id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Op grond van artikel 88quater, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering is een verdachte strafbaar die, hoewel hij de toegangscode van een te doorzoeken informaticasysteem zoals een gsm-toestel kent, weigert de toegangscode mee te delen ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter; vereist is dat de opsporings- of onderzoeksinstantie op het moment van de gevraagde informatie het toestel reeds heeft opgespoord zonder het gebruik van dwang op de persoon en dat de vervolgende instantie aantoont dat de bedoelde persoon zonder redelijke twijfel de toegangscode kent; artikel 6 EVRM noch enig algemeen rechtsbeginsel beletten de strafbaarstelling en de bestraffing van een verdachte op grond van artikel 88quater, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1303.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.1, AC 2023, nr. 114, T. Strafr. 2023, 112 noot S. ROYER; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1086.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6, AC 2020, nr. 102, met concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 88quater, §§ 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 88quater, §§ 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 88quater, §§ 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 8 Noch artikel 6 EVRM noch het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces verzetten zich ertegen dat de rechter bij de schuldbeoordeling rekening houdt met het gegeven dat een beklaagde een leugenachtige verklaring aflegt om zich een alibi te verschaffen betreffende het tijdstip waarop de hem verweten feiten werden gepleegd; daarmee bestraft de rechter niet de wijze waarop de beklaagde zijn verdediging organiseert. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1157.N I S. C. C. V. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, II F. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tanja Smit, advocaat bij de balie Antwerpen. III S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, IV S. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, de cassatieberoepen I, III en IV tegen MED REPAIR nv, met zetel te 9130 Beveren (Kieldrecht), Sint-Antoniusweg, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 juni 2023. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, hoewel daartoe krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering verplicht. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser III, is het cassatieberoep III niet ontvankelijk. 2. Het arrest stelt vast dat de verweerster op basis van de feiten omschreven onder de telastlegging A.13 geen vordering meer stelt en het spreekt geen veroordeling uit ten voordele van de verweerster lastens de eiser IV. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep IV bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel Eerste onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest heeft ten onrechte het verzoek van de eiser I om K. als getuige à charge te horen op de rechtszitting verworpen zonder daartoe afdoende redenen op te geven; het past de beoordelingscriteria verkeerd toe; het feit dat een getuige niet wil worden verhoord, is geen afdoende reden; de verklaring van K. betreft een doorslaggevend element voor de veroordeling van de eiser I voor de feiten omschreven onder de telastlegging F; er zijn onvoldoende compenserende factoren; het gegeven dat het de eiser I niet wordt belet tegenspraak te voeren, volstaat niet. 4. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken, verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 5. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 6. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 7. In de regel zal de rechter aan de hand van deze criteria en in de vermelde volgorde beoordelen welke impact het niet-horen op de rechtszitting van een getuige heeft op het eerlijk proces. Dit sluit evenwel niet uit dat één of twee van die criteria van dermate overwegend belang kunnen zijn dat dit volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt. Dit sluit evenmin uit dat de drie criteria en de daarbij vermelde redenen elkaar kunnen versterken, vervolledigen of verduidelijken en ze desgevallend in hun onderling verband kunnen worden gelezen. 