← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 8

.17 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8:

Art. 8

.18 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8:

Art. 8

.17 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8:

Art. 8

.18 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiches 3 - 4 In strafzaken kan dwaling een schulduitsluitingsgrond vormen indien die dwaling onoverwinnelijk is, dit is wanneer de beklaagde heeft gehandeld zoals elk redelijk en voorzichtig persoon in een identieke situatie zou hebben gehandeld; de rechter oordeelt onaantastbaar of de dwaling onoverwinnelijk is en of een beklaagde slaagt in de op hem rustende verplichting om de door hem ingeroepen schulduitsluitingsgrond enigszins aannemelijk te maken

(1).
(1)Cass. 28 maart 2012, AR P.11.2083.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3, AC 2012, nr. 202, JT 2012/21, p. 461 met noot F. KONING, "Nul n'est censé ignorer la loi, mais peut valablement se fier à l'acte de l'autorité publique compétente". Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiche 5 Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een mogelijk nadeel kan ontstaan; een daadwerkelijk nadeel voor een welbepaalde persoon of groep van personen is niet vereist
(1).
(1)A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Wolters Kluwer, Mechelen, 2020, pp. 60 –
  1. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 193 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 196 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 213 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0813.N E. R. V. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Yvan Verfaillie, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. In zoverre gericht tegen zijn vrijspraak voor de telastlegging A.3, is het cassatieberoep van de eiser bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek en de artikelen 5.31 en 5.34 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van de documenten en processen-verbaal in het strafdossier en de door de eiser voorgebrachte bewijsstukken, inzonderheid alle oprichtingsdocumenten van B.V. Ltd., en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en inzonderheid van de bewijskracht van eisers appelconclusie: het arrest verklaart de eiser schuldig aan valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken (telastlegging A.1) door het opstellen van een akte, neergelegd ter griffie op 8 juli 2015, waarin wordt verklaard dat op 28 april 2015 B.V. Ltd. met zogenaamde zetel in Engeland is opgericht, waarvan een Belgisch bijhuis wordt geopend te Gent met de eiser als wettelijk vertegenwoordiger, terwijl de eiser in werkelijkheid B.V. Ltd. heeft opgericht zonder enig maatschappelijk belang in Engeland met het opzet om het hem opgelegde bestuursverbod te omzeilen; in zijn appelconclusie heeft de eiser evenwel aangevoerd dat hij op voorstel van de curator van CVS B.U. Ltd. diens cliënteel heeft overgenomen via een nieuw opgerichte Ltd., terwijl de curator evenals de rechter-commissaris op de hoogte waren van het bestuursverbod; de eiser heeft eveneens aangevoerd dat hij heeft gehandeld op advies van zijn advocaat en zijn boekhouder, die de formaliteiten hebben geregeld; alle documenten met betrekking tot de oprichting van B.V. Ltd. bevinden zich in het strafdossier; de eiser is in dwaling gebracht door de vermelde personen, die hem formeel hebben voorgehouden dat zijn aanstelling als “wettelijk vertegenwoordiger” van een Belgisch bijhuis van die Ltd. geen inbreuk uitmaakte op het bestuursverbod; de eiser heeft nooit het opzet gehad om valsheid te plegen.
  5. Het onderdeel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt of het recht van verdediging van de eiser miskent. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  6. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter miskent de bewijskracht van een akte niet indien hij enkel de bewijswaarde ervan beoordeelt of een feitelijk of juridisch gevolg eruit afleidt.
  7. De omstandigheid dat de rechter een bij conclusie aangevoerd verweer verwerpt omdat hij de hem voorgelegde of voorgehouden gegevens feitelijk of juridisch anders beoordeelt dan in dat verweer aangevoerd, levert geen miskenning van de bewijskracht van die conclusie op.
