id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.4 Rolnummer: P.23.1513.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2023-12-15 Raadplegingen: 745 - laatst gezien 2026-06-15 06:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en een partij er pas later kennis heeft kunnen van nemen, in welk geval de wraking onverwijld na die kennisname dient te worden voorgedragen; het niet tijdig voordragen van een grond tot wraking zoals vereist door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek heeft tot gevolg dat de betrokkene niet meer op ontvankelijke wijze een wraking kan voordragen op dezelfde grond zodat indien een partij tijdens een procedure die heeft geleid tot een verstekbeslissing kennis kreeg van een reden tot wraking en heeft nagelaten op die grond de wraking voor te dragen, zij op diezelfde grond niet alsnog de wraking kan vorderen van de rechters die moeten oordelen over het tegen de verstekbeslissing ingestelde verzet; noch artikel 831 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat iedere rechter die weet dat er tegen hem een reden van wraking bestaat, zich van de zaak moet onthouden, noch artikel 841 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat indien de feiten bewezen zijn de rechter het bevel wordt gegeven zich van de zaak te onthouden, laten toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 831 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 841 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 831 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 841 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 6 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter en de daaruit afgeleide vereiste van het voorhanden zijn van objectieve en transparante criteria voor de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer van een rechtscollege en voor de zetelsamenstelling van die kamer, houdt niet in dat die toewijzing en die zetelsamenstelling steeds vooraf, schriftelijk en onveranderlijk moeten zijn vastgelegd en een behoorlijke rechtsbedeling vereist dat een korpschef van een rechtscollege binnen het bestaande wettelijke en reglementaire kader de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer en de zetelsamenstelling vastlegt of wijzigt rekening houdend met onder meer de beschikbaarheid van de rechters, hun deskundigheid in een bepaalde materie, hun werklast of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen waarbij onvoorzienbare omstandigheden de korpschef kunnen verplichten onverwijld op te treden zonder dat dergelijke beslissingen noodzakelijk een schriftelijke neerslag vereisen; er zal slechts gewettigde twijfel zijn over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechters die zijn aangewezen om van een bepaalde zaak kennis te nemen en dus grond tot gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, indien blijkt dat de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die toewijzing en zetelsamenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling en de rechter aan wie dit ter beoordeling wordt voorgelegd, oordeelt onaantastbaar of de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die toewijzing of de zetelsamenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 8 Uit de artikelen 88, § 1, tweede lid, 90 en 316 Gerechtelijk Wetboek alsmede uit het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg volgt dat een aanpassing van de dienstregeling steeds mogelijk is indien de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen, dat die aanpassing betrekking kan hebben op alle zaken die zijn toegewezen aan een bepaalde kamer of slechts op een of meerdere zaken, dat die aanpassing betrekking kan hebben op een of meerdere rechters en dat een dergelijke aanpassing niet noodzakelijk bijzondere formaliteiten vereist en dus ook mondeling kan gebeuren; een rechter wordt vermoed onafhankelijk en onpartijdig te oordelen zodat indien een rechter zetelt in een bepaalde kamer of in een bepaalde zaak, hij behoudens tegenbewijs wordt vermoed daartoe regelmatig te zijn aangewezen overeenkomstig artikel 316 Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 1, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 90 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 316 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 1, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 90 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 316 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Tekst van de beslissing Nr. P.23.1513.N D. B., beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 23 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
- Bij beschikking van 11 februari 2022 van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (hierna de rechtbank) werd de eiser verwezen naar de correctionele rechtbank wegens feiten van criminele organisatie als leidend persoon (telastlegging A1), druginbreuken in vereniging als leidend persoon (telastleggingen B1 tot en met B8) en witwassen (telastleggingen E1 tot en met E11). De eiser tekende tegen deze beschikking op 5 september 2022 hoger beroep aan. Bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 1 december 2022 werd dit hoger beroep ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond afgewezen. Tegen dit arrest tekende de eiser cassatieberoep aan, waarvan hij vervolgens afstand deed wegens voorbarigheid. Die afstand werd verleend bij arrest P.23.0021.N van het Hof van 14 maart
- Het dossier is gekend onder het nummer 45.F1.504908-
- De eiser werd, samen met anderen, gedagvaard voor de rechtszitting van 1 maart 2022 van de AC5-kamer.
- Bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van 9 maart 2022 werd in het belang van een goede rechtsbedeling de zaak onttrokken aan de AC5-kamer en toebedeeld aan de AC4-kamer. De zaak werd na die beslissing gedagvaard voor de rechtszitting van 22 maart 2022 van de AC4-kamer en op verschillende navolgende rechtszittingen behandeld, bij verstek voor wat betreft de eiser.
