← België

P. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Artikel 5 Strafwetboek belet niet dat een natuurlijke persoon strafrechtelijk verantwoordelijk wordt geacht en wordt veroordeeld voor een wetens en willens gepleegd misdrijf dat een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel of de waarneming van de belangen van de rechtspersoon, dan wel voor diens rekening werd gepleegd, in zoverre het misdrijf toerekenbaar is aan de natuurlijke persoon en de constitutieve bestanddelen ervan lastens hem bewezen zijn en daarvoor is het niet vereist dat de rechtspersoon mee met de natuurlijke persoon wordt vervolgd

(1).
(1)Cass. 22 juni 2011, AR P.10.1289.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.2, AC 2011, nr. 417; Cass. 12 september 2006, AR P.06.0598.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.3, AC 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0877.N P. R. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Verbelen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. R. S.,
  3. M. S., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 april
  4. De eiser voer in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 152 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: de appelrechters weigeren ten onrechte de laattijdig neergelegde conclusie van het openbaar ministerie uit het debat te weren omdat artikel 152 Wetboek van Strafvordering enkel van toepassing is op conclusietermijnen die zijn toegekend op de inleidingszitting, wat hier niet het geval is; artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering geldt ook wanneer conclusietermijnen worden bepaald op grond van artikel 152, § 2, van dat wetboek; die bepaling is van toepassing aangezien de eiser akkoord is gegaan met het verzoek van het openbaar ministerie om nieuwe conclusietermijnen toe te kennen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de voormelde reden is het arrest niet regelmatig gemotiveerd.
  6. Overeenkomstig artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering kunnen partijen op de inleidingszitting vragen om conclusietermijnen te bepalen, in welk geval de rechter, na de partijen te hebben gehoord, de conclusietermijnen vastlegt en de rechtsdag bepaalt. Het derde lid van die paragraaf bepaalt dat de rechter de conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd of meegedeeld, ambtshalve uit het debat weert. Artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen: - mits het akkoord van de betrokken partijen, of - bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.”
  7. De rechter die, na reeds op de inleidingszitting conclusietermijnen te hebben bepaald overeenkomstig artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering, op de door hem bepaalde rechtsdag of op een rechtsdag waarop hij de zaak heeft uitgesteld, zonder betwisting nog een conclusie van een van de partijen ontvangt en op verzoek van de partijen conclusietermijnen bepaalt, past artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering toe. Bijgevolg dient de rechter, zoals blijkt uit de vermelde bepalingen, eveneens in dat geval een laattijdig neergelegde of meegedeelde conclusie ambtshalve uit het debat weren.
  8. De strafrechter kan die sanctie evenwel enkel toepassen op conclusies die zijn neergelegd na het verstrijken van de door hemzelf bepaalde conclusietermijnen. Wanneer partijen in onderling overleg de door de strafrechter bepaalde conclusietermijnen inkorten, dan kan een conclusie die een partij neerlegt na de aldus ingekorte termijn, maar vóór het verstrijken van de door de rechter bepaalde termijn, niet uit het debat worden geweerd. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de appelrechters die reeds op de inleidingszitting van 2 december 2021 conclusietermijnen hadden vastgelegd en een rechtsdag hadden bepaald, op de rechtszitting van 6 oktober 2022, waarop het openbaar ministerie een conclusie heeft neergelegd, opnieuw conclusietermijnen hebben vastgelegd en daarbij onder meer hebben bepaald dat het openbaar ministerie zijn appelconclusie mocht neerleggen tot 15 december 2022; - de eiser en het openbaar ministerie zijn overeengekomen dat het openbaar ministerie zijn appelconclusie zou neerleggen uiterlijk op 5 december 2022; - het openbaar ministerie zijn conclusie heeft neergelegd op 7 december 2022, dit is na de in onderling overleg ingekorte termijn maar vóór het einde van de door de appelrechters bepaalde termijn. In die omstandigheden konden de appelrechters de appelconclusie van het openbaar ministerie, neergelegd op 7 december 2022, niet uit het debat weren op grond van artikel 152, § 1, derde lid, en § 2, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het eerste onderdeel schending van die bepalingen aanvoert, kan het niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
  10. Voor het overige heeft de omstandigheid dat het openbaar ministerie een conclusie neerlegt na het verstrijken van de met de beklaagde overeengekomen conclusietermijn, die afwijkt van de door de strafrechter op grond van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde conclusietermijn, als dusdanig geen miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op tegenspraak, en het recht van verdediging tot gevolg. In zoverre faalt het eerste onderdeel naar recht.
