id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 37
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 37
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 5 Krachtens artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, beveelt het Hof van Cassatie, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van een procedurefout of -tekortkoming die dermate ernstig is dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 442quinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 10 Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde bekentenis van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en uitgelegd door het EHRM
(1)dat aan die verdachte, ook wanneer hij zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, voorafgaand aan zijn verhoor door de politie de bijstand van een raadsman wordt verleend; die vereiste, waaraan enkel afbreuk kan worden gedaan indien uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen worden aangetoond die een beperking daarvan kunnen rechtvaardigen, geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering
(2).
(1)EHRM 9 november 2018, Beuze t. België, nr. 71409/10; EHRM 28 april 2022,Wang t. Frankrijk, nr. 83700/17.
(2)Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1286.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12, AC 2022, nr. 84. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bekentenis Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1295.N T. V., verzoeker tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 13 september 2023, vraagt de verzoeker op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 13 maart 2018 in de zaak P.17.0083.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.
- Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- Bij arrest van 23 december 2016 veroordeelde het hof van beroep te Gent de verzoeker op strafgebied tot een gevangenisstraf van achtendertig maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een gedeelte van twintig maanden gedurende een termijn van vijf jaar, een geldboete van 3.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 16.500,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden en de bijzondere verbeurdverklaring van meerdere geldbedragen, alsook tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds, de vergoeding en de kosten wegens het afleggen van onjuiste en onvolledige verklaringen in verband met aanvragen tot het verkrijgen of behouden van ecologiepremies, het ontvangen of behouden van de door de onjuiste of onvolledige verklaringen verkregen subsidies en het aanwenden van de verkregen subsidies voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verkregen.
- De verzoeker stelde tegen dit arrest cassatieberoep in en voerde daarbij in het tweede onderdeel van een tweede middel schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering zoals van toepassing, omdat de appelrechters zich voor hun beslissing over de schuldvraag hadden gesteund op verklaringen die de verzoeker had afgelegd zonder de bijstand van een advocaat en zonder dat hij werd gewezen op zijn zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te incrimineren en waarbij de appelrechters geen dwingende redenen ter verantwoording daarvan hadden vastgesteld.
- Bij arrest P.17.0083.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 van 13 maart 2018 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoeker. In antwoord op het voormelde onderdeel oordeelde het Hof dat artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de verhoren van de verzoeker die zijn afgenomen vóór de inwerkingtreding van die bepaling, dat aan een verdachte slechts de bijstand van een advocaat moet worden verleend indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt en dat de rechter ook bij afwezigheid van een dwingende reden voor het beperken van de bijstand van een advocaat kan oordelen dat een zonder die bijstand afgelegde verklaring als bewijs kan worden gebruikt indien daardoor het recht op een eerlijk proces in zijn geheel niet wordt miskend.
- Op 12 september 2018 legde de verzoeker bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 44042/18) neer waarin om dezelfde redenen opnieuw schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd. Daarover besliste het EHRM, tweede afdeling, op 23 maart 2023 eenparig als volgt: - er wordt akte genomen van de verklaring van de Belgische regering betreffende artikel 6.1 EVRM en van de daarin vastgestelde modaliteiten om de aangegane verbintenissen in acht te nemen; - de zaak wordt bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM doorgehaald. Op 13 april 2023 bracht het EHRM deze beslissing ter kennis van de verzoeker.
