← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 Rolnummer: P.23.1556.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-12-15 Raadplegingen: 1281 - laatst gezien 2026-06-18 22:24 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen voor de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept; een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen en de rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan zodra die grond haar was gekend; en hij kan bij die beoordeling rekening houden met vermoedens

(1).
(1)Cass. 18 april 2023, AR P.23.0427.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12, AC 2023, nr. 289; Cass. 26 april 2022, AR P.22.0315.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3, AC 2022, nr. 292; Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0565.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13, AC 2021, nr. 398; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1556.N I, II en III D. V. L. beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  2. J. V. P, burgerlijke partij,
  3. H. H., burgerlijke partij,
  4. INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), burgerlijke partij,
  5. UNIVERSITEIT GENT, burgerlijke partij,
  6. LIGA VOOR MENSENRECHTEN vzw, burgerlijke partij, verweerders, TEVENS INZAKE
  7. B. S., beklaagde,
  8. J. V. O., beklaagde,
  9. Y. D. S., beklaagde,
  10. A. D., beklaagde,
  11. J. G., beklaagde,
  12. W. D., beklaagde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen drie arresten van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 26 oktober 2023 (nrs. 2023/7204, 2023/7205 en 2023/7206). De eiser voert in drie memories die aan dit arrest zijn gehecht, een gelijkluidend middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  13. De eiser werd bij beslissing van het onderzoeksgerecht verwezen naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (hierna de rechtbank), wegens inbreuken op de regelgeving inzake racisme, negationisme en discriminatie. De zaak is gekend onder notitienummer GE.10.F1.13810/
  14. De zaak werd gedagvaard voor de rechtszitting van 2 mei 2023 van de G30DI-kamer van de rechtbank. Die kamer was samengesteld uit ondervoorzitter J., rechter C. en rechter A.
  15. Op de rechtszitting van 12 september 2023 heeft de eiser door middel van een conclusie een verdelingsincident opgeworpen in de zin van artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek. Daarop werd de behandeling van de zaak onbepaald uitgesteld en het dossier voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank. Op 20 september 2023 heeft de voorzitter een beschikking gewezen waarbij het verzoek werd afgewezen en werd beslist dat het dossier bleef toegekend aan de G30DI-kamer. Tegen deze beschikking blijkt geen rechtsmiddel te zijn aangewend.
  16. Een tweede dagvaarding werd op 26 september 2023 betekend aan de eiser en dit voor behandeling op de rechtszitting van de G30DI-kamer van 10 oktober
  17. Op 10 oktober 2023 werden namens de eiser akten ingediend strekkende tot de wraking op grond van de artikelen 828, 1° en 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek van ondervoorzitter J., rechter C. en rechter A. In de wrakingsverzoeken wordt samengevat aangevoerd dat de zaak niet werd toebedeeld op grond van vooraf bepaalde, wettelijke, transparante en objectieve criteria omdat een door artikel 90, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde beschikking niet voorhanden is, de G30DI-kamer volgens het bijzonder reglement van de rechtbank van 16 juni 2022 niet kon zetelen op 2 mei 2023 en dus door de drie rechters van wie de wraking wordt gevraagd werd gezeteld in strijd met de wet, en ten slotte dat een door artikel 92, § 1/1, Gerechtelijk Wetboek bedoelde beschikking ontbreekt. Daaruit volgt volgens de eiser dat er objectief gezien redelijke twijfel bestaat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de drie magistraten.
  18. De drie magistraten van wie de wraking is gevraagd, hebben verklaard zich niet te willen onthouden van de zaak.
  19. Bij arresten van 26 oktober 2023 werden de wrakingsverzoeken onontvankelijk verklaard en werden de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende de toepassing van artikel 838, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek ongegrond verklaard. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  20. De arresten verklaren de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende de toepassing van artikel 838, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek ongegrond. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de arresten oordelen, eensdeels, dat het feit waarop de wraking is gesteund dateert van 2 mei 2023, met name de inleiding van de zaak voor een collegiale kamer zonder dat daartoe een beschikking werd opgesteld om de zaak op de eerste rechtszitting van de maand door een kamer met drie rechters te laten behandelen, en, anderdeels, dat vanaf het ogenblik van de tweede dagvaarding, die de eiser op 26 september 2023 werd betekend, hij met zekerheid wist dat zijn zaak zou worden behandeld door de door hem gewraakte rechters; daardoor is niet duidelijk welk van deze twee feiten door het appelgerecht in aanmerking is genomen als ogenblik van kennis bij de eiser, zodat die motivering het Hof niet toelaat zijn wettelijke controletaak uit te oefenen.
  22. Uit de arresten blijkt onmiskenbaar dat de appelrechters oordelen dat de eiser door de betekening van de tweede dagvaarding voor de rechtszitting van 10 oktober 2023 op 26 september 2023 op dat ogenblik zekerheid had over de reden voor de wraking en dit onverminderd de vaststelling dat het feit waarop de wraking is gesteund dateert van 2 mei
  23. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van de arresten, mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.64 en 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de miskenning van de bewijskracht van een akte verbiedt: met het oordeel dat de eiser vanaf het ogenblik van de betekening op 26 september 2023 van de tweede dagvaarding voor de rechtszitting van 10 oktober 2023 met zekerheid wist dat zijn zaak zou worden behandeld door de gewraakte rechters, lezen de appelrechters in die dagvaarding iets wat niet erin voorkomt, namelijk de identiteit van de gewraakte rechters; aldus miskennen zij de bewijskracht van deze dagvaarding.
