← België

V. contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De rechter die de omschrijving van een bij hem aanhangig gemaakt feit wijzigt, moet ervoor zorgen dat de beklaagde de kans krijgt om zich tegen de nieuwe omschrijving te verdedigen

(1); daarvoor moet de rechter dat feit niet eerst heromschrijven en vervolgens een debat organiseren over het heromschreven feit; het volstaat dat de rechter de beklaagde op de rechtszitting kennis geeft van de mogelijke heromschrijving van het feit en hem verzoekt zich daarop te verdedigen; of de beklaagde het feit al dan niet onder enige omschrijving betwist, speelt geen rol.
(1)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2, AC 2022, nr. 707, met concl. OM, RW 2023, 1143; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1, AC 2022, nr. 415; Cass. 15 mei 2018, AR P.18.0040.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180515.1, AC 2018, nr. 307; P. MORLET, “Changement de qualification. Droits et devoirs du juge”, RDPC. 1990, 561-590; A. SMETRYNS, De motiveringsverplichting van de strafrechter, Larcier, 2005, 17-21; R. DECLERCQ, Beginselen van rechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 1630; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1455-1456. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1411.N R. T. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Willem Van Betsbrugge, advocaat bij de balie Leuven, tegen R. W., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 augustus

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 48 Handvest Grondrechten EU, artikel 6.2 en 6.3 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1382 “e.v.” oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het verweer van de eiser dat de verweerder zijn verwondingen heeft opgelopen door het botsen met diens inkomdeur, die de eiser heeft opengeduwd om zijn hand te bevrijden, volstrekt ongeloofwaardig is omdat krabwonden in het aangezicht duidelijk te onderscheiden zijn van verwondingen door het botsen met een deur; niet de beklaagde maar het openbaar ministerie draagt de bewijslast van het bestaan van een misdrijf; het hebben van een bepaald letsel kan niet leiden tot het bewijs van de toepassingsvoorwaarden van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek of van het toebrengen van opzettelijke slagen.
  3. Het middel komt op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 5.64, tweede lid, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het verweer van de eiser dat hij heeft gehandeld ingevolge wettige verdediging haaks staat op zijn verweer dat hij de verweerder “nooit heeft aangeraakt” en volkomen onjuist is; een correcte lezing van eisers appelconclusie toont aan dat er geen sprake is van enige tegenstrijdigheid in de stellingen van de eiser; het inroepen van de wettige verdediging bij eventuele schade door de deur open te duwen om eisers hand te bevrijden, staat helemaal niet in verband met het vermeend toegeven van het toebrengen van een krabletsel; het arrest leidt stellingen af uit eisers appelconclusie die er niet staan en geeft een andere inhoud aan die conclusie.
  5. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief.
  6. Artikel 5.64, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, is niet van toepassing in strafzaken.
  7. In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
  8. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een akte indien de uitlegging die de rechter van de akte geeft een mogelijke uitlegging is, desgevallend naast andere, die niet onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud van de akte.
  9. Het arrest geeft van het in het middel aangehaalde verweer in eisers appelconclusie een uitlegging die met de bewoordingen of de inhoud ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 416 Strafwetboek: het arrest verwerpt het verweer van de eiser over wettige verdediging omdat er geen sprake is van enige dreiging, aanval of uitlokking door de verweerder; de eiser moet de aangevoerde rechtvaardigingsgrond niet bewijzen, maar enkel aannemelijk maken; het is dan aan het openbaar ministerie om aan te tonen dat de ingeroepen rechtvaardigingsgrond niet bestaat; het arrest miskent dit gegeven en draait de bewijslast om; de appelrechters konden op grond van hun vaststellingen het verweer van de eiser over de wettige verdediging niet afwijzen.
  11. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  12. Uit de redenen die het arrest (nr. 3.2, p. 7-9) vermeldt, blijkt dat de appelrechters eisers versie van het gebeuren ongeloofwaardig achten in het licht van de feiten die zij vermelden en de gevolgen die zij daaruit afleiden. Aldus leggen de appelrechters aan de eiser geen bewijslast op van de door hem aangevoerde rechtvaardigingsgrond, maar kunnen zij integendeel op grond van hun onaantastbare vaststellingen wettig eisers verweer verwerpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 405quater Strafwetboek: het arrest heromschrijft de telastlegging A naar opzettelijke slagen met een racistische drijfveer; het stelt vast dat de partijen tijdens de behandeling van de zaak voor het hof van beroep op de hoogte werden gebracht van deze mogelijke heromschrijving en dat zij werden uitgenodigd hierover standpunt in te nemen; ter rechtszitting werd de toepassing van de mogelijke heromschrijving betwist; de appelrechters oordelen echter onmiddellijk op basis van de heromschrijving en niet meer over de vraag tot mogelijke heromschrijving; aldus is eisers recht van verdediging geschaad; bovendien overschrijdt deze beoordeling de saisine van het hof van beroep; het openbaar ministerie had enkel hoger beroep ingesteld tegen de strafmaat; de sanctie werd onterecht verzwaard.
  14. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  15. Het staat aan de rechter, ook in hoger beroep, om aan een bij hem aanhangig gemaakt feit de juiste omschrijving te geven. Dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter over de schuld van een beklaagde aan een bepaald feit, belet de appelrechter niet om aan dat feit een andere, eventueel zwaardere omschrijving te geven en vervolgens, ingevolge het hoger beroep dat het openbaar ministerie heeft ingesteld met betrekking tot de strafmaat, de straf voor het heromschreven feit te verzwaren.
  16. De rechter die de omschrijving van een bij hem aanhangig gemaakt feit wijzigt, moet ervoor zorgen dat de beklaagde de kans krijgt om zich tegen de nieuwe omschrijving te verdedigen. Daarvoor moet de rechter dat feit niet eerst heromschrijven en vervolgens een debat organiseren over het heromschreven feit. Het volstaat dat de rechter de beklaagde op de rechtszitting kennis geeft van de mogelijke heromschrijving van het feit en hem verzoekt zich daarop te verdedigen. Of de beklaagde het feit al dan niet onder enige omschrijving betwist, speelt geen rol.
  17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het eveneens naar recht. Vijfde middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en artikel 16.6.3, § 2, DABM: het arrest verwerpt het verweer van de eiser dat de strafvordering met betrekking tot de telastlegging C.2 niet ontvankelijk is omdat het politiereglement van de stad Tienen, dat een GAS-boete bepaalt op het achterlaten van hondenpoep, dateert van 25 juni 2020 en derhalve van na het aan de eiser ten laste gelegde feit van sluikstorten, dat dateert van 7 december 2019; het politiereglement is in werking getreden op 1 oktober 2020; aldus was niet alleen op het moment van het arrest, maar ook op het moment van de rechtstreekse dagvaarding een mildere bestraffing van toepassing, namelijk een administratieve geldboete beperkt tot een maximum van 350,00 euro.
  19. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  20. De door het arrest uitgesproken straf voor de vermengde telastleggingen A en C.2 is naar recht verantwoord wegens de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging A.
  21. Het middel dat enkel betrekking heeft op de telastlegging C.2, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180515.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.