- Op de rechtszitting van 6 september 2022, waar de eiser werd vertegenwoordigd door zijn raadsman, werd de zaak voor wat betreft de eiser afgesplitst.
- Bij vonnis van 23 december 2022 van de AC4-kamer werd de beslissing tot afsplitsing voor wat betreft de eiser bevestigd en werd de zaak wat hem betreft uitgesteld voor verdere behandeling. Na diverse uitstellen werd de eiser met een bij verstek gewezen vonnis van 14 juni 2023 van de AC4-kamer schuldig bevonden en veroordeeld tot straf.
- Tegen dit verstekvonnis tekende de eiser verzet aan en dit verzet werd ingeleid op de rechtszitting van 5 september 2023 van de AC5-kamer van de rechtbank.
- Bij beschikking van 5 september 2023 heeft de dienstdoende voorzitter van de rechtbank als volgt beslist: “Gelet op het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen. Gelet op het vonnis dat op 14 juni 2023 werd geveld lastens [de eiser] in het strafdossier 45.F1.504908-21 door de AC4-kamer. Gelet op het verzet tegen dit vonnis dat werd aangetekend door [de eiser], dat ingeleid wordt op de inleidende zitting van 5 september 2023 van de AC
- Wijst de behandeling van het verzet van [de eiser] tegen het verstekvonnis van AC4 van 14 juni 2023 toe aan AC4 om te behandelen op de zitting van 5 september 2023 om 12 u (zittingszaal AC5-vleugel D) en duidt de rechters, die zetelen op 5 september 2023, van AC5-kamer aan om de zaak onder AC4 in te leiden.”
- Met drie afzonderlijke akten die op 5 september 2023 werden ingediend ter griffie van de rechtbank heeft de eiser de wraking gevorderd van de drie rechters die, als gevolg van de voormelde beschikking van 5 september 2023, zetelden in de AC4-kamer om kennis te nemen van eisers verzet.
- Deze drie rechters hebben verklaard zich niet te willen onthouden. Zij gaven aan dat zij bij beschikking van 5 september 2023 door de dienstdoende voorzitter van de rechtbank werden aangewezen om te zetelen in de AC4-kamer.
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 23 oktober 2023 werden de wrakingsverzoeken ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond afgewezen. Het is tegen dit arrest dat het cassatieberoep is gericht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 828, 1° en 841 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de argumenten van de eiser betreffende de samenstelling van de kamer tijdens de verstekprocedure niet relevant zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van het wrakingsverzoek; een wrakingsgrond kan niet worden geremedieerd in een latere fase van de procedure; een wrakingsgrond, ook al is hij ontstaan in een eerdere fase van de procedure, moet worden beoordeeld indien hij betrekking heeft op een rechter die alsnog over de zaak moet oordelen en de partij die de wraking voordraagt slechts later van die wrakingsgrond kennis heeft genomen; overeenkomstig artikel 841 Gerechtelijk Wetboek moet een rechter tegen wie het aan de wraking ten grondslag liggende feit bewezen wordt verklaard, zich van de zaak onthouden, wat inhoudt dat hij zich niet meer over de zaak kan uitspreken en dit ongeacht de stand van de procedure; volgens de wil van de wetgever heeft een wraking tot gevolg dat de rechter zich van de zaak moet onthouden.
- Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan. Indien de redenen later zijn ontstaan en een partij er pas later kennis heeft kunnen van nemen, dient de wraking onverwijld na die kennisname te worden voorgedragen.
- Het niet tijdig voordragen van een grond tot wraking zoals vereist door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek heeft tot gevolg dat de betrokkene niet meer op ontvankelijke wijze een wraking kan voordragen op dezelfde grond.
- Indien een partij tijdens een procedure die heeft geleid tot een verstekbeslissing kennis kreeg van een reden tot wraking en heeft nagelaten op die grond de wraking voor te dragen, kan zij op diezelfde grond niet alsnog de wraking vorderen van de rechters die moeten oordelen over het tegen de verstekbeslissing ingestelde verzet.
- Noch artikel 831 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat iedere rechter die weet dat er tegen hem een reden van wraking bestaat, zich van de zaak moet onthouden, noch artikel 841 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat indien de feiten bewezen zijn de rechter het bevel wordt gegeven zich van de zaak te onthouden, laten toe anders te oordelen.