- Uit de voormelde beslissing van het EHRM blijkt dat de Belgische regering met het oog op het oplossen van de in het verzoekschrift van de verzoeker opgeworpen kwestie bij brief van 24 oktober 2022 een eenzijdige verklaring heeft afgelegd, waarin zij: - erkent dat de aan het verzoek onderliggende feiten zich vóór de zogeheten Salduz-wetten van 2011 en 2016 hebben voorgedaan en dat er in dit dossier sprake is van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM doordat de verzoeker tijdens het strafproces niet door een advocaat werd bij¬gestaan; - rekening houdend met de erkenning van die schending en de inmiddels genomen maatregelen om daaraan te verhelpen, overeenkomstig de vaste rechtspraak en de gebruikelijke praktijk van het EHRM de doorhaling van de zaak van de rol vraagt tegen betaling aan de verzoeker van een bedrag van 4.000,00 euro als vergoeding voor morele schade, kosten en uitgaven; - aangeeft dat de zogeheten Salduz-wetten van 2011 en 2016 thans, in overeenstemming met het EVRM, a priori de bijstand van een advocaat in de fase voorafgaand aan het strafproces regelen en dat de aan het verzoek onderliggende feiten daarom niet langer algemene maatregelen noodzaken om soortgelijke situaties in de toekomst te vermijden; - wat de persoonlijke maatregelen betreft, verwijst naar de artikelen 442bis en 442quinquies Wetboek van Strafvordering die de voorwaarden bepalen tot heropening van de rechtspleging. De verzoeker heeft aan het EHRM niet meegedeeld zich in de door de Belgische regering voorgestelde voorwaarden te kunnen vinden.
- De eenzijdige verklaring door de Belgische regering en de ter zake gevoerde betwistingen worden door het EHRM als volgt beoordeeld: - krachtens artikel 37.1.c EVRM kan het EHRM een verzoekschrift van de rol schrappen wanneer het om een door het EHRM vastgestelde reden niet meer gerechtvaardigd is de behandeling van het verzoekschrift verder te zetten; die schrapping kan gebeuren op grond van een eenzijdige verklaring door de verwerende regering, zelfs indien de verzoeker zelf wenst dat de behandeling van zijn zaak wordt verdergezet (zie in het bijzonder het arrest van 8 april 2004 (Tahsin Acar t/ Turkije, nr. 26307/95)); - inzake de bijstand van een advocaat in de fase voorafgaand aan het strafproces is de rechtspraak van het EHRM helder en overvloedig (zie bijvoorbeeld het arrest van 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10)); - gezien de aard van de toegevingen die besloten zijn in de eenzijdige verklaring door de Belgische regering en het bedrag van de voorgestelde schadevergoeding dat overeenkomt met wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend, is verdere behandeling van het verzoek niet gerechtvaardigd; - er wordt bovendien herinnerd aan de mogelijkheid in het Belgisch recht om de rechtspleging te heropenen, waarbij het in voorkomend geval aan het Hof van Cassatie staat om de aanvraag daartoe te onderzoeken met inachtneming van het nationaal recht en de specifieke omstandigheden van de zaak (zie in het bijzonder het arrest van 21 september 2021 (Willems en Gorjon t/ België, nr. 74209/16)); - de eerbiediging van de in het EVRM en de Protocollen gewaarborgde rechten van de mens vereist in deze zaak niet dat de behandeling van het verzoekschrift wordt verdergezet; - indien de regering de bepalingen van de eenzijdige verklaring niet naleeft, kan de zaak overeenkomstig artikel 37.2 EVRM opnieuw op de rol worden ingeschreven (zie het arrest van 4 maart 2008 (Josipovic t/ Servië, nr. 183697/07)). III. BESLISSING VAN HET HOF A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging
- Artikel 442bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wat betreft de strafvordering de heropening van de rechtspleging kan worden gevraagd in geval van een beslissing van het EHRM waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending overeenkomstig artikel 37.1 EVRM en het dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen.
- Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde.
- Het verzoekschrift dat getekend is door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven, voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden.