8. Hoewel niet decisief is het gegeven dat een getuige meermaals heeft geweigerd om te getuigen en hij heeft aangegeven niet te willen worden geconfronteerd met de beklaagde die zijn verhoor op de rechtszitting vraagt, een element waarmee de rechter rekening kan houden bij de beoordeling of er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige. 9. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met de aldus gepreciseerde criteria, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 10. Het Hof onderzoekt of de rechter die een verzoek tot het horen van een getuige à charge op de rechtszitting heeft afgewezen, de vermelde criteria juist heeft toegepast en of de redenen die de rechter heeft vermeld om de getuige niet te horen in overeenstemming zijn met de overige redenen van zijn beslissing. 11. Het arrest (p. 54-56) oordeelt met betrekking het verzoek van de eiser I tot het horen op de rechtszitting onder eed van K. als getuige à charge als volgt: - het recht van verdediging van de eiser I wordt rekening houdend met de totaliteit van de gevoerde strafvervolging niet miskend door het loutere feit dat hij niet wordt geconfronteerd met K. als getuige op de rechtszitting; - er zijn ernstige redenen om K. niet te horen als getuige ter rechtszitting omdat alle initiatieven zijn genomen om een confrontatieverhoor plaats te doen vinden tussen K. en de eiser I:
- i)zo werd K. reeds in eerste aanleg gedagvaard als getuige en liet hij weten niet aanwezig te zijn op de rechtszitting omdat hij niets met de eiser I te maken wilde hebben, waarbij hij naar de inhoud van zijn verklaring van 12 november 2019 verwees en stelde dat hij nooit iets met drugs te maken heeft gehad; en
- ii)zo weigerde K. gedurende de procedure in hoger beroep in te gaan op een uitnodiging tot politioneel confrontatieverhoor omtrent de herkomst of eigendom van de aangetroffen blok cocaïne in de woning van de eiser I; - dat de verklaring van K. niet het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring van de eiser I steunt, blijkt uit wat volgt:
- a)met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastlegging D.10, steunt, mede door overname van de redenen van de eerste rechter, de schuldigverklaring op het volgende: de analyse van de bewakingsbeelden waarop te zien is dat de eiser I samen met de eiser III in de nacht van 22 op 23 maart 2019 verschillende pakketten uit hun dienstvoertuig laadt en hiermee naar hun materiaalcontainer aan reeferzone 3 gaat; de login-gegevens; de resultaten van de huiszoeking bij MPET; de positieve huiszoeking bij de eiser I; de uitlezing van de gsm van de beklaagde F. en meer specifiek het bericht van 15 mei 2019 en de inhoud van het afgeluisterd gesprek met de beklaagde Z., waar duidelijk over de eiser I werd gesproken; de niet-betwisting ter rechtszitting van 4 mei 2023 door de eiser III van de feiten omschreven onder de telastlegging D.10 waarbij de handelingen in de bewuste nacht door de eiser I en de eiser III samen werden gesteld en betrekking hadden op de invoer, de uitvoer en het vervoer van een onbepaalde hoeveelheid cocaïne, minstens 20 kilogram;
- b)met betrekking tot de feiten omschreven onder telastlegging F, steunt, mede door overname van de redenen van de eerste rechter, de schuldigverklaring op het volgende: de resultaten van de huiszoeking waarbij een plastiek zak met een blok cocaïne van 1,204 kilogram, een potje met 50 gram cocaïne, een grote hoeveelheid cash geld, een geldtelmachine, een echte Rolexhorloge en een kniptang werden aangetroffen; de betrokkenheid van de eiser I bij de invoer; de wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen van de eiser I over de aangetroffen cocaïne bij hem thuis, waarbij de verwijzing naar K. louter een bewering is om zijn eigen schuld af te schuiven en het totaal ongeloofwaardig is dat een derde een blok cocaïne met een straatwaarde van ruim 60.000,00 euro onversneden zou verstoppen in een ladekast van de dressing van een kennis waar hij af en toe zou komen;
- c)met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastlegging G.14, steunt, mede door overname van de redenen van de eerste rechter, de schuldigverklaring op het volgende: de afgeluisterde gesprekken waar regelmatig over de eiser I wordt gesproken waaruit blijkt dat hij betrokken was binnen de organisatie en hij tegen betaling beschikbaar was voor de organisatie; de huiszoeking in de woning van de eiser I waarbij aanzienlijke geldsommen, een geldtelmachine, een potje van 50 gram cocaïne, 1,204 kilogram cocaïne in originele verpakking, een kniptang en een containernummer en de vermelding van geëncrypteerde toestellen werden gevonden; de zoeking in de wagen waarbij bewijzen van verschillende cashstortingen of betalingen en een simkaarthouder van een simkaart die werd gebruikt voor het versturen van geëncrypteerde berichten werden gevonden; de ongeloofwaardige verklaringen van de eiser I; het aantreffen van twee gsm-toestellen bij de arrestatie waarvan de eiser I de codes weigert te geven;
