id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.5 Rolnummer: P.23.1136.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 658 - laatst gezien 2026-06-15 06:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die toepassing maakt van artikel 42 Wegverkeerswet een beklaagde voorafgaandelijk uit te nodigen daarover verweer te voeren; de rechter en dus ook het appelgerecht zijn verplicht deze beveiligingsmaatregel te bevelen indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en de beklaagde moet bij de organisatie van zijn verdediging met dit gegeven rekening houden, ook als de beveiligingsmaatregel in eerste aanleg niet is bevolen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1136.N H. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 23 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 30 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het opeenvolgend rijden onder invloed van drugs niet eenzelfde misdadig opzet uitmaakt; het betreft immers dezelfde problematiek; dit levert een onjuiste motivering op en miskent eisers recht van verdediging; de eiser heeft zich niet kunnen verdedigen over de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet, die in eerste aanleg niet werd voorgesteld.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die toepassing maakt van artikel 42 Wegverkeerswet een beklaagde voorafgaandelijk uit te nodigen daarover verweer te voeren. De rechter en dus ook het appelgerecht zijn verplicht deze beveiligingsmaatregel te bevelen indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en de beklaagde moet bij de organisatie van zijn verdediging met dit gegeven rekening houden, ook als de beveiligingsmaatregel in eerste aanleg niet is bevolen.
- Artikel 30 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten die aan de rechter worden voorgelegd met twee afzonderlijke vervolgingen. Het gegeven dat het om gelijkaardige feiten gaat of dat die betrekking hebben op eenzelfde problematiek, verplicht de rechter niet eenheid van opzet aan te nemen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 42 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis is onjuist gemotiveerd; de eerste rechter heeft zich niet uitgesproken over de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet; de eiser heeft zich niet kunnen verweren betreffende de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet; de stelling als zou hij zich wel verweerd hebben is onjuist en blijkt ook niet uit eisers conclusies.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat het bestreden vonnis verkeerdelijk verwijst naar het beroepen vonnis, zonder de motivering in het bestreden vonnis betreffende de ongeschiktheid van de eiser om een motorvoertuig te besturen zelf te bekritiseren, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM en de artikelen 47bis en 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het adagium “in dubio pro reo”: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces werden gewaarborgd; de eiser werd immers niet verhoord en had geen contact met zijn advocaat, terwijl hij recht had op die bijstand; een advocaat was wel noodzakelijk gezien de foutieve controle van E.T.F.; de controle had geen betrekking op de eiser maar op de genaamde E.T.F.
- Uit de door het middel als geschonden aangevoerde bepalingen volgt niet dat hij aan wie op basis van de Wegverkeerswet een speekseltest en een speekselanalyse worden opgelegd, moet worden bijgestaan door een advocaat. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat er een foute controle is gebeurd, zonder evenwel het oordeel van de appelrechters te bekritiseren dat de drugprocedure wel degelijk bij de eiser werd uitgevoerd en de testresultaten wel degelijk op hem betrekking hadden, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div