  8. De artikelen 5.31 en 5.34 Burgerlijk Wetboek, die betrekking hebben op dwaling inzake burgerrechtelijke verbintenissen, zijn niet van toepassing op het bewijs in strafzaken.
  9. In strafzaken kan dwaling een schulduitsluitingsgrond vormen indien die dwaling onoverwinnelijk is, dit is wanneer de beklaagde heeft gehandeld zoals elk redelijk en voorzichtig persoon in een identieke situatie zou hebben gehandeld.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar of de dwaling onoverwinnelijk is en of een beklaagde slaagt in de op hem rustende verplichting om de door hem ingeroepen schulduitsluitingsgrond enigszins aannemelijk te maken. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
  11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest (p. 18) oordeelt onder meer: “Indien [de eiser] [B.V. Ltd.] heeft opgericht op advies van zijn toenmalige advocaat en/of boekhouder, was dit louter omdat hij zelf goed wist dat hij in België door het beroepsverbod geen bestuurder kon zijn in de vervolgde periode, zodat hij er zich niet kan achter verschuilen dat hij dit na advies deed. Het is ook van geen belang dat de curator en rechter­commissaris van CVS [B.U.] Ltd. akkoord gingen met de overname van het handelsfonds door B.V. Ltd.: zij hadden geen uitstaans met het bestuur van deze vennootschap. [De eiser] richtte B.V. Ltd. duidelijk louter op met de bedoeling om het bestuurdersverbod dat hem werd opgelegd voor een termijn van tien jaar bij arrest van 18 december 2013 te omzeilen. Hij trachtte dus om een onrechtmatig voordeel te bekomen, aangezien hij zonder deze buitenlandse vennootschap in een periode van tien jaar niet als bestuurder van een vennootschap kon handelen en inkomsten verwerven.”
  13. Op grond van die redenen, die niet verwijzen naar de in het onderdeel vermelde dossier- en bewijsstukken en waarmee de appelrechters de bewijskracht van die stukken bijgevolg niet kunnen miskennen, kan het arrest wettig oordelen dat de eiser zich voor wat betreft de telastlegging A.1 niet kan beroepen op de schulduitsluitingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  14. De aangevoerde schending van de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van de documenten en de processen-verbaal in het strafdossier, het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en inzonderheid de bewijskracht van eisers appelconclusie: het arrest oordeelt dat de eiser met het bestuursverbod een straf heeft trachten te omzeilen die onder meer de bedoeling heeft om het vertrouwen in het economisch verkeer te beschermen en dat hij aldus ook een mogelijk nadeel heeft gecreëerd voor klanten en leveranciers; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat hij bij de oprichting van B.V. Ltd. nooit het opzet heeft gehad om valsheid te plegen of het bestuursverbod te omzeilen, maar altijd te goeder trouw en op advies van de curator, zijn advocaat en zijn boekhouder heeft gehandeld in de overtuiging dat alles op wettelijke basis was geregeld; uit het strafdossier blijkt dat er geen enkele instantie of persoon ooit op enigerlei wijze benadeeld is geworden door B.V. Ltd.
  16. Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een mogelijk nadeel kan ontstaan. Een daadwerkelijk nadeel voor een welbepaalde persoon of groep van personen is niet vereist. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Het arrest (p. 16) oordeelt dat valsheid in geschriften als constitutief bestanddeel een mogelijk of eventueel nadeel vereist en verder (p. 18) zoals in het middel is aangegeven. Aldus verantwoordt het naar recht de beslissing dat het vereiste constitutieve bestanddeel van het mogelijke nadeel aanwezig was. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  18. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van de documenten en de processen-verbaal in het strafdossier en de door de eiser voorgebrachte bewijsstukken, inzonderheid de akten die in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd met betrekking tot de oprichting en de wijzigingen van B.V. bv, en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en inzonderheid de bewijskracht van eisers appelconclusie: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging A.2 omdat uit niets blijkt dat R.B. daadwerkelijk het beheer van B.V. bv waarnam, zodat de akte tot aanstelling van R.B. als zaakvoerder van B.V. bv niet overeenstemt met de werkelijkheid en dus intellectueel vals is; het verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging A.4 omdat ook het ontslag van de eiser als zaakvoerder van B.V. bv en zijn kwijting op 31 januari 2020, vermeld in de akte neergelegd op 28 februari 2020, niet overeenstemmen met de werkelijkheid en R.B. klaarblijkelijk niet op de hoogte was van het feit dat hij vanaf 31 januari 2020 de enige zaakvoerder van B.V. bv was; door dit af te leiden uit het proces-verbaal dat vermeldt dat de politie telefonisch contact had opgenomen met R.B. om een afspraak te maken voor een verhoor in verband met zijn zaakvoerderschap in B.V. bv en dat R.B. had gezegd dat hij de eiser ging moeten contacteren, geven de appelrechters van die verklaring een uitlegging die niet overeenstemt met hetgeen R.B. had verklaard of had bedoeld; immers had R.B. verklaard dat hij de eiser zou contacteren omdat hijzelf niet op de hoogte was van enig probleem over het beëindigde zaakvoerderschap van de eiser; de verbalisanten hebben R.B. echter nooit effectief verhoord.
  20. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt of het recht van verdediging van de eiser miskent. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  21. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  22. Het feit dat de rechter het door een partij bij conclusie aangevoerde verweer verwerpt, levert geen miskenning van de bewijskracht van die conclusie op.
  23. De rechter miskent de bewijskracht van een akte niet indien de uitlegging die hij van de akte geeft een mogelijke uitlegging is, desgevallend naast andere, die niet onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud van de akte.
  24. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  25. Het arrest verwijst, behoudens voor wat betreft de verklaring van R.B., niet naar de in het onderdeel vermelde dossier- en bewijsstukken en kan dan ook de bewijskracht van die stukken niet miskennen.
  26. Met de redenen waarmee het arrest (p. 19-20) het verweer van de eiser verwerpt en hem schuldig verklaart aan de telastleggingen A.2 en A.4, in het bijzonder met de redenen dat R.B. duidelijk niet op de hoogte was van het beheer en de werking van B.V. bv en hij nog ervan uitging dat de eiser ook na diens ontslag nog steeds zaakvoerder van die vennootschap was, geeft het van de verklaring van R.B., zoals weergegeven in de door de verbalisanten verstrekte inlichting in het proces-verbaal nr. GE.LA.018596/2020 van 13 maart 2020, een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
  27. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  28. De aangevoerde schending van de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Derde middel
  29. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek, de artikelen 5.31 en 5.34 Burgerlijk Wetboek en de Wet Beroepsuitoefeningsverbod, alsook miskenning van de bewijskracht van de documenten en de processen-verbaal in het strafdossier en de door de eiser voorgebrachte bewijsstukken en van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en inzonderheid van de bewijskracht van eisers appelconclusie. Eerste onderdeel
  30. Het onderdeel voert aan dat het arrest de eiser ten onrechte schuldig verklaart aan de telastlegging B.1 (overtreding bestuursverbod inzake B.V. Ltd.) en het verwijst daarvoor naar hetgeen is aangevoerd onder het eerste middel.
  31. Het onderdeel dat geen kritiek bevat op de bestreden beslissing, maar enkel verwijst naar de kritiek die in een ander middel is aangevoerd tegen een andere beslissing met een andere telastlegging tot voorwerp, is onvoldoende precies om het Hof in staat te stellen zonder een risico op vergissing de onwettigheden te ontdekken die de eiser wil aanvoeren. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  32. Het onderdeel voert aan dat het arrest de eiser ten onrechte schuldig verklaart aan de telastlegging B.2 (overtreding bestuursverbod inzake B.V. bv) en ten onrechte oordeelt dat de eiser na zijn ontslag als mede-zaakvoerder op 31 januari 2020 duidelijk actief zou zijn gebleven als feitelijk zaakvoerder van B.V. bv, hetgeen zou blijken uit het contact van de politie met R.B.; de eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat hij in de overtuiging verkeerde dat zijn benoeming als medezaakvoerder geen inbreuk op het bestuursverbod vormde aangezien ook R.B. als zaakvoerder was benoemd, dat de eiser enkel korte tijd als medezaakvoerder zou fungeren louter ter ondersteuning van R.B. die de enige effectieve zaakvoerder was, dat de eiser onmiddellijk zijn ontslag als medezaakvoerder heeft gegeven van zodra hem duidelijk was gemaakt dat hij zelfs ook geen medezaakvoerder mocht zijn en dat de eiser ook hier te goeder trouw heeft gehandeld en nooit de bedoeling heeft gehad om inbreuk te plegen op het bestuursverbod.
  33. Het onderdeel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt of het recht van verdediging van de eiser miskent. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  34. Het feit dat de rechter het door een partij bij conclusie aangevoerde verweer verwerpt, levert geen miskenning van de bewijskracht van die conclusie op.
  35. De artikelen 5.31 en 5.34 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het bewijs in strafzaken.
  36. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  37. Het arrest (p. 23) oordeelt met redenen die de eiser als dusdanig niet betwist dat het bestuursverbod bekend was aan de eiser en hij dat verbod dus met opzet duidelijk miskende door opnieuw als bestuurder te handelen, dat het ongeloofwaardig is dat bij de eiser verwarring erover bestond dat hij ook niet mocht optreden als medezaakvoerder en dat de eiser na zijn ontslag op 31 januari 2020 bovendien duidelijk actief bleef als feitelijk zaakvoerder van de vennootschap. Met die redenen, die niet verwijzen naar de in het onderdeel vermelde dossier- en bewijsstukken en waarmee de appelrechters de bewijskracht van die stukken bijgevolg niet kunnen miskennen, verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  38. De aangevoerde schending van de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek en de Wet Beroepsuitoefeningsverbod is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Vierde middel
  39. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek, de artikelen 5.31 en 5.34 Burgerlijk Wetboek en de wet Beroepsuitoefeningsverbod, alsook miskenning van de bewijskracht van de documenten en de processen-verbaal in het strafdossier en de door de eiser voorgebrachte bewijsstukken, van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en inzonderheid van de bewijskracht van eisers appelconclusie: het arrest beveelt lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van een som van 42.558,31 euro als vermogensvoordeel verkregen uit de telastlegging B.1; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat hij als werknemer van B.V. Ltd. een loon van 1.000,00 euro per maand heeft ontvangen tot aan de oprichting van B.V. bv, waarvan hij nooit enige vergoeding heeft ontvangen, alsook dat hij thans is ingeschreven als deeltijds bediende van B.V. bv; hij heeft de appelrechters verzocht geen verbeurdverklaring uit te spreken.
  40. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt of het recht van verdediging van de eiser miskent. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  41. Het feit dat de rechter een bij conclusie aangevoerde verweer verwerpt, levert geen miskenning van de bewijskracht van die conclusie op.
  42. De artikelen 5.31 en 5.34 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het bewijs in strafzaken.
  43. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  44. Het arrest (p. 18 en 25-27) oordeelt in essentie dat de eiser geen werknemer maar wel de enige belanghebbende van B.V. Ltd. was en dat de eiser niet maandelijks 1.000,00 euro van B.V. Ltd. ontving, maar wel persoonlijk of op rekeningen waarvan hijzelf titularis was een samengeteld bedrag van 42.558,31 euro ontving dat verband hield met de exploitatie van B.V. Ltd. Het beveelt lastens de eiser de verbeurdverklaring van dat bedrag. Aldus verantwoordt het arrest zonder verwijzing naar de in het middel vermelde dossier- en bewijsstukken en bijgevolg zonder de bewijskracht daarvan te kunnen miskennen, de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  45. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250305.2F.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.