- d)met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastlegging H.1, steunt, mede door overname van de redenen van de eerste rechter, de schuldigverklaring op het aantreffen van twee gsm-toestellen bij arrestatie waarvan de eiser I op 9 juli 2019 de codes weigert te geven aan de onderzoekers, ondanks een uitdrukkelijk bevel daartoe van de onderzoeksrechter; - er zijn voldoende compenserende factoren in de vorm van procedurele waarborgen voor de eiser I aanwezig, aangezien hij kennis heeft kunnen nemen van en vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over alle stukken, waaronder het verhoor van K., zijn brief aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de omstandigheid dat de verdediging van de eiser I tijdens het vooronderzoek, voor de eerste rechter en in hoger beroep uitgebreid tegenspraak heeft kunnen voeren op het vlak van de in zijn woning aangetroffen cocaïne en cash gelden, alsmede de getapte gesprekken en andere belastende elementen van het dossier. 12. Het arrest verwijst bij de motivering van de schuldigverklaring van de eiser I aan de feiten omschreven onder de telastleggingen D.10, F, G.14 en H.1 niet naar de verklaring van K. 13. Uit het voormelde volgt dat de appelrechters de drie criteria bij hun beoordeling hebben betrokken en ze correct hebben toegepast, zodat hun beslissing K. als getuige op de rechtszitting niet te horen naar recht verantwoord is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging H.1, namelijk de in artikel 88quater Wetboek van Strafvordering opgenomen strafbaarstelling van de weigering gevolg te geven aan het bevel van de onderzoeksrechter om de toegangscode te verstrekken van zijn gsm’s; het arrest oordeelt dat dergelijke verplichting verenigbaar is met het zwijgrecht en het verbod op gedwongen zelfincriminatie; deze uit artikel 6 EVRM voortvloeiende rechten verbieden echter dat aan een verdachte een strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting wordt opgelegd om informatie te verstrekken die niet onafhankelijk bestaat van de wil van de verdachte; artikel 88quater Wetboek van Strafvordering is niet verenigbaar met het EVRM; het is daarbij zonder belang dat die weigering niet langer met gevangenisstraf maar slechts met een geldboete kan worden gestraft; aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Houdt artikel 88quater Wetboek van Strafvordering een schending in van artikel 6 EVRM en meer specifiek van het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen, gelet op het feit dat een code geen informatie betreft die onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat, zoals tevens volgt uit het toonaangevende arrest van het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten in de zaak Doe t. Verenigde Staten, en gelet op het feit dat artikel 88quater Wetboek van Strafvordering desalniettemin, op het moment dat eiser in cassatie zijn toegangscodes diende te geven een gevangenisstraf, en thans een geldboete, als dwangmiddel verbindt aan het niet meedelen van die code?” 15. Op grond van artikel 88quater, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering is een verdachte strafbaar die, hoewel hij de toegangscode van een te doorzoeken informaticasysteem zoals een gsm-toestel kent, weigert de toegangscode mee te delen ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter. Vereist is dat de opsporings- of onderzoeksinstantie op het moment van de gevraagde informatie het toestel reeds heeft opgespoord zonder het gebruik van dwang op de persoon en dat de vervolgende instantie aantoont dat de bedoelde persoon zonder redelijke twijfel de toegangscode kent. 16. Artikel 6 EVRM noch enig algemeen rechtsbeginsel beletten de strafbaarstelling en de bestraffing van een verdachte op grond van artikel 88quater, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering. 