- Uit de door de eiser ingediende wrakingsakten en zijn voor het hof van beroep ingediende conclusie blijkt dat de eiser tijdens de rechtspleging die heeft geleid tot het verstekvonnis van 14 juni 2023 kennis had van de redenen die volgens hem een wraking van de rechters bij deze rechtspleging verantwoordden. In zoverre het middel aanvoert dat hij pas later van die redenen kennis heeft genomen, mist het feitelijke grondslag.
- Het oordeel dat de argumentatie van de eiser inzake de samenstelling van de AC4-kamer tijdens de verstekprocedure en het gebrek aan beschikkingen inzake de diverse wijzigingen in de zetelsamenstelling tijdens die procedure, niet relevant is voor de beoordeling van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gewraakte rechters die werden aangeduid om de verzetsprocedure te behandelen, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest kan niet rechtsgeldig oordelen dat uit de beschikking van de voorzitter van 5 september 2023 waarbij de rechters die op 5 september 2023 in de AC5-kamer zetelen worden aangeduid om dezelfde dag in de AC4-kamer te zetelen, volgt dat de toewijzing van de zaak en de samenstelling van de zetel op een transparante en objectieve wijze zijn gebeurd; volgens de dienstregeling voor het gerechtelijk jaar 2023-2024 maakt rechter E. geen deel uit van de AC5-kamer; het arrest stelt niet vast dat de rechters voorwerp van de wrakingsverzoeken deel uitmaken van die kamer. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de toewijzing van de zaak op verzet is gebeurd op een wettelijke en transparante wijze miskent het arrest de bewijskracht van de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van 5 september 2023; in die beschikking wordt immers niet bepaald welke rechters in de AC5-kamer zetelen; rechter E. maakt geen deel uit van die kamer. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat er een beschikking voorhanden is, die overeenkomstig artikel 26, § 5, van het bijzonder reglement van de rechtbank dat is uitgevaardigd bij toepassing van artikel 88, § 1, Gerechtelijk Wetboek, de zaak heeft toegewezen aan de AC4-ad hoc-kamer die het verstekvonnis heeft gewezen en die is samengesteld uit de rechters van de AC5-kamer die zetelen op 5 september 2023, alsook dat die samenstelling het logische gevolg was van het feit dat het verzet werd ingeleid voor de AC5-kamer, samengesteld uit dezelfde rechters, maar daar wegviel ingevolge de beschikking van 5 september 2023 waardoor die rechters vrij waren om te zetelen in de AC4-ad hoc-kamer; het laat evenwel na, hoewel dit in het licht van de aangevoerde schijn van afhankelijkheid en partijdigheid wegens het gebrek aan transparantie en objectiviteit over de samenstelling van de zetel noodzakelijk is, vast te stellen of de rechters van wie de wraking wordt gevraagd deel uitmaken of mogen uitmaken van de AC5-kamer, waarvan de rechters werden toegewezen aan de AC4-kamer bij beschikking van 5 september 2023; aldus is het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter en de daaruit afgeleide vereiste van het voorhanden zijn van objectieve en transparante criteria voor de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer van een rechtscollege en voor de zetelsamenstelling van die kamer, houdt niet in dat die toewijzing en die zetelsamenstelling steeds vooraf, schriftelijk en onveranderlijk moeten zijn vastgelegd.
- Een behoorlijke rechtsbedeling vereist dat een korpschef van een rechtscollege binnen het bestaande wettelijke en reglementaire kader de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer en de zetelsamenstelling vastlegt of wijzigt rekening houdend met onder meer de beschikbaarheid van de rechters, hun deskundigheid in een bepaalde materie, hun werklast of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen. Onvoorzienbare omstandigheden kunnen de korpschef verplichten onverwijld op te treden. Dergelijke beslissingen vereisen niet noodzakelijk een schriftelijke neerslag.
- Er zal slechts gewettigde twijfel zijn over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechters die zijn aangewezen om van een bepaalde zaak kennis te nemen en dus van gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, indien blijkt dat de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die toewijzing en zetelsamenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling.
- De rechter aan wie dit ter beoordeling wordt voorgelegd, oordeelt onaantastbaar of de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die toewijzing of de zetelsamenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Artikel 88, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het bijzonder reglement van de rechtbank onder meer het aantal kamers en hun bevoegdheid vastlegt. Artikel 88, § 1, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het bijzonder reglement van de rechtbank wordt aangeplakt ter griffie van de rechtbank.
- Artikel 90 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat: - de voorzitter belast is met de algemene leiding en organisatie van de rechtbank (eerste alinea); - de afdelingsvoorzitter de voorzitter bijstaat bij de leiding van de rechtbank (tweede alinea); - de voorzitter de zaken verdeelt overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank (derde alinea, eerste zin); - wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen de voorzitter een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de afdeling kan verdelen (derde alinea, tweede zin); - onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere vergelijkbare objectieve redenen (vierde alinea).
