← België

UNIA contra Christelijke gemeente van Jehovah’s Getu

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 19 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2024, n° 28, p. 488-

  1. - CHRISTIANS, Louis-Léon; Note'Autonomie des cultes et hiérarchie des normes: règle religieuse versus discrimination?' NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2024, nr. 4, p. 253-
  2. - JANSEN, Sanne; Noot'Shunning: van vrijheid van godsdienst tot strafbare gedraging?' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0971.N I INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40 bus 40, burgerlijke partij, eiser, met als raadslieden mr. Jan Vanheule en mr. Renaud Vercaemst, advocaten bij de balie te Brussel, tegen CHRISTELIJKE GEMEENTE VAN JEHOVA’S GETUIGEN vzw, met zetel te 1950 Kraainem, Potaardestraat 60, beklaagde, verweerster. met als raadslieden mr Dimitri de Beco en mr. Thomas De Nys, advocaten bij de balie te Brussel. II
  3. E. B.,
  4. P. H.,
  5. B. V. D.,
  6. O. H.,
  7. D. H.,
  8. M. W.,
  9. L. D. P.,
  10. C. T.,
  11. B. B.,
  12. R. G.,
  13. D. D. S., burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent, tegen CHRISTELIJKE GEMEENTE VAN JEHOVA’S GETUIGEN vzw, reeds vermeld, beklaagde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 juni
  14. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 11 december 2023 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 19 december 2023 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  15. Een burgerlijke partij die niet is veroordeeld tot de kosten van de strafvordering heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing op die vordering.
  16. In zoverre het cassatieberoep van de eiser I, die niet wordt veroordeeld tot de kosten van de strafvordering, is gericht tegen de vrijspraak van de verweerster I-II, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 22 Antidiscriminatiewet: het arrest verklaart de feiten niet bewezen en ontslaat de verweerster I-II van rechtsvervolging omdat er niet letterlijk wordt aangezet tot discriminatie, haat of geweld; daardoor voegt het arrest een niet in de strafwet bepaalde voorwaarde toe aan de strafbaarstellingen.
  18. Het middel gaat geheel ervan uit dat de appelrechters enkel nagaan of de verweerster I-II letterlijk oproept tot discriminatie in de zin van intimidatie of tot haat of geweld, terwijl zij eveneens nagaan of de praktijk van het mijdingsbeleid strafbare gedragingen oplevert in de zin van artikel 22 Antidiscriminatiewet. Het middel dat berust op die onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 9 EVRM, artikel 19 Grondwet en artikel 22 Antidiscriminatiewet: het arrest ontslaat de verweerster I-II van rechtsvervolging en oordeelt dat zelfs wanneer de constitutieve bestanddelen van de aanzettingsmisdrijven in de Antidiscriminatiewet zijn verenigd, de godsdienstvrijheid de bestraffing van een concrete op een geloofsregel geïnspireerde gedraging verhindert.
  20. De appelrechters (p. 28, nr. 2.6.3) oordelen dat zij de zienswijze van de eerste rechter niet volledig volgen, waar deze lijkt aan te nemen dat uit het verenigd zijn van de constitutieve bestanddelen van de in artikel 22 Antidiscriminatiewet bedoelde misdrijven, voortvloeit dat de verweerster I-II zich niet meer kan beroepen op de in de artikelen 9, 10 en 11 EVRM en artikel 19 Grondwet vervatte grondrechten. Aldus stellen zij niet vast dat wanneer de constitutieve bestanddelen van de aanzettingsmisdrijven in de Antidiscriminatiewet zijn verenigd de godsdienstvrijheid steeds de bestraffing van een concrete op een geloofsregel geïnspireerde gedraging verhindert. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  21. De door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en de Grondwet beschermde grondrechten primeren op nationale strafbepalingen. Het komt de rechter toe het EVRM en de Grondwet uit te leggen en toe te passen, onverminderd de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof.
  22. Daaruit vloeit voort dat niet uit te sluiten is dat de in de artikelen 9, 10 en 11 EVRM en artikel 19 Grondwet vervatte grondrechten verhinderen dat, zelfs wanneer de constitutieve bestanddelen van de aanzettingsmisdrijven van de Antidiscriminatiewet zijn verenigd, die strafbaarstellingen worden toegepast op een concrete op een geloofsregel geïnspireerde gedraging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8 en 9 EVRM en de artikelen 19 en 22 Grondwet: met het oordeel dat de godsdienstvrijheid van de verweerster I-II dermate omvattend is dat de appreciatiemarge van de rechter klein is, waardoor het kennelijk disproportioneel is om een geloofsgemeenschap een strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen om richtlijnen uit te vaardigen betreffende de sociale omgang van individuen voor zover die richtlijnen niet aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen, ontslaat het arrest de verweerster I-II van rechtsvervolging; nochtans zijn ook de fundamentele rechten van de eisers II in het geding, namelijk de godsdienstvrijheid en het recht op privé- en familieleven, waardoor er een volwaardige afweging en beoordeling moet gebeuren vanuit beide invalshoeken.