17. Daarbij is onder meer rekening te houden met wat volgt: - uit het arrest blijkt dat er aanwijzingen waren dat de eiser I betrokken was bij drugverkoop in België en over twee gsm’s beschikte bij arrestatie, waarvan hij weigerde de toegangscodes te geven en niet kon antwoorden op de vraag waarom hij op zijn werk twee gsm-toestellen bij zich had; - uit de stukken waarop het Hof mag acht slaan, blijkt niet dat er voor de appelrechters betwisting is gevoerd over het feit dat de politie de gsm’s heeft gevonden zonder dwang op de eiser I, dat hij de bedoelde toegangscodes kende of dat de van hem gevraagde informatie proportioneel was met het onderzoek naar de vermelde feiten; - het zwijgrecht en het recht zichzelf niet te incrimineren zijn niet absoluut en moeten worden afgewogen tegenover andere rechten zoals het recht op vrijheid en veiligheid gewaarborgd door artikel 5 EVRM en het verbod op rechtsmisbruik vermeld in artikel 17 EVRM; - het recht zichzelf niet te incrimineren strekt in de eerste plaats ertoe het recht op een eerlijk proces te vrijwaren door het uitsluiten van onjuiste verklaringen die onder dwang zijn afgelegd; - de toegangscode tot een informaticasysteem bestaat onafhankelijk van de wil van de persoon die kennis heeft van die code. Deze laatste blijft onveranderd ongeacht de mededeling ervan en komt in aanmerking voor onmiddellijke controle. Er bestaat geen risico op onbetrouwbaar bewijsmateriaal; - de toegangscode is neutraal en te onderscheiden van de eventueel incriminerende gegevens die door middel van het informaticasysteem te achterhalen zijn; - de gevraagde informatie en het gebruik van die informatie is beperkt. Zij slaan enkel op de toegangscode van een reeds opgespoord informaticasysteem dat zonder de gevraagde informatie onleesbaar is. Bovendien moet worden aangetoond dat de betrokkene die code kende. Het recht van de betrokkene om ten volle zijn verdediging te voeren over de achterhaalde gegevens blijft onverlet; - de huidige stand van de technologie maakt het zeer moeilijk tot zelfs onmogelijk om toegang te verkrijgen tot een informaticasysteem dat is beschermd door een versleutelingsapplicatie, terwijl dergelijke applicaties algemeen verkrijgbaar zijn. Bijgevolg is de gevraagde informatie noodzakelijk met het oog op de waarheidsvinding. 18. De schuldigverklaring van de eiser I aan de feiten omschreven onder de telastlegging H.1 is dan ook naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 19. Het Hof ziet geen reden voor het vragen van een raadgevend advies aan het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Tweede middel 20. Het middel voert schending aan van artikel 88quater, § 3, Wetboek van Strafvordering in samenhang gelezen met artikel 14 van de Wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis: het arrest oordeelt ten onrechte dat geen sprake meer is van dwang omdat thans enkel een geldboete en geen gevangenisstraf kan worden opgelegd; op het moment dat aan de eiser I werd gevraagd de toegangscodes te verstrekken, bestond de dwang door middel van een gevangenisstraf wel nog. 21. Het middel dat is gericht tegen een motief dat de bekritiseerde beslissing niet schraagt, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel 22. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging D.13, zonder evenwel te antwoorden op het in de appelconclusie gevoerde verweer over de betrouwbaarheid van de geluidsfragmenten van de directe afluistering, enerzijds, en de schriftelijke weergave daarvan, anderzijds. 23. Het arrest (p. 57-58) oordeelt als volgt: - de eiser II houdt in zijn appelconclusie tevergeefs voor dat het strafdossier niet zou aantonen wanneer en op welke wijze hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de telastlegging D.13 en dat de onderschepte communicaties niet zouden aantonen dat er met de verschafte informatie daadwerkelijk werd overgegaan tot het plegen van een misdrijf; - samen met de eerste rechter zijn de appelrechters van oordeel dat uit de onderschepte relevante communicaties en uit de resultaten van het strafonderzoek met betrekking tot telastlegging D.13 in hun onderlinge samenhang gelezen, boven elke redelijke twijfel blijkt dat de eiser II wetens en willens aan de uitvoering van de feiten omschreven onder de telastlegging D.13 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat het misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd zoals het in concreto heeft plaatsgevonden; - uit de gebruikte terminologie in deze communicaties, waarbij wordt gesproken over champagne (“we zij vandaag rijk”, “wij hebben da op video”, “da kan zijn maar het blijft 1000 kilo, “die heeft aan ons een half miljoen verdiend”), blijkt dat de deelnemers wel degelijk in de uitvoeringsfase van het misdrijf zitten (“3 minuten ? Die is bezig, 3 minuten ja, gij gaat zien direct zien dat die niet leeg is, anders had die al lang gestuurd, … ah jaja inderdaad, die is aant switchen, die in nu bezig zoals Django, zo met een kniptang zo”), en niet louter in de ‘overwegingsfase’ of de ‘voorbereidingsfase’, zoals de eiser II in zijn appelconclusie lijkt voor te houden. 