- Het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 29 augustus 2023, dat op 1 september 2023 in werking is getreden, bepaalt dat: - de verdeling van de zaken tussen de kamers van de correctionele onderafdeling door de voorzitter wordt vastgesteld (artikel 26, § 1, eerste lid); - bij de verdeling van de dossiers over de collegiale kamers in de afdeling Antwerpen rekening wordt gehouden met het gegeven dat de AC4-kamer een ad hoc-kamer is, die wordt geactiveerd ingeval van uitzonderlijke dossiers die niet op de overige collegiale kamers kunnen worden gefixeerd, dan wel ingeval van een toename van de werklast van de collegiale kamers die niet over de overige collegiale kamers kan worden verwerkt (artikel 26, § 1, tweede lid); - bij de verdeling van de dossiers over de collegiale kamers in de afdeling Antwerpen rekening wordt gehouden met het gegeven dat de AC5-kamer zaken behandelt van financieel strafrecht, milieustrafrecht, sociaal strafrecht en gemeen strafrecht (maar niet seksueel strafrecht), zoals zaken vermeld bij de AC8-kamer (drugszaken) en de AC10-kamer (misdrijven in het kader van een organisatie) ingeval er te weinig capaciteit is op die kamers (artikel 26, § 1, tweede alinea); - de voorzitter of de afdelingsvoorzitter kan beslissen om gelet op de noodwendigheden van de dienst, zoals de urgentie of de werklast dan wel een gebrek aan capaciteit van de betrokken kamer, een zaak die volgens de bovenvermelde indeling tot de AC5-, AC8- of AC10-kamer behoort, aan een andere kamer van deze drie of aan de AC4-kamer toe te wijzen (artikel 26, § 1, vijfde lid).
- Artikel 26, § 5, van het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 24 augustus 2022, dat op 1 september 2022 in werking is getreden, alsook artikel 26, § 5, van het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 29 augustus 2023, dat op 1 september 2023 in werking is getreden, bepalen dat de rechtspleging op verzet in principe wordt ingeleid voor de kamer die het verstek heeft uitgesproken, tenzij de voorzitter de zaak toewijst aan een andere kamer wegens dienstnoodwendigheden.
- Artikel 316 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat door de voorzitter van de rechtbank een lijst wordt opgemaakt voor de regeling van de dienst, die jaarlijks wordt hernieuwd en die kan worden aangepast als de behoeften van de dienst het rechtvaardigen. De wetgever voorziet niet in het publiek maken van deze dienstregeling of de aanpassingen ervan.
- Daaruit volgt dat een aanpassing van de dienstregeling steeds mogelijk is indien de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen, dat die aanpassing betrekking kan hebben op alle zaken die zijn toegewezen aan een bepaalde kamer of slechts op een of meerdere zaken, dat die aanpassing betrekking kan hebben op een of meerdere rechters en dat een dergelijke aanpassing niet noodzakelijk bijzondere formaliteiten vereist en dus ook mondeling kan gebeuren.
- Een rechter wordt vermoed onafhankelijk en onpartijdig te oordelen. Daaruit volgt dat indien een rechter zetelt in een bepaalde kamer of in een bepaalde zaak, hij behoudens tegenbewijs wordt vermoed daartoe regelmatig te zijn aangewezen overeenkomstig artikel 316 Gerechtelijk Wetboek.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Het arrest oordeelt met verwijzing naar artikel 88, § 1, Gerechtelijk Wetboek en artikel 26, § 5, van het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 29 augustus 2023 dat er wel degelijk een beschikking voorhanden is waarbij de zaak werd toegewezen aan de AC-4-ad hoc-kamer die het verstekvonnis heeft gewezen en die is samengesteld uit de rechters van de AC5-kamer, dat die samenstelling een logisch gevolg is van het feit dat het verzet werd ingeleid voor de AC5-kamer maar daar wegviel door de beschikking van 5 september 2023 waardoor die rechters vrij waren om te zetelen in AC4-ad hoc-kamer. Op grond van die redenen, die het Hof in staat stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de toewijzing van de zaak op verzet is gebeurd op wettelijke en transparante wijze. Het is daarvoor niet vereist dat de appelrechters uitdrukkelijk vaststellen dat deze drie rechters volgens de dienstregeling aangewezen waren voor de AC5-kamer. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
- De met het tweede onderdeel aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het tweede onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div