  24. Het arrest (p. 33-36) stelt vast dat uit strafinformatie niet blijkt dat het mijdingsbeleid concreet een zodanige draagwijdte heeft dat daardoor de vrije wil van de leden van Jehova’s Getuigen om desgewenst de geloofsgemeenschap te verlaten, op onrechtmatige wijze de door artikel 9 EVRM of artikel 19 Grondwet gewaarborgde rechten van de eisers II aantast. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest de door artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet gewaarborgde godsdienstvrijheid van de eisers II, niet mee in overweging heeft genomen, terwijl het arrest oordeelt dat deze rechten door het mijdingsbeleid niet worden aangetast, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  25. Het arrest (p. 46-53) stelt vast dat uit de strafinformatie niet blijkt dat het mijdingsbeleid aanzet tot het verbreken van de banden voortvloeiend uit dichte afstamming of –aanverwantschap, zoals tussen ouders en kinderen of tussen echtgenoten, banden die worden beschermd door artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest het recht op privé-, familie- en gezinsleven niet mee in aanmerking heeft genomen, terwijl het arrest oordeelt dat deze rechten door het mijdingsbeleid niet worden aangetast, berust het eveneens op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  26. Artikel 9.2 EVRM bepaalt: “De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Artikel 19 Grondwet bepaalt: “De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.”
  27. De godsdienstvrijheid en de vrijheid van eredienst kunnen worden beperkt door het strafbaar stellen van gedragingen die verband houden met het belijden van die godsdienst of eredienst voor zover die beperkende maatregelen gerechtvaardigd zijn en evenredig met het nagestreefde doel. Die gedragingen kunnen bijgevolg niet worden bestraft op grond van artikel 22 Antidiscriminatiewet wanneer door die strafbaarstelling afbreuk wordt gedaan aan de in de artikelen 8 en 9 EVRM en de artikelen 19 en 22 Grondwet gewaarborgde rechten op een wijze die niet evenredig is met het nagestreefde doel van die strafbepaling, namelijk het ontraden van discriminerende handelingen of het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld.
  28. Het arrest oordeelt als volgt: - de strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid als zodanig de door artikel 9 EVRM beschermde rechten van de gelovigen of ex-gelovigen, namelijk om de geloofsgemeenschap al dan niet te verlaten, aantast; - de strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid zou aanzetten tot het verbreken van de banden voortvloeiende uit dichte afstamming of aanverwantschap, zoals tussen ouders en kinderen of tussen echtgenoten, banden die worden beschermd door artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet; - het uitvaardigen en het naleven van richtlijnen met betrekking tot de gewone sociale omgang als zodanig, waaronder vriendschapsbanden tussen leden van een geloofsgemeenschap en derden waarmee geen dichte familieband bestaat, waarbij deze richtlijnen dergelijke contacten enkel sterk afraden en als zondig bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen, gedragingen betreffen die onder de bescherming van artikel 9 EVRM vallen; - de strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid ertoe strekt om ex-leden actief te benaderen, belagen, bedreigen of pesten; - het mijdingsbeleid leidt hoogstens tot sociale isolatie ten aanzien van andere leden van de geloofsgemeenschap en niet tot een veralgemeende sociale isolatie; - er kan niet worden gesteld dat het uitsluitingsbeleid de facto een veralgemeende sociale isolatie teweegbrengt: de desbetreffende geloofsgemeenschap betreft immers een zeer kleine geloofsgemeenschap van ongeveer 26.000 leden in heel België; - de omstandigheid dat men zich door het mijdingsbeleid gegriefd, gekwetst of sociaal afgesloten voelt van de oorspronkelijke vriendenkring, volstaat niet om de uitwerking van artikel 9 EVRM te neutraliseren; - er moet worden aanvaard dat onder artikel 9 EVRM beschermde gedragingen desgevallend aanleiding kunnen geven tot vervreemding ten aanzien van de naaste omgeving en tot het kwetsen van de gevoelens van deze laatsten; - de artikelen 8 en 9 EVRM en de artikelen 19 en 22 Grondwet houden ook in dat eenieder over het recht beschikt om zelfstandig te beslissen met wie sociale contacten worden onderhouden en met wie niet; - de strafrechter heeft, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, slechts een kleine marge van appreciatie om tussen te komen in keuzes die mensen maken in hun private levenssfeer of bij het nastreven van een religieuze standaard van gedragingen binnen de sfeer van hun persoonlijke autonomie; - het is kennelijk disproportioneel om een geloofsgemeenschap het strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen om richtlijnen uit te vaardigen met betrekking tot de gewone sociale omgang als zodanig, waaronder vriendschapsbanden tussen leden van een geloofsgemeenschap en derden waarmee geen dichte familieband bestaat, waarbij deze richtlijnen dergelijke contacten enkel sterk afraden en als ‘zondig’ bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen.