24. De eiser II heeft zijn in het middel aangehaalde argumenten enkel aangevoerd tot staving van zijn verweer met betrekking tot de bewijswaarde van de afgeluisterde gesprekken. Met die argumenten heeft hij geen afzonderlijk middel beoogd. Met de redenen die het arrest bevat, verwerpt en beantwoordt het eisers II verweer, zonder dat het specifiek diende in te gaan op die loutere stavingsargumenten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 25. Voor het overige is het middel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Tweede middel 26. Het middel voert schending aan van artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat uit de onderschepte relevante communicaties van 8 mei 2019 en de overige resultaten van het strafonderzoek, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt dat de eiser II wetens en willens aan de uitvoering van de aan de orde zijnde feiten omschreven onder de telastlegging D.13 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd; het arrest miskent hierdoor de bewijskracht van het proces-verbaal AN.LB.055518/2019; het laat essentiële elementen uit deze akte weg, waardoor er onjuiste juridische gevolgen worden afgeleid uit de akte; uit het tijdstip en de inhoud van de communicaties blijkt dat de door de eiser II gegeven opmerkingen geen noodzakelijke hulp hebben uitgemaakt bij de totstandkoming en de uitvoering van het misdrijf; de gesprekken tonen aan dat het misdrijf al was gepleegd voorafgaand aan de communicaties, wat essentiële informatie is die het arrest niet in overweging neemt. 27. De rechter miskent de bewijskracht van een akte, indien hij van de akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Indien hij uit de akte louter een gevolg afleidt, is er geen miskenning van de bewijskracht van de akte. 28. Het arrest (p. 57-58) oordeelt dat uit de onderschepte relevante communicaties van 8 mei 2019 en de overige resultaten van het strafonderzoek met betrekking tot telastlegging D.13, in hun onderlinge samenhang gelezen, boven elke redelijke twijfel volgt dat de eiser II wetens en willens aan de uitvoering van de aan de orde zijnde feiten omschreven onder de telastlegging D.13 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd. Met dit oordeel geeft het arrest van de bedoelde stukken geen uitlegging, maar leidt het er louter een gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel 29. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser II wederrechtelijke vermogensvoordelen heeft behaald door lid te zijn van de criminele organisatie tussen 27 november 2018 en 13 mei 2019 en raamt het vermogensvoordeel in billijkheid op 150.000,00 euro, zonder evenwel te verwijzen naar de concrete gegevens in het strafdossier die zouden moeten toelaten om de omvang van die voordelen zo nauwkeurig mogelijk te bepalen; aldus ontstaat de indruk dat de bepaling willekeurig is. 30. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 31. Het arrest (p. 94-95) oordeelt als volgt: - de eerste rechter heeft de door de diverse beklaagden gegenereerde wederrechtelijke vermogensvoordelen naar redelijkheid en billijkheid bepaald, rekening houdend met de respectievelijk lastens de onderscheiden beklaagden bewezenverklaarde misdrijven, de resultaten van de huiszoekingen, alsook met artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek om geen onredelijk zware straf op te leggen en met de sommen die in de loop van het onderzoek in beslag werden genomen en gestort op rekening van het COIV; - de feiten omschreven onder de telastleggingen D.13 en G.3 werden bewezen verklaard lastens de eiser II; - de eiser II merkt terecht in zijn appelconclusie op dat de partij cocaïne, voorwerp van de feiten onder de telastlegging D.13, namelijk 1.345,90 kg cocaïne, door de politiediensten in beslag werd genomen zodat deze niet door de leden van de criminele organisatie kon worden verkocht en zij hieruit geen wederrechtelijke vermogensvoordelen konden genereren; - de eiser II maakt evenwel deel uit van de in kaart gebrachte criminele organisatie