← België

VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.10 Rolnummer: P.23.1155.N Zaak: VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-18 20:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 Fiches 1 - 4 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dit voortvloeit uit artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet, vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn

(1); het legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist niet dat indien in een uitvoeringsbesluit bepaalde handelingen worden verboden of geboden, de op de overtreding daarvan bepaalde straffen in dat uitvoeringsbesluit zelf worden opgenomen; de strafbaarstelling van de overtredingen van de bepalingen van het uitvoeringsbesluit en de daarop toepasselijke straffen kunnen worden bepaald in een wet; dit maakt de strafbaarheid van een overtreding niet onvoorzienbaar; het legaliteitsbeginsel in strafzaken verzet zich evenmin ertegen dat de strafbaarstelling van overtredingen van een uitvoeringsbesluit en zelfs eenzelfde overtreding mogelijk is op basis van meerdere wetten en met verschillende straffen, voor zover hij die een bepaling van een uitvoeringsbesluit overtreedt kan weten dat hij strafbaar handelt en welke straffen hij daarvoor kan oplopen.
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 5 Artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, is een maatregel ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten in de zin van artikel 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer en meer bepaald van het ADR; de overtreding van artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het ADR en derhalve van artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 is bijgevolg strafbaar op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer; die strafbaarstelling en de toepasselijke straffen zijn niet onvoorzienbaar voor in artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 vermelde personen die beroepshalve betrokken zijn bij het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; de omstandigheid dat de overtreding van artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het ADR en derhalve van artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 eventueel ook strafbaar is op grond van andere wetsbepalingen, maakt een bestraffing op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer daardoor niet onvoorzienbaar
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Wet 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg - 18-02-1969 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1969021803 Wet 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg - 18-02-1969 - Art. 2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1969021803 KB 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen - 28-06-2009 - Art. 16, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2009014168 Besluit van de Raad tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen met betrekking tot de wijzigingen van de bijlagen bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen ... - Art. 5.4.3.
  1. Bijlage A Tekst van de beslissing Nr. P.23.1155.N VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS nv, met zetel te 8940 Wervik, Dullaardstraat 11, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 7 juli 2023, gewezen op verwijzing bij arrest van 26 april
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 5 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. Op de rechtszitting van 19 december 2023 heeft raadsheer Sidney Berneman verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet afdoende het in appelconclusie van de eiseres gevoerde verweer dat het legaliteitsbeginsel is miskend doordat het voor rechtsonderhorigen niet mogelijk is om te weten hoe een concrete inbreuk op het ADR-verdrag zal worden bestraft; de verwijzing naar twee arresten van het Hof als enige vorm van uitleg is geen afdoende motivering; deze arresten zijn niet relevant voor de voorliggende inbreuk op het ADR-verdrag.
  4. De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting van de rechter te antwoorden op een door een partij in een regelmatige ingediende conclusie ontwikkeld verweer, heeft een vormelijk karakter. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter het verweer beantwoordt, ongeacht of dit antwoord getuigt van een juiste rechtsopvatting. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Met de redenen die het bestreden vonnis bevat onder de rubriek 4.1 Het legaliteitsbeginsel (p. 7-8) beantwoordt en verwerpt het de aanvoering van de eiseres dat het legaliteitsbeginsel is miskend omdat het voor een rechtsonderhorige niet mogelijk is te weten hoe een concrete inbreuk op het ADR-verdrag zal worden gestraft. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres ten onrechte wegens een overtreding van het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen (hierna KB 28 juni 2009); dit koninklijk besluit bevat, anders dan het voorheen van toepassing zijnde koninklijk besluit van 9 maart 2003, zelf geen enkele aanduiding betreffende de bestraffing van inbreuken; daardoor is dit koninklijk besluit ongrondwettig en mag het niet worden toegepast; de interpretatie dat elke overtreding van het KB 28 juni 2009 kan worden gestraft op basis van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de zee, over de weg, de spoorweg of de waterwegen (hierna Wet Verdragen Vervoer) botst met het gegeven dat er ook drie andere rechtsgronden zijn, die dan onnodig en onnuttig zouden zijn; indien de aard van de inbreuk bepalend is voor de toe te passen strafbepaling, zoals onder de toepassing van de oude regelgeving, kan de Wet Verdragen Vervoer geen grondslag bieden; de mogelijkheid van verschillende strafrechtsgronden en verschillend toe te passen straffen maakt een noodzakelijke voorzienbaarheid in de bestraffing onmogelijk.
  7. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dit voortvloeit uit artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet, vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn.
  8. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist niet dat indien in een uitvoeringsbesluit bepaalde handelingen worden verboden of geboden, de op de overtreding daarvan bepaalde straffen in dat uitvoeringsbesluit zelf worden opgenomen. De strafbaarstelling van de overtredingen van de bepalingen van het uitvoeringsbesluit en de daarop toepasselijke straffen kunnen worden bepaald in een wet. Dit maakt de strafbaarheid van een overtreding niet onvoorzienbaar.
  9. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken verzet zich evenmin ertegen dat de strafbaarstelling van overtredingen van een uitvoeringsbesluit en zelfs eenzelfde overtreding mogelijk is op basis van meerdere wetten en met verschillende straffen, voor zover hij die een bepaling van een uitvoeringsbesluit overtreedt kan weten dat hij strafbaar handelt en welke straffen hij daarvoor kan oplopen.
  10. Artikel 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer bepaalt dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over de zee, de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen kan treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.
  11. Artikel 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer bepaalt dat de overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding.
  12. Artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 bepaalt dat het de in die bepaling vermelde personen verboden is gevaarlijke goederen te laden, te vervoeren, te doen laden of te doen vervoeren indien het vervoer niet voldoet aan de bepalingen van het RID of het ADR en van dit besluit.
  13. Artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) (hierna ADR) bevat voorschriften met betrekking tot de vorm en de inhoud van de schriftelijke richtlijnen die voorhanden moeten zijn bij het vervoer.
  14. Artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 is een maatregel ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten in de zin van artikel 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer en meer bepaald van het ADR.
  15. De overtreding van artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het ADR en derhalve van artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 is bijgevolg strafbaar op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer.
  16. Die strafbaarstelling en de toepasselijke straffen zijn niet onvoorzienbaar voor in artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 vermelde personen die beroepshalve betrokken zijn bij het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.
  17. De omstandigheid dat de overtreding van artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het ADR en derhalve van artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 eventueel ook strafbaar is op grond van andere wetsbepalingen, maakt een bestraffing op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer daardoor niet onvoorzienbaar.
  18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Het bestreden vonnis dat oordeelt dat het feit onder de heromschreven telastlegging B strafbaar is op grond van artikel 2, § 1, Wet Verdragen Vervoer en dat de onwettigheidsexceptie van de eiseres verwerpt, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 29, § 2, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis legt een onwettige straf op; in zoverre het legaliteitsbeginsel niet zou zijn miskend, dan nog zou de wettelijke grondslag van de bestraffing niet liggen in de wet van 18 februari 1969 maar wel in artikel 29, § 2, Wegverkeerswet.
  21. Het onderdeel dat geheel is afgeleid uit de met het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde stelling dat de Wet Verdragen Vervoer geen strafrechtsgrond biedt voor de aan de eiseres verweten inbreuk, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.