  29. Met deze redenen oordeelt het arrest dat het aan de orde zijnde mijdingsbeleid niet op een onrechtmatige wijze de door de artikelen 8 en 9 EVRM of de artikelen 19 en 22 Grondwet gewaarborgde rechten van de eisers aantast. Het arrest oordeelt ook dat een strafbaarstelling volgens artikel 22 Antidiscriminatiewet van de voornoemde vorm van mijdingsbeleid een beperking uitmaakt op de godsdienstvrijheid van de verweerster I-II, zoals beschermd door artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet, en dat deze inmenging, zelfs ondanks de kleine appreciatiemarge van de rechter, kennelijk niet evenredig is met het nagestreefde doel van de strafbepaling, namelijk het ontraden van discriminerende handelingen of het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld. Bijgevolg leidt het arrest uit deze belangenafweging af, na te hebben vastgesteld dat de grondrechten van de eisers II niet worden aangetast, dat het hier aan de orde zijnde mijdingsbeleid niet strafbaar kan worden gesteld bij toepassing van artikel 22 Antidiscriminatiewet. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 4, 10°, 21 en 22 Antidiscriminatiewet: met het oordeel dat het strafrechtelijk aanzettingsverbod van artikel 22 Antidiscriminatiewet niet kan worden afgedwongen ten opzichte van een geloofsgemeenschap wanneer die richtlijnen uitvaardigt met betrekking tot de sociale omgang van individuen die niet aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen, terwijl onder het aanzetten tot discriminatie ook aanzetten tot intimidatie wordt begrepen, hetgeen uitgaat van het objectieve criterium van de eerbiediging van het gevoel van de menselijke waardigheid, ontslaat het arrest de verweerster I-II van rechtsvervolging; aldus kan er ook sprake zijn van intimidatie zonder dat er sprake is van het oproepen tot kennelijke of actieve wederrechtelijke gedragingen.
  31. Het arrest oordeelt niet dat het strafrechtelijk aanzettingsverbod van artikel 22 Antidiscriminatiewet, waaronder het aanzetten tot discriminatie in de zin van intimidatie, steeds impliceert dat er sprake moet zijn van het aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen. Het oordeelt enkel dat in de gegeven context, waarbij het aanzettingsverbod van artikel 22 Antidiscriminatiewet de godsdienstvrijheid zoals beschermd in artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet in het gedrang kan brengen, het niet proportioneel is om een strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen voor het uitvaardigen van richtlijnen betreffende de gewone sociale omgang als zodanig, waaronder vriendschapsbanden tussen leden van een geloofsgemeenschap en derden waarmee geen dichte familieband bestaat, waarbij deze richtlijnen dergelijke contacten enkel sterk afraden en als zondig bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  32. Het arrest stelt vast dat de desbetreffende richtlijnen de contacten enkel sterk afraden en als zondig bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen. In zoverre het onderdeel ervan uit gaat dat het arrest met de term wederrechtelijke gedragingen geen intimidatie bedoelt die een inbreuk uitmaakt op de menselijke waardigheid of die bestaat uit het beledigen en belachelijk maken van een individu en het belasteren van een groepering, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Derde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de telastleggingen A, B, C en D niet bewezen en steunt dit op tegenstrijdige motieven; het oordeelt enerzijds geen acht te slaan op de door een van de eisers II bijgebrachte stukken omdat deze teksten te oud zijn en daarom bezwaarlijk kunnen aantonen dat de verweerster I-II zich tijdens de geïncrimineerde periode schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op artikel 22 Antidiscriminatiewet; het arrest staaft anderzijds de vrijspraak van de verweerster I-II op de door haar bijgebrachte oudere teksten waarin telkens uitdrukkelijk wordt aangegeven dat het mijdingsbeleid niet ertoe mag leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de huwelijksband tussen echtgenoten of aan de verplichtingen van ouders jegens hun minderjarige of meerderjarige kinderen; of al dan niet aan de bijgebrachte stukken bewijswaarde moet worden gehecht wegens de datering ervan moet consequent gelden voor zowel de elementen à charge als voor elementen à décharge.
  34. Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van de vermelde bepalingen indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissingen elkaar teniet doen of opheffen.