  11. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het tweede onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 152 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat eisers verweer veel te vaag is om concreet te worden beantwoord en dat er geen redenen aannemelijk worden gemaakt waaruit een onherstelbare miskenning van eisers recht van verdediging blijkt, laat staan dat de beginselen inzake een eerlijke procesvoering in deze zaak onmogelijk zou zijn; nochtans heeft de eiser aangetoond dat het openbaar ministerie onjuiste gegevens over procedures in Polen aanvoert en dat niet alle stukken van de RSZ bij het strafdossier zijn gevoegd.
  13. De rechter oordeelt onaantastbaar of het verweer van een beklaagde dat zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging onherroepelijk zijn miskend omdat de door het openbaar ministerie aan het strafdossier gevoegde gegevens onvolledig zijn en niet alle stukken à décharge bevatten, voldoende duidelijk en aannemelijk is.
  14. Het onderdeel dat geheel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van de appelrechters of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het verweer van de eiser veel te vaag is om concreet te kunnen worden beantwoord, terwijl de eiser bij syntheseappelconclusie aannemelijk heeft gemaakt dat de strafvordering onontvankelijk is wegens de miskenning van het recht op een eerlijk proces en hij onder andere heeft aangevoerd dat de RSZ slechts een deel van zijn informatie heeft overgemaakt aan het openbaar ministerie, dan wel het openbaar ministerie niet alle informatie in zijn bezit deelt met de eiser en de appelrechters, wat nochtans noodzakelijk is in het kader van het recht op een eerlijk proces; aldus was eisers verweer niet te vaag en miskent het arrest de bewijskracht van die conclusie door er iets niet in te lezen dat er wel in vermeld staat, namelijk door eisers vermelde argumentatie niet te lezen en te oordelen dat zijn verweer te vaag is, alsook door er iets wel in te lezen dat er niet in vermeld staat, namelijk dat eisers verweer te vaag zou zijn.
  16. Het arrest geeft geen uitlegging van de bewoordingen van eisers syntheseappelconclusie, maar beoordeelt de juridische draagwijdte ervan. Bijgevolg kan het arrest de bewijskracht van die conclusie niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de onder het tweede onderdeel vermelde reden is het arrest onregelmatig gemotiveerd en laat het aan het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  18. In zoverre het onderdeel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid is afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  19. De redenen waarmee het arrest (nr. 15, p. 38) eisers verweer verwerpt, stellen het Hof in staat zijn wettigheidscontrole op de beslissing uit te oefenen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt dat de feiten aan de eiser toerekenbaar zijn omdat hij als lasthebber de beslissingsmacht binnen de vennootschap had; aldus miskent het arrest het vermoeden van onschuld van de vennootschap, die de werkelijke werkgever van de beweerde slachtoffers was en derhalve degene was die zich sociaalrechtelijk in regel diende te stellen; de vennootschap heeft zich strafrechtelijk niet kunnen verdedigen, terwijl de Belgische overheid haar geen enkele inbreuk ten laste heeft gelegd; daarenboven wordt eisers schuld klaarblijkelijk afgeleid uit de schuld van de vennootschap, zodat ook eisers schuldigverklaring grond mist en het arrest hem niet medeverantwoordelijk kan achten voor de hem ten laste gelegde feiten.
