id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.4 Rolnummer: F.22.0161.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra CNH INDUSTRIAL BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-09 Raadplegingen: 639 - laatst gezien 2026-06-16 15:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.4 Fiches 1 - 3 Gezien de vraag rijst of de in artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 neergelegde regel dat bij de terugbetaling van bedrijfsvoorheffing geen moratoriuminterest verschuldigd is door de Staat, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet wanneer de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald, maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt; stelt het Hof de in het dictum van dit arrest geformuleerde vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet in de uitlegging dat ze uitsluiten dat moratoriuminterest wordt toegekend aan de belastingplichtige wanneer deze de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt, doordat ze een verschillende behandeling invoeren: 1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij hebben betaald nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend? 2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de administratie ze jegens hen had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend?”
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 304, § 1, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 412 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 418, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 419, eerste lid, 4° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 304, § 1, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 412 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 418, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 419, eerste lid, 4° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 304, § 1, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 412 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 418, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 419, eerste lid, 4° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0161.N DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-Generaal bij een fiscaal bestuur te Centrum Grote Ondernemingen Brugge met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, eiser, tegen CNH INDUSTRIAL BELGIUM nv, met zetel te 8210 Zedelgem, Léon Claeysstraat 3A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.444.803, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 mei 2022. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 8 november 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 418, eerste lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, wordt bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand. Krachtens artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, wordt geen moratoriuminterest toegekend in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan. 2. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster op 20 september 2018 een bezwaarschrift indiende teneinde een bijkomende vrijstelling van bedrijfsvoorheffing te verkrijgen voor het aanslagjaar 2015 op grond van artikel 275³ WIB92; - de verweerster op 21 september 2018 een gelijkaardig bezwaarschrift indiende voor het aanslagjaar 2016; - bij beslissing van 21 augustus 2019 het bezwaar van de verweerster voor aanslagjaar 2015 werd afgewezen omdat er geen tijdige aanmelding van een onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma bij Belspo was gebeurd voorafgaand aan de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling; - bij beslissing van diezelfde datum het bezwaar van de verweerster voor aanslagjaar 2016 werd ingewilligd, doch enkel voor de maanden oktober, november en december 2016 en niet voor de maanden januari tot en met september 2016, aangezien er geen tijdige aanmelding van een onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma bij Belspo was gebeurd voorafgaand aan de vrijstelling; - op 23 december 2014, hetzij voorafgaand aan de vrijstelling van de doorstortingsverplichting in de jaren 2015 en 2016, nochtans een geldige aanmelding is gebeurd bij Belspo door de verweerster van haar O&O-programma “O&O gericht op nieuwe producten en procedés die leiden tot nieuwe types oogstmachines” en niet wordt betwist dat dat programma voldoet aan de andere voorwaarden van artikel 275³ WIB92; - de verweerster bijgevolg gerechtigd is op een vrijstelling van de doorstortingsverplichting voor alle bezoldigingen die zijn uitbetaald of toegekend aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in het O&O-programma en die een kwalificerend diploma hebben; - niet wordt betwist dat de bezoldigingen waarvan de verweerster opgave heeft gedaan in haar bezwaarschriften van 20 en 21 september 2018 voldoen aan de voornoemde voorwaarden; - de teruggave dient te worden bevolen van de ten onrechte doorgestorte bedrijfsvoorheffing met betrekking tot aanslagjaar 2015 in de bedrijfsvoorheffing (gemeente van inning: Zedelgem) evenals met betrekking tot de periode januari tot en met september van aanslagjaar 2016 in de bedrijfsvoorheffing (gemeente van inning: Zedelgem); - de eiser de toekenning door de eerste rechter van moratoriuminterest overeenkomstig artikel 1153 Oud Burgerlijk Wetboek bij de terugbetaling van de doorgestorte bedrijfsvoorheffing betwist; - artikel 1153 Oud Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is aangezien het een situatie betreft, geregeld door de artikelen 418 en 419 WIB92; - gelet op het doel van de wetgever zoals dat blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 en zoals uiteengezet in de arresten van het Grondwettelijk Hof van 21 februari 2008 (nr. 24/2008) en van 19 december 2013 (nr. 176/2013), niets verantwoordt dat moratoriuminterest wordt geweigerd wanneer de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing toe te schrijven is aan vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interest begint te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen; - het vaststaat dat vanaf de (eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door
- de)aanmaning, zijnde de bezwaarschriften van 20 en 21 september 2018, de administratie ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing; - vanaf die datum geen sprake meer is van een vergissing begaan door de verweerster bij de storting van de bedrijfsvoorheffing waarvoor de Staat niet moet instaan, wat volgens de wetsgeschiedenis bij artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 verantwoordt waarom dit artikel in een uitzondering voorziet op de verplichting om moratoriuminterest toe te kennen; - vanaf die datum bijgevolg, overeenkomstig artikel 418 WIB92, moratoriuminterest moet worden toegekend. 3. De eiser voert aan dat het bestreden arrest de artikelen 418 en 419, eerste lid, 4°, WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, schendt door moratoriuminterest toe te kennen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de bezwaarschriften van 20 en 21 september 2018. De eiser houdt voor dat de in artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 bepaalde uitzondering op de verplichting van de Staat om moratoriuminterest aan de belastingschuldige toe te kennen telkens wanneer de Staat een gekweten belasting moet terugbetalen, wordt verantwoord vanuit de gedachte dat de Staat niet moet instaan voor vergissingen bij de doorstorting van een voorheffing en het bijgevolg verantwoord is dat geen interest verschuldigd is bij terugbetaling van een niet-verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar, zoals in deze zaak, spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd is. Volgens de eiser is in het voorliggende geval geen sprake van een niet-tijdige terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing die toe te schrijven is aan een vergissing van de administratie. Het is immers pas met het bestreden arrest dat werd beslist dat is voldaan aan de in artikel 275³ WIB92 bepaalde aanmeldingsvoorwaarden om de vrijstelling van de storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen en is vastgesteld dat de bedrijfsvoorheffing niet verschuldigd is. 4. De verweerster voert aan dat de appelrechter een juiste toepassing maakt van de beginselen die het Grondwettelijk Hof heeft vastgelegd in zijn arresten van 21 februari 2008 (nr. 24/2008) en 19 december 2013 (nr. 176/2013) door te oordelen dat het vanaf het indienen van de bezwaarschriften vast stond dat de administratie ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing en dat er vanaf die datum geen sprake meer is van een vergissing bij de storting van de bedrijfsvoorheffing waarvoor de Staat niet moet instaan. 5. De vraag rijst of de in artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 neergelegde regel dat bij de terugbetaling van bedrijfsvoorheffing geen moratoriuminterest verschuldigd is door de Staat, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet wanneer de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald, maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt. Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof doet dat Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, bij wege van arrest uitspraak op vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet. Krachtens artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het Hof gehouden de in het dictum van dit arrest geformuleerde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet in de uitlegging dat ze uitsluiten dat moratoriuminterest wordt toegekend aan de belastingplichtige wanneer deze de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt, doordat ze een verschillende behandeling invoeren: 1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij hebben betaald nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend? 2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de administratie ze jegens hen had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend?” Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 december 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.4 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div