een middel wordt ingeroepen maar geen afzonderlijk middel is, beantwoorden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name de voor de eiseres op de rechtszitting van 24 november 2022 neergelegde appelconclusie (p. 66-69, nr. 3.12), blijkt dat de eiseres met betrekking tot het schattingsverslag van maart 2010 heeft aangevoerd dat daaruit blijkt dat zij de eigenares is van de goederen, maar niet dat zij in dit verband heeft aangevoerd dat dit het bewijs vormt dat de verweerster zeer goed wist dat zij op 15 oktober 2009 geen eigenaar was geworden van de goederen en derhalve niet te goeder trouw kon zijn bij haar weigering om de goederen af te geven. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De in het onderdeel aangevoerde miskenningen van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde grieven betreffende het gebrek aan antwoord op de appelconclusie van de eiseres. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het onderdeel is voor het overige afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de voormelde akten en is in zoverre bijgevolg eveneens niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.8, 8.17 en 8.29 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: met het oordeel dat, zelfs in de veronderstelling dat de verweerster toch zou hebben ingestemd met de inhoud van de bijlage en deze zou hebben geparafeerd, de omstandigheid dat de verweerster nooit op haar betalingsplicht werd gewezen de twijfel versterkt die bestaat over haar bedrieglijk inzicht, verantwoorden de appelrechters de vrijspraak van de verweerster niet naar recht; immers miskennen de appelrechters hierbij de bewijskracht van de op 29 juni 2015 en de op 6 juli 2015 neergelegde verzoekschriften tot bewarend beslag en beslag tot terugvordering, van het exploot van “betekening beschikking” van 10 juli 2015, van de exploten van bewarend beslag van 10 juli 2015 en 13 juli 2015, alsook van de klacht met burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter door de afgevaardigd bestuurder van de eiseres van 1 oktober 2015; de verweerster heeft nooit de aanvoering van de eiseres ontkend waarin deze voorhield dat haar afgevaardigd bestuurder de kunstvoorwerpen louter in de laatste echtelijke woning heeft gelaten ten behoeve van zijn nog bij de verweerster inwonende zoon, waarbij hij, na te hebben vernomen dat hun zoon een studio had gehuurd en de verweerster de voormelde woning te koop had gesteld, onmiddellijk bewarend beslag heeft laten leggen bij de verweerster en een klacht met burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter heeft ingediend; de appelrechters konden dan ook niet rechtsgeldig oordelen dat de verweerster na verloop van tijd niet op haar betalingsverplichting werd gewezen en er bijgevolg twijfel bestaat omtrent haar bedrieglijk inzicht.
- Het onderdeel: - komt op tegen het oordeel van de appelrechters dat, in de veronderstelling dat de verweerster toch met de inhoud van de bijlage zou hebben ingestemd en zij de bijlage parafeerde, moet worden vastgesteld dat de eiseres niet aantoont dat de verweerster na verloop van tijd op haar betalingsplicht werd gewezen of dat haar gemeld werd dat de betalingstermijn verstreken was en de goederen aldus terug in het vermogen van de eiseres terechtkwamen, welke vaststelling de twijfel versterkt die bestaat over het bedrieglijk inzicht van de verweerster (arrest, p. 19, derde alinea); - komt niet op tegen het met het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde oordeel op grond waarvan het ontslag van rechtsvervolging van de verweerster wordt verantwoord, met name het oordeel van de appelrechters dat het besluit van de schriftdeskundige niet met een redelijke mate van menselijke zekerheid uitsluitsel geeft of de bewuste paraaf van de hand van de verweerster is en dat de verweerster op grond van de overeenkomst van 15 oktober 2009 in de veronderstelling kon verkeren dat zij de rechtmatige eigenaar was van de in die overeenkomst bedoelde antieke meubelen en kunstvoorwerpen, zodat er twijfel bestaat over het bedrieglijk opzet van de verweerster. Het onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 161 en 162, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging: door niet rechtsgeldig te oordelen dat de verweerster moet worden ontslagen van rechtsvervolging, verantwoorden de appelrechters niet naar recht de beslissing dat de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres ongegrond is, de eiseres zelf de kosten van haar stelling moet dragen alsook de kosten van de strafvordering, en is het arrest evenmin regelmatig met redenen omkleed; de eiseres had gevorderd dat het beroepen vonnis zou worden bevestigd en de verweerster dienvolgens zou worden veroordeeld tot teruggave van de nader opgesomde goederen op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsook tot het betalen van een schadevergoeding.
- Het middel is volledig afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheden. Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,71 euro, waarvan 78,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div