  21. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  22. Artikel 5 Strafwetboek, zoals van toepassing, belet niet dat een natuurlijke persoon strafrechtelijk verantwoordelijk wordt geacht en wordt veroordeeld voor een wetens en willens gepleegd misdrijf dat een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel of de waarneming van de belangen van de rechtspersoon, dan wel voor diens rekening werd gepleegd, in zoverre het misdrijf toerekenbaar is aan de natuurlijke persoon en de constitutieve bestanddelen ervan lastens hem bewezen zijn. Daarvoor is het niet vereist dat de rechtspersoon mee met de natuurlijke persoon wordt vervolgd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. Het arrest (nr. 22-24, p. 41) neemt de volgende redenen over van het beroepen vonnis (nr. 88 en 89, p. 94-95): “Als bestuurder fungeerde [de eiser] als lasthebber van de vennootschap [E. SP]. Hij oefende werkgeversgezag uit en had beslissingsbevoegdheid inzake de naleving van de sociaalrechtelijke wetten. Uit de verhoren van de diverse verhoorde werknemers (…) blijkt ook duidelijk dat [de eiser] de leidinggevende is en alle beslissingen neemt. Uit deze verklaringen blijkt onder andere dat [de eiser] zorgde voor de aanwervingen, hij bepaalde de uurroosters, hij is ook degene die de lonen uitbetaalt. De prestatiefiches werden ook verzameld door [de eiser]. Uit de verhoren van (…) blijkt ook dat [de eiser] de zaken (onder andere loonadministratie en boekhouding) vanuit België doorgaf aan Polen. De feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A.1 tot en met A.79 (…) en C.1 tot en met C.79 (…), kunnen hem strafrechtelijk worden toegerekend.” “Ten onrechte stelt [de eiser] dat er sprake zou zijn van een schending van (oud) art. 5 Strafwetboek. (…) Het gaat hier (…) niet om een geval waarbij de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van geïdentificeerde natuurlijke personen. De arbeidsauditeur heeft er immers voor gekozen om de rechtspersonen niet (mee) te vervolgen. Er is aldus géén cumul van de (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon. Ten overvloede voegt de rechtbank er nog aan toe dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat [de eiser] bevoegd was om de nodige beslissingen te nemen met het oog op de naleving van de sociaalrechtelijke regelgeving. Uit de gegevens van het strafdossier blijkt echter duidelijk dat hij er wetens en willens voor heeft gekozen om dit niet te doen. Hierbij kan onder andere worden verwezen naar de valse prestatiestaten en loonfiches die werden opgesteld en overhandigd aan de Belgische inspectiediensten teneinde hen te misleiden.” Met eigen redenen (nr. 24, p. 41) leidt het arrest hieruit af wat volgt: “Dit hof (van beroep) herneemt alhier ook de motieven zoals vervat in randnummer 88 tot en met 89 van het beroepen vonnis inzake de toerekening aan [de eiser] van de te last gelegde misdrijven: als lasthebber van de vennootschap met de nodige machten tot leiding, beslissingsmacht en gezagsuitoefening draagt hij ter zake mede verantwoordelijkheid en wanneer deze verantwoordelijkheid niet wordt opgenomen is hij wetens en willens mede schuldig aan het gepleegde misdrijf.”
  24. Noch met die redenen, noch met enige andere reden die het arrest overneemt van het beroepen vonnis of die het zelf bevat, verklaart het de vennootschap schuldig aan de lastens de eiser bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen A en C, noch leidt het eisers schuld aan die feiten af uit enige schuld daaraan van de vennootschap. Het (nr. 19-20, p. 39-41 en nr. 22-24, p. 41) leidt daarentegen de schuld van de eiser aan die feiten af uit de vaststelling dat die feiten hem toerekenbaar zijn en dat de constitutieve bestanddelen van de erop betrekking hebbende telastleggingen lastens hem bewezen zijn. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  25. Anderdeels verantwoordt het arrest met die redenen de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten van de telastleggingen A en C naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces van de eiser: het arrest oordeelt dat ook de vennootschap schuldig is aan de misdrijven waarvoor de eiser wordt vervolgd en leidt vervolgens de schuld van de eiser als lasthebber van de vennootschap hieruit af; niettegenstaande de vennootschap en de eiser twee verschillende personen zijn en de beslissing van de fod Tewerkstelling geen gezag van gewijsde heeft, heeft het optreden van de aanklagers hier een willekeurig karakter, derwijze dat het beginselen van behoorlijke strafvervolging zijn miskend; de zaak is eerst aanbeland bij de fod omdat het openbaar ministerie niet (tijdig) de vennootschap heeft vervolgd; de eindbeslissing van de fod doet de strafvordering vervallen; dat het openbaar ministerie zich vervolgens dan maar richt tot de natuurlijke persoon is derhalve niet correct en onaanvaardbaar.