  35. Dat is niet het geval met de door het middel bekritiseerde oordelen. Het middel mist feitelijke grondslag. Middelen van de eisers II Eerste middel Eerste onderdeel
  36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 9 EVRM, artikel 19 Grondwet en artikel 22 Antidiscriminatiewet: het arrest verklaart de feiten waarop de burgerlijke rechtsvordering van de eisers II werd gestoeld, niet bewezen terwijl het de strafbaarstelling van artikel 22 Antidiscriminatiewet verkeerdelijk beperkt tot een aanzetting tot een kennelijk wederrechtelijke gedraging, omdat het anders op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de vrijheid van godsdienst, hoewel het aanzetten tot intimidatie, ook louter ongewenst gedrag strafbaar stelt; de strafrechter mag niet beslissen dat een gedraging die binnen de reikwijdte valt van artikel 22 Antidiscriminatiewet, niet kan worden bestraft omdat dit op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de vrijheid van godsdienst.
  37. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede onderdeel
  38. Het onderdeel voert schending aan van artikel 22 Antidiscriminatiewet: het arrest verklaart de feiten waarop de burgerlijke rechtsvordering van de eisers II werden gestoeld, niet bewezen, inzonderheid omdat het mijdingsbeleid niet letterlijk oproept tot discriminatie in de zin van intimidatie, noch letterlijk tot haat of geweld; door te vereisen dat de verweerster I-II letterlijk moet oproepen tot discriminatie in de zin van intimidatie of letterlijk tot haat of geweld opdat er sprake is van een strafbare gedraging volgens artikel 22 Antidiscriminatiewet, voegt het arrest aan artikel 22 Antidiscriminatiewet een niet in de wet bepaalde voorwaarde toe.
  39. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel Eerste onderdeel
  40. Het onderdeel voert schending aan van artikel 9.1 EVRM: het arrest oordeelt dat de rechter slechts een beperkte beoordelingsmarge heeft met betrekking tot de vraag of het mijdingsbeleid een of meerdere van de in artikel 22 Antidiscriminatiewet bedoelde misdrijven oplevert; het arrest onderzoekt evenwel niet of de door hen beperkte beoordelingsmarge een schending oplevert van de positieve verplichtingen van de overheid tegenover de eisers II; die verplichtingen strekken tot de bescherming van hun in artikel 9 EVRM vervatte rechten om van godsdienst of overtuiging te veranderen, met inbegrip van het recht op een effectief onderzoek en een effectieve berechting van degenen die voor deze schending verantwoordelijk zijn; evenmin wegen de appelrechters de aan de verweerster I-II in artikel 9 EVRM vervatte rechten af tegen diezelfde rechten die toekomen aan de eisers II.
  41. Het arrest (p. 33-36) stelt vast dat uit de strafinformatie niet blijkt dat het mijdingsbeleid concreet een zodanige draagwijdte heeft dat daardoor de vrije wil van de leden van de verweerster I-II om desgewenst de geloofsgemeenschap te verlaten, op onrechtmatige wijze de door artikel 9 EVRM of artikel 19 Grondwet gewaarborgde rechten van de eisers II aantast. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest de door artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet gewaarborgde godsdienstvrijheid van de eisers II niet mee in aanmerking heeft genomen, terwijl het arrest oordeelt dat deze rechten door het mijdingsbeleid niet worden aangetast, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  42. Voor het overige gaat het onderdeel uit van de onjuiste veronderstelling dat het arrest vaststelt dat er sprake is van een schending van artikel 9 EVRM jegens de eisers II. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 9 EVRM en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het opsporingsonderzoek eenzijdig werd gevoerd omdat bepaalde getuigen niet werden verhoord terwijl de eisers II en andere benadeelden om het verhoor van welbepaalde bij naam genoemde personen hebben verzocht; de appelrechters zijn niet overgegaan tot het verhoor van deze personen; zij namen daartoe geen enkel initiatief, zelfs niet betreffende getuigen waaromtrent zij vaststelden dat hun verhoor uitdrukkelijk was gevraagd; zij motiveren evenmin waarom een dergelijk getuigenverhoor niet werd verricht; de strafrechter heeft de verplichting actief mee te zoeken naar de waarheid door het ambtshalve nemen van initiatieven, in het bijzonder wanneer een schending van artikel 9 EVRM jegens de eisers II aannemelijk wordt gemaakt; dit vloeit ook voor uit het recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6.1 EVRM aangezien een burgerlijke partij niet over de mogelijkheid beschikt om getuigen te doen horen.
  44. In zoverre het onderdeel uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat het arrest vaststelt dat er sprake is van een schending van artikel 9 EVRM jegens de eisers II, mist het feitelijke grondslag.
  45. Artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat de getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat. Uit die bepaling volgt dat indien een burgerlijke partij geen getuigen heeft opgeroepen in de procedure ter rechtszitting voor het hof van beroep de rechter niet ambtshalve de plicht heeft om getuigen te horen ter ondersteuning van de eis van de burgerlijke partij. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  46. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers II de appelrechters hebben gevraagd om getuigen te horen of te laten verhoren, wat zij hadden kunnen doen. In zoverre is het onderdeel nieuw en dus niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 267,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.