  25. Een rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van die akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere wanneer hij die akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een akte indien de rechter uit de akte louter een gevolg afleidt.
  26. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geven de arresten van de dagvaarding geen uitlegging, maar leiden ze er louter een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Eerste en derde onderdeel
  27. Het eerste subonderdeel van het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 17, 18, 828, 1° en 833 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept, geven de arresten een verkeerde lezing aan het wettelijk begrip belang en de artikelen 828 en 833 Gerechtelijk Wetboek; er bestaat slechts een procesrechtelijk belang indien de partij die wil wraken wegens gewettigde verdenking zekerheid heeft dat de rechter effectief zal zetelen; de eiser had die zekerheid maar bij de aanvang van de rechtszitting van 10 oktober
  28. Het tweede subonderdeel voert schending aan van de artikelen 17, 18, 828, 1° en 833 Gerechtelijk Wetboek: de arresten oordelen ten onrechte dat de eiser na de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van 20 september 2023 over het door hem uitgelokte verdelingsincident en nadat aan de eiser op 26 september 2023 een tweede dagvaarding werd betekend voor de rechtszitting van 10 oktober 2023, met zekerheid wist dat de zaak zou worden behandeld door de drie rechters van wie hij de wraking wenst; op dat ogenblik was er nog geen zekerheid of de rechters effectief zouden zetelen; bovendien kreeg de beslissing van 20 september 2023 slechts een definitief karakter op 6 oktober 2023 bij het verstrijken van de termijn voor de procureur-generaal om cassatieberoep in te stellen. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 8.29 Burgerlijk Wetboek: de arresten kunnen uit het gegeven dat door het parket een tweede dagvaarding werd uitgebracht niet afleiden dat de procureur-generaal geen cassatieberoep zou instellen tegen de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van 20 september 2023; het betreft immers twee van elkaar onafhankelijke entiteiten die bij het nemen van hun beslissingen andere belangen in aanmerking nemen.
  29. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen voor de aanvang van de pleidooien, tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan.
  30. Hoewel artikel 833 Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke termijn oplegt waarbinnen de wraking moet worden voorgedragen, blijkt uit zowel de letter als de geest van deze bepaling, de welomschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, dat een wraking moet worden voorgedragen van zodra de grond van wraking is gekend door de partij die zich erop beroept.
  31. Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen.
  32. De rechter die uitspraak doet over een wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan zodra die grond haar was gekend. Hij kan bij die beoordeling rekening houden met vermoedens.
  33. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  34. De arresten oordelen als volgt: - het feit waarop de wraking is gesteund dateert van 2 mei 2023, met name de inleiding van de zaak voor de collegiale kamer zonder dat daartoe een beschikking werd opgesteld om de zaak op de eerste rechtszitting van de maand door een kamer met drie rechters te laten behandelen; - op die rechtszitting werden conclusietermijnen bepaald en werd de zaak voor behandeling uitgesteld naar 12 september 2023; - op die rechtszitting werd door de eiser in limine litis overeenkomstig artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek een verdelingsincident opgeworpen; - de zaak werd onbepaald uitgesteld en naar de voorzitter van de rechtbank verwezen om dit incident te beoordelen; - bij beschikking van 20 september 2023 heeft de voorzitter van de rechtbank daarover uitspraak gedaan en beslist dat de zaak verder zou worden behandeld door de verwijzende collegiale kamer; - de eiser wist op dat moment dat, behoudens beroep van het openbaar ministerie, zijn zaak verder zou worden behandeld door de verwijzende, collegiale kamer, bestaande uit ondervoorzitter J., rechter C. en rechter A., vermits zij, volgens de dienstregeling gebruikelijk deel uitmaken van de dertigste kamer; - er werd vervolgens en meer bepaald op 26 september 2023 op verzoek van het openbaar ministerie overgegaan tot dagvaarding tegen de rechtszitting van 10 oktober 2023; - vanaf het ogenblik van de tweede dagvaarding, die hem op 26 september 2023 werd betekend, wist de eiser met zekerheid dat zijn zaak zou worden behandeld door de door hem gewraakte rechters; - in artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek is immers bepaald dat de beslissing van de voorzitter van de rechtbank de rechter bindt naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft; - er bestond op dat ogenblik ook geen twijfel meer over de vraag of het openbaar ministerie cassatieberoep zou instellen tegen de beschikking van 20 september 2023 van de voorzitter van de rechtbank, vermits door de dagvaarding het openbaar ministerie impliciet maar zeker te kennen heeft gegeven geen cassatieberoep te zullen instellen; - niettemin heeft de eiser tot de rechtszitting van 10 oktober 2023, zijnde veertien dagen na de dagvaarding, gewacht om het verzoekschrift tot wraking neer te leggen. Op grond van die redenen kunnen de arresten zonder miskenning van het begrip wettelijk vermoeden wettig oordelen dat de eiser de wrakingsverzoeken niet heeft ingediend van zodra de grond van wraking hem was gekend, zodat bijgevolg zijn verzoeken onontvankelijk zijn. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  35. De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten van de cassatieberoepen. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.24 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.