  27. In zoverre het onderdeel niet is gericht tegen het arrest, maar tegen het optreden van het openbaar ministerie en van de Belgische Staat, fod Tewerkstelling, is het niet ontvankelijk.
  28. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  29. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is dubbelzinnig gemotiveerd; in zoverre het oordeelt dat de schuld van de eiser voortvloeit uit zijn rol in de vennootschap die het ook schuldig acht, is de beslissing onwettig; in zoverre het arrest de schuldigverklaring van de eiser niet afleidt uit de schuld van de vennootschap, is er minstens sprake van verwarrend woordgebruik en zou de beslissing eventueel wettig kunnen zijn; minstens is de beslissing dubbelzinnig omdat niet met zekerheid kan worden uitgemaakt of de appelrechters bij het beantwoorden van de schuldvraag wel of niet rekening hebben gehouden met de vermeende schuld van de vennootschap, zodat in de ene lectuur van het arrest het arrest wettig is en in de andere lezing het arrest onwettig is, en het Hof bijgevolg zijn wettigheidscontrole niet kan uitoefenen.
  31. In zoverre het onderdeel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid is afgeleid uit de vergeefs in het eerste en tweede onderdeel aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
  32. De onder het eerste onderdeel vermelde redenen stellen het Hof in staat zijn wettigheidscontrole op de beslissing uit te oefenen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.1 en 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers bij appelconclusie aangevoerde verweer dat eventuele vermogensvoordelen uit de vervolgde misdrijven enkel werden verkregen door de vennootschap als werkgever, dat de eiser als natuurlijk persoon geen vermogensvoordelen heeft genoten, dat hoe dan ook dergelijk vermogensvoordelen nooit op eenzelfde wijze kunnen worden berekend als voor de vennootschap en dat rekening moet worden gehouden met de door de eiser aangevoerde parameters omdat het totale bedrag van de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) het rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel niet mag overschrijden; de rechter oordeelt onaantastbaar of een bewezen verklaard misdrijf voor een beklaagde vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft opgeleverd en welk daarvan het bedrag is; in voorkomend geval kan de rechter de geldwaarde ervan ramen overeenkomstig artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek en kan hij dit bedrag in billijkheid bepalen; hoewel het hof van beroep geenszins was gevat met de schuldvraag betreffende de vennootschap, maar zich hierover minstens impliciet heeft uitgesproken, had het ook moeten oordelen in welke mate de vermogensvoordelen werden verdeeld en kon het niet het gehele vermogensvoordeel toerekenen aan de eiser; daarenboven kon het hof van beroep uit het strafdossier onmogelijk afleiden welk vermogensvoordeel daadwerkelijk aan de eiser is toegekomen; deze berekening werd immers nooit gemaakt; de enige voorhanden zijnde berekening heeft betrekking op de vermogensvoordelen bij de vennootschap.