van 17 november 2018 tot 13 mei 2019, waarbij wordt aangenomen dat hij hierdoor wederrechtelijke vermogensvoordelen genereerde, los van het concrete invoeren of uithalen van de partijen cocaïne; - rekening houdend met de rol van de eiser II binnen de criminele organisatie, de grote winsten die de criminele organisatie met de diverse geslaagde uithalingen heeft gegenereerd en rekening houdend met de periode gedurende dewelke hij deel uitmaakte van de criminele organisatie, wordt het wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel in billijkheid bepaald op 150.000,00 euro. 32. Daaruit volgt dat het arrest zich voor het in billijkheid bepaalde vermogensvoordeel baseert op de beschikbare concrete dossiergegevens om de omvang van die voordelen zo nauwkeurig mogelijk te bepalen en aldus geen blijk geeft van willekeur. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III 33. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert de aan de eiser III opgelegde bestraffing met stereotiepe en niet-geïndividualiseerde overwegingen, die identiek zijn aan de overwegingen die worden gebruikt bij de medebeklaagden; die redenen kunnen even goed gelden bij de bestraffing van identieke misdrijven; daardoor wordt er blijk gegeven van automatisme. 34. Volgens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel. 35. Uit het enkele feit dat de rechter de straftoemeting voor meerdere beklaagden verantwoordt met dezelfde of gelijkaardige motieven, volgt niet dat die motivering stereotiep is en strijdig met de verplichting tot individualisering van de bestraffing. Dezelfde of gelijkaardige redenen kunnen immers gelden voor meerdere beklaagden die voor dezelfde, gelijkaardige of met elkaar in verband staande feiten worden vervolgd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 36. Het arrest (p. 84-85) houdt bij de bepaling van de aan de eiser III opgelegde bestraffing onder meer rekening met: - de bijzondere ernst van de feiten die langdurig en systematisch plaatsvonden; - de gevaren voor de volksgezondheid die uit de feiten voortvloeien; - de maatschappelijke overlast en randcriminaliteit die uit de feiten voortvloeien; - het streefdoel naar bijzonder grof en gemakkelijk geldgewin; - het grootschalige en internationale karakter van de gepleegde feiten in het kader van een criminele organisatie en vereniging. Specifiek voor wat de eiser III betreft, houdt het arrest (p. 85-88) bovendien rekening met: - zijn persoonlijke toestand, leeftijd, sociale toestand en persoonlijkheid voor zover deze uit het strafdossier, de behandeling ter rechtszitting en neergelegde stukken zijn gebleken; - zijn strafrechtelijk verleden waaruit blijkt dat hij eenmaal werd veroordeeld door de politierechtbank; - het grote aantal bewezen verklaarde feiten en de grote hoeveelheid cocaïne die hiervan het voorwerp zijn; - zijn rol en aandeel in de feiten. Hierbij vermeldt het arrest dat, gelet op deze elementen, een straf met gedeeltelijk uitstel geen gepaste bestraffing is voor de eiser III, omdat dit een onvoldoende krachtig en afradend signaal zou inhouden en de geldboete als doel heeft om de eiser III te raken in zijn vermogen om hem te doen inzien dat grof crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. 37. Met deze redenen motiveren de appelrechters op een nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan eiser III opgelegde bestraffing en de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser IV Eerste middel 38. Het middel voert schending aan van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser IV schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging G.22 wegens het deel uitmaken van een criminele organisatie, zonder de vaststelling dat de criminele organisatie waartoe hij zou behoren, gebruik heeft gemaakt van de methoden zoals omschreven in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek, namelijk intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of andere structuren die worden aangewend om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, en evenmin dat de eiser IV daarvan daadwerkelijke kennis had. 39. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen als volgt: - de telastlegging D.13 heeft betrekking op een uithaling van minstens 1.345,90 kg cocaïne die bij een controle door de douane werd onderschept; - uit afgeluisterde gesprekken bleek dat er 36 kartonnen of zakken moesten worden uitgehaald en er werd gesproken over een zuid-bak en een EU-bak betrekking hebbende op een switch; - E. als straddle-carrier chauffeur de container heeft verplaatst om de switch mogelijk te maken en hiervoor werd ingeschakeld en vergoed; - de switch was gelukt maar het was de organisatie niet gelukt om de container samen met de drugs uit de haven te krijgen door de tussenkomst van de douane; - het transport van de containers gebeurde door F., die opdracht kreeg van D.; - de vrachtwagen met de container deed een merkwaardig parcours waarbij op basis van de telefoontap kon worden vastgesteld dat F. onderweg nog instructies kreeg, mondeling en via telefoon, via D. en “L. zijn broer”; - A. gaf toe dat hij een vals account aanmaakte en daarmee de containernummer en bijhorende pincode had doorgestuurd naar D.; - de eiser IV wordt vervolgd voor zijn aanwezigheid bij de loods waar de bewuste container diende te worden gelost en zijn fysieke contactname met de chauffeur; - op 8 en 9 mei 2019 werden verschillende gesprekken gevoerd tussen eerste, tweede, derde en vierde beklaagde in eerste aanleg, die onder meer gingen over de eiser IV, zijnde “L. zijn broer” en dat deze gesprekken niet anders kunnen worden geïnterpreteerd; - uit deze gesprekken, gevoerd op een cruciale moment en die geen vrijblijvende communicatie zijn, blijkt de cruciale rol van onder meer de eiser IV; - uit de gesprekken kan duidelijk worden afgeleid dat de eiser IV voor zijn broer aan de loods op de uitkijk stond en de chauffeur verwittigde om weg te rijden, omdat hij mogelijks de politie had opgemerkt; - uit het telefonieonderzoek naar het gsm-nummer van de eiser IV blijkt bovendien dat het nummer gedurende de cruciale periode van de uithaling geen activiteit heeft, terwijl dit daarvoor en daarna wel het geval was, wat erop kan wijzen dat het toestel voor korte tijd werd uitgeschakeld, hetgeen voldoende tijd was om de verplaatsing naar de loods te Essen te maken; - het voorgaande nummer was rond de feiten van telastlegging D.13 aan meerdere IMEI-nummers gekoppeld, waaruit blijkt dat de eiser IV toen meerdere gsm’s in gebruik had; - de eiser IV weigerde tijdens zijn verhoor de uitlezing van zijn gsm door de politiediensten; - het alibi van de eiser IV, dat hij de nacht van de uithaling aan het werk zou zijn bij VOLVO Gent, klopte bovendien niet omdat hij vanaf 3 mei 2019 bij VOLVO Gent afwezig was en nadien het werk niet meer heeft hervat; - de voornoemde inschakeling bij de feiten van de telastlegging D.13 maakt de eiser IV lid van een criminele organisatie; - er bestaat aldus geen twijfel over dat de eiser IV zich van 13 april 2019 tot 13 mei 2019 met kennis van zaken volledig in de logica van de criminele organisatie had ingeschreven; - al de voorgaande elementen, in hun onderlinge samenhang gelezen, laten er geen twijfel over laten bestaan dat de eiser IV wetens en willens aan de uitvoering van de feiten van D.13 en G.22 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd, zoals het in concreto heeft plaatsgevonden. 40. Met die redenen, in hun onderlinge samenhang beschouwd, geeft het arrest te kennen dat de eiser IV wist dat de criminele organisatie, waarvan hij deel uitmaakte, gebruik maakte van de in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek beoogde methodes, namelijk listige kunstgrepen, bestaande in het gebruik van de switch-methode. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 41. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest heeft bij de beslissing over de schuld van de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastleggingen D.13 en G.22 rekening gehouden met de wijze waarop de eiser IV zich heeft verdedigd; het vermeend liegen door de eiser om zichzelf een alibi te verschaffen, wordt als een bewijselement à charge in aanmerking genomen. 42. Noch artikel 6 EVRM noch het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces verzetten zich ertegen dat de rechter bij de schuldbeoordeling rekening houdt met het gegeven dat een beklaagde een leugenachtige verklaring aflegt om zich een alibi te verschaffen betreffende het tijdstip waarop de hem verweten feiten werden gepleegd. Daarmee bestraft de rechter niet de wijze waarop de beklaagde zijn verdediging organiseert. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 43. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 562,71 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 140,68 euro zijn verschuldigd en de eiser IV 140,67 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div