- Uit de hierboven vermelde unilaterale verklaring van de Belgische regering en de beoordeling ervan door het EHRM met de voormelde beslissing van 23 maart 2023, zoals die werd medegedeeld op 13 april 2023, volgt dat het Hof van Cassatie met het oordeel dat artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de verhoren van de verzoeker die zijn afgenomen vóór de inwerkingtreding van die bepaling, aan een verdachte slechts de bijstand van een advocaat moet worden verleend indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt en de rechter ook bij afwezigheid van een dwingende reden voor het beperken van de bijstand van een advocaat kan oordelen dat een zonder die bijstand afgelegde verklaring als bewijs kan worden gebruikt mits het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is geëerbiedigd, het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een advocaat in alle fasen tot aan het strafproces heeft miskend. De niet door de appelrechters geweerde verklaringen werden afgelegd zonder dat de verzoeker op enig ogenblik van zijn vrijheid was beroofd of zich om andere redenen in een bijzonder kwetsbare positie bevond. Bij geen enkele afgelegde verklaring werd hem meegedeeld dat hij de keuze had te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen, noch dat hij niet verplicht kon worden zichzelf te beschuldigen. De appelrechters hebben zich voor hun beslissing over de schuldvraag bovendien ook op de bedoelde verklaringen van de verzoeker gesteund en evenmin is uit te sluiten dat die hebben gediend om de overtuiging van de appelrechters die verkregen werd op grond van andere bewijselementen, te bevestigen.
- De aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM als gevolg van een procedurefout of -tekortkoming is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Het Hof van Cassatie had immers anders kunnen oordelen dan het met het arrest van 13 maart 2018 heeft gedaan.
- Met staving door meerdere stukken verwijst de verzoeker naar zijn veroordeling tot een gedeeltelijk effectieve gevangenisstraf en naar de bijkomende vermogensstraffen die zijn financiële toestand ernstig hebben aangetast. Daarenboven heeft zijn veroordeling geleid tot die vermeldingen op zijn strafregister, wat zijn reclassering en de toegang tot de uitoefening van het beroep als boekhouder-fiscalist nog steeds onmogelijk maakt. Als gevolg van zijn veroordeling werd zijn erkenning als boekhouder-fiscalist ook geschrapt, wat hem heeft verhinderd om ondanks zijn kwalificaties zijn professionele activiteiten te hervatten. Bijgevolg blijft de verzoeker zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
- De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is grond tot heropening van de rechtspleging en intrekking van het arrest P.17.0083.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 van 13 maart 2018 in de hierna bepaalde mate. B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 december 2016 Tweede middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepassing: het arrest sluit eisers verklaringen vanaf het derde verhoor niet uit als bewijs, hoewel het geen dwingende redenen vaststelt die in casu verantwoorden dat het recht op cautie en de bijstand van een advocaat bij die verhoren dienden te worden beperkt.
- Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde verklaring van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en onder meer uitgelegd door het EHRM in de arresten van 14 oktober 2010 (Brusco t/ Frankrijk, nr. 14066/07), 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10) en 28 april 2022 (Wang t/ Frankrijk, nr. 83700/17), dat aan die verdachte, ook wanneer hij zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, voorafgaand aan zijn verhoor door de politie: - het recht op bijstand van een advocaat wordt verleend; - voldoende uitdrukkelijk mededeling wordt gedaan dat hij het recht heeft om te zwijgen en dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen. Die vereisten, waaraan enkel afbreuk kan worden gedaan indien uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen worden aangetoond die een beperking daarvan kunnen rechtvaardigen, gelden eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering.
- Tegen een beklaagde kan geen veroordeling worden uitgesproken die geheel of gedeeltelijk is gegrond op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de voormelde vereisten.
- Het arrest dat anders oordeelt en dat de schuldigverklaring van de eiser verder ook steunt op verklaringen die hij heeft afgelegd zonder de bijstand van een advocaat en zonder dat hem daarbij werd gewezen op het recht om te zwijgen of zichzelf niet te beschuldigen, verantwoordt die beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of tot een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Beveelt de heropening van de rechtspleging. Trekt het arrest in dat het Hof op 13 maart 2018 met nummer P.17.0083.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 heeft gewezen in zoverre dit arrest het tweede onderdeel van het tweede middel van het cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 december 2016 heeft verworpen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk ingetrokken arrest. Vernietigt het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 december 2016 in zoverre het uitspraak doet over de tegen de eiser ingestelde strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van de rechtspleging tot heropening ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Bepaalt de kosten van de rechtspleging tot heropening op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Sidney Berneman, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Frédéric Lugentz, Eric Van Dooren, Ignacio de la Serna en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 12 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Sidney Berneman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div