  34. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het derde middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  35. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  36. De rechter oordeelt onaantastbaar welk vermogensvoordeel de beklaagde heeft verkregen uit de lastens hem bewezen verklaarde misdrijven en in welke mate hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt lastens de beklaagde. Niets verplicht de rechter het verbeurdverklaarde vermogensvoordeel te verdelen tussen de beklaagde en een niet-vervolgde derde. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  37. Het arrest (nr. 32, p. 42) oordeelt: “De eerste rechter besliste passend over verbeurdverklaring: de niet-correct zijnde uitbetaalde lonen betekenden een besparing in hoofde van de vennootschap, doch kwamen daarbij ook rechtstreeks ten goede aan de eigenaars van deze vennootschap, waaronder [de eiser] (die leiding had, oprichter was en bestuurder van deze vennootschap). De motieven van de eerste rechter worden alhier overgenomen.”
  38. Het beroepen vonnis (p. nr. 96, 97-98) oordeelt: “Het staat vast dat het vermogensvoordeel ten gevolge van het niet betalen van het minimumloon rechtstreeks ten goede is gekomen aan [de eiser]. Door de lagere loonkosten realiseerde de vennootschap [E. SP] meer winst. Het staat vast dat [de eiser], die de enige bestuurder, leidinggevende en oprichter is van deze (…) vennootschap, baat gehad heeft bij het plegen van het betreffende misdrijf onder de tenlasteleggingen C.l tot en met C.79 (allen zoals verbeterd en C.47.1 slechts bewezen voor 138,848 euro). De berekening van de sociale inspectie is correct en uitvoerig gemotiveerd gestaafd (…). Overeenkomstig art. 43bis van het Strafwetboek kan de rechtbank zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde verminderen om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen. De rechtbank stelt vast dat de verbeurdverklaring van een bedrag van 1.134.013,35 euro een onredelijke zware bestraffing zou inhouden. Mede gelet op de in dit vonnis uitgesproken geldboetes herleidt de rechtbank het verbeurd te verklaren bedrag naar billijkheid tot een bedrag van 325.000 euro. Dit vermogensvoordeel van 325.000 euro dient naar het oordeel van deze rechtbank effectief te worden verbeurdverklaard omdat het maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn dat de beklaagde enerzijds wordt veroordeeld, maar anderzijds in het bezit zou worden gelaten van de wederrechtelijke vermogensvoordelen.”
  39. Eensdeels beantwoordt het arrest met die redenen het verweer van de eiser, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerde argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt.
  40. Anderdeels kan het arrest op grond van die redenen wettig het lastens de eiser verbeurdverklaarde vermogensvoordeel uit de telastleggingen C, in zoverre bewezen, in billijkheid bepalen op 325.000,00 euro.
  41. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  42. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is: het arrest legt aan de eiser een verbeurdverklaring op van 325.000,00 euro, alsook een geldboete van 355.500,00 euro met uitstel voor een gedeelte van 118.500,00 euro; dit is een onredelijk zware en disproportionele bestraffing; het arrest houdt bij de straftoemeting geen rekening ermee dat de eiser wordt vervolgd in zijn hoedanigheid van lasthebber van de vennootschap, die de werkgever van de slachtoffers en de schuldenaar van hun loon was, en dat uit geen enkel objectief stuk blijkt dat de eiser zich ook persoonlijk heeft verrijkt door de hem ten laste gelegde feiten; de eiser zal alleen moeten opdraaien voor de verbeurdverklaring, daar waar alle procespartijen het erover eens waren dat de bespaarde gelden zijn toegekomen aan de vennootschap, waaraan de Belgische Staat geen inbreuken ten laste heeft gelegd.
  43. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het derde en vierde middel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
  44. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
  45. De rechter oordeelt onaantastbaar of het bevelen van een verbeurdverklaring een onredelijke straf voor een beklaagde inhoudt. Bij dat oordeel kan de rechter onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de nagestreefde verrijking, de rol van de betrokkene bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  46. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het vierde middel kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de aan de eiser opgelegde verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, verkregen uit de telastlegging C, in zoverre bewezen, geen onredelijk zware straf uitmaakt. Het feit dat de appelrechters daarnaast aan de eiser onder meer een geldboete met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging opleggen, welke straf wettelijk dient te worden bepaald rekening houdend met het aantal slachtoffers, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  47. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 199,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.