id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231218.3N.8 Rolnummer: C.22.0466.N Zaak: N. contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 890 - laatst gezien 2026-06-18 16:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231218.3N.8 Fiche 1 Een taxatieprocedure in de zin van artikel 991, § 2, Gerechtelijk Wetboek behelst een tussengeschil, waarbij de gedingkosten worden aangehouden om te worden vereffend in het eindvonnis of -arrest. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Fiche 2 De toekenning van een rechtsplegingsvergoeding onderstelt een procesverhouding tussen procespartijen; een procesverhouding onderstelt dat een partij ten aanzien van een wederpartij een veroordeling nastreeft, minstens een constitutieve of declaratieve rechterlijke uitspraak
(1).
(1)Cass. 19 oktober 2023, AR C.23.0073.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.4, AC 2023, nr. 667; Cass. 30 september 2022, AR C.22.0007.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3, AC 2022, nr. 591. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Fiche 3 Een gerechtsdeskundige staat als gerechtelijke opdrachthouder buiten de procesverhouding tussen de procespartijen, ook in geval van een taxatieprocedure in de zin van artikel 991, § 2, Gerechtelijk Wetboek die enkel strekt tot rechterlijke vaststelling van het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundige; dat dergelijke taxatieprocedure een autonoom karakter vertoont, met geëigende procedurele mogelijkheden, heeft niet tot gevolg dat de gerechtsdeskundige als procespartij kan worden beschouwd ten aanzien van de eigenlijke procespartijen; een gerechtsdeskundige kan derhalve in het raam van een taxatieprocedure omtrent zijn ereloon en kosten noch aanspraak maken op noch veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 973, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 991, §§ 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste en laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1018, eerste lid, 6° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0466.N B.N., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- J.V.V.,
- L.D., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen,
- OVAM, intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0842.399.963, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,
- ACLAGRO nv, met zetel te 9032 Wondelgem, Industrieweg 74, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0415.256.901,
- ENVIROSOIL nv, met zetel te 8020 Oostkamp, Siemenslaan 13, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0863.379.776, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 februari
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 9 november 2023 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 13 november 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- De eerste, tweede en derde verweerders werpen een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel vertoont geen belang daar waar de eiser opkomt tegen een beslissing nopens de rechtspleging die overeenkomstig zijn conclusie is gewezen.
- Anders dan waarvan de verweerders bij hun grond van niet-ontvankelijkheid uitgaan, staat een beslissing nopens de rechtspleging wat betreft de gedingkosten en meer precies de rechtsplegingsvergoeding, los van de partijautonomie. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 973, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden alle betwistingen die in de loop van het deskundigenonderzoek met betrekking tot dit onderzoek ontstaan tussen de partijen of tussen de partijen en de deskundigen, met inbegrip van het verzoek tot vervanging van de deskundigen en van elke betwisting aangaande de uitbreiding of de verlenging van de opdracht, door de rechter beslecht. Krachtens artikel 991, § 2, Gerechtelijk Wetboek gelast de rechter, indien één of meer partijen binnen de in § 1 bedoelde termijn niet akkoord gaan met de staat van kosten en ereloon en hun standpunt met redenen omkleden, overeenkomstig artikel 973, § 2, de oproeping van de partijen teneinde het bedrag van de kosten en het ereloon te begroten. De rechter stelt het bedrag vast van de kosten en het ereloon onverminderd eventuele schadevergoeding en interest. Hij houdt hoofdzakelijk rekening met de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen en de kwaliteit van het geleverde werk. Hij kan daarbij ook rekening houden met de moeilijkheid en duur van het geleverde werk, de hoedanigheid van de deskundige en de waarde van het geschil. De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot. Krachtens artikel 991, § 3, Gerechtelijk Wetboek worden deze bedragen in de eindbeslissing als gerechtskosten begroot.
- Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1017, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt in een onderzoeksvonnis de beslissing inzake de kosten steeds aangehouden. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer de rechtsplegingsvergoeding in de zin van artikel
- Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
- Een taxatieprocedure in de zin van artikel 991, § 2, Gerechtelijk Wetboek behelst een tussengeschil, waarbij de gedingkosten worden aangehouden om te worden vereffend in het eindvonnis of -arrest.
- De toekenning van een rechtsplegingsvergoeding onderstelt een procesverhouding tussen procespartijen. Een procesverhouding onderstelt dat een partij ten aanzien van een wederpartij een veroordeling nastreeft, minstens een constitutieve of declaratieve rechterlijke uitspraak. Een gerechtsdeskundige staat als gerechtelijke opdrachthouder buiten de procesverhouding tussen de procespartijen, ook in geval van een taxatieprocedure in de zin van artikel 991, § 2, Gerechtelijk Wetboek die enkel strekt tot rechterlijke vaststelling van het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundige. Dat dergelijke taxatieprocedure een autonoom karakter vertoont, met geëigende procedurele mogelijkheden, heeft niet tot gevolg dat de gerechtsdeskundige als procespartij kan worden beschouwd ten aanzien van de eigenlijke procespartijen. Een gerechtsdeskundige kan derhalve in het raam van een taxatieprocedure omtrent zijn ereloon en kosten noch aanspraak maken op noch veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding.
- De appelrechter die de eiser als gerechtsdeskundige in het raam van een taxatieprocedure veroordeelt tot de gedingkosten van de taxatieprocedure met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding ten behoeve van de procespartijen, schendt voormelde bepalingen. Het onderdeel is gegrond.
- De door de eerste, tweede en derde verweerders voorgestelde prejudiciële vraag, die gelet op het voormelde vergeefs ervan uitgaat dat een gerechtsdeskundige als procespartij kan worden beschouwd, moet niet worden gesteld. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de gedingkosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 december 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231218.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231218.3N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div