id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OPLICHTING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan een rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te stellen; de krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat
(1); degene die het behoud nastreeft van een onrechtmatig voordeel, doet niet blijken van een rechtmatig belang
(2); de loutere omstandigheid dat de eiser tot schadevergoeding zich in een ongeoorloofde toestand bevindt, heeft echter niet tot gevolg dat hij niet kan bogen op de krenking van een rechtmatig belang
(3).
(1)Cass. 15 september 2015, AR P.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2, AC 2015, nr. 512 met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 7 oktober 2003, AR P.03.0422.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.9, AC 2003, nr. 482; Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1988-89, nr. 188 met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal.
(2)Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1988-89, nr. 188 met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2020, 84.
(3)Cass. 4 november 2022, AR C.21.0547.N, AC 2022, nr. 697 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.6; Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0317.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.2, AC 2022, nr. 188; Cass. 30 november 2020, AR C.20.0008.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201130.3F.4, AC 2020, nr. 730; Cass. 28 mei 2020, AR C.19.0288.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.6-C.19.0302.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.6, AC 2020, nr. 333; Cass. 8 maart 2018, AR C.17.0390.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3, AC 2018, nr. 163 met concl. van advocaat-generaal Ch. VANDEWAL; Cass. 15 september 2015, AR P.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2, AC 2015, nr. 512 met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1349.N
- I. A., beklaagde,
- E. A., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen N. A., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 september
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de telastlegging D (oplichting) bewezen lastens de eiser 1; het veroordeelt de eisers wegens onder meer die feiten tot schadevergoeding aan de verweerster en tot toewijzing aan de verweerster van een lastens de eiser 2 verbeurdverklaard bedrag; de oplichting heeft echter betrekking op gelden die de verweerster op onrechtmatige wijze heeft verkregen doordat zij samen met de eiser 1 misdrijven van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken heeft gepleegd om bij een kredietinstelling een lening te verkrijgen; de verweerster had zodoende geen eigendomsrecht of rechtmatig bezit over deze gelden, zodat zij haar niet toebehoorden.
- Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een zaak bedoeld in artikel 496 Strafwetboek, zoals van toepassing, door het gebruik van in dat artikel bepaalde bedrieglijke middelen, met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen. Het is voor het bewezen verklaren van dat wanbedrijf niet vereist dat degene aan wie de zaak in de zin van de vermelde bepaling toebehoort, daarvan eigenaar of rechtmatige bezitter is.
- Overeenkomstig artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering behoort de rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, aan hen die de schade hebben geleden.
- Wie door zijn fout schade aan een ander berokkent, is verplicht ze te vergoeden. Schade in de zin van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek bestaat in de aantasting van een belang of het verlies van een rechtmatig voordeel. Het veronderstelt dat het slachtoffer van de onrechtmatige daad zich in een minder gunstige situatie bevindt dan wanneer de fout niet was gepleegd. Die situatie kan zich voordoen wanneer door de fout van de dader het vermogen dat aan het slachtoffer ter beschikking staat, wordt verminderd. Daarvoor moet het slachtoffer niet noodzakelijk eigenaar of rechtmatige bezitter van dat vermogen zijn.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 17 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het bedrag van 81.963,77 euro dat de eiser van de bankrekening van de verweerster heeft afgenomen, schade van de verweerster uitmaakt die aanleiding geeft tot de veroordeling van de eisers tot schadevergoeding en de toewijzing van een lastens de eiser 2 verbeurdverklaard bedrag aan de verweerster, op grond van de overweging dat de schade van de verweerster erin bestaat dat dit bedrag deel uitmaakt van een geldlening die zij zelf in haar geheel moest terugbetalen; het arrest stelt echter vast dat de verweerster deze lening op grond van een misdrijf heeft verkregen; aldus kent het arrest aan de verweerster een vergoeding toe wegens een verlies van een onrechtmatig voordeel en voor een schade die zij zelf heeft veroorzaakt en die zij moet vergoeden.
- Het arrest stelt niet vast niet dat de verweerster schadevergoeding op grond van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek heeft moeten betalen aan de kredietinstelling wegens de misdrijven van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, die zij samen met de eiser 1 heeft gepleegd ten aanzien van die instelling. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan een rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te stellen. De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat.
- Degene die het behoud nastreeft van een onrechtmatig voordeel, doet niet blijken van een rechtmatig belang. De loutere omstandigheid dat de eiser tot schadevergoeding zich in een ongeoorloofde toestand bevindt, heeft echter niet tot gevolg dat hij niet kan bogen op de krenking van een rechtmatig belang. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 23-30, 37 en 42-46) oordeelt dat: - de eiser 1 listige kunstgrepen heeft gebruikt om het vertrouwen van de verweerster te winnen en haar zover te krijgen dat zij valse stukken ondertekende en gebruikte om een lening van 125.000,00 euro te verkrijgen met een hypotheek op haar woning, waarbij zij dacht dat het geld zou worden gebruikt in het kader van hun duurzame relatie, terwijl de eiser 1 dat nooit zinnens was en van in het begin wist dat hij dit geld voor hemzelf en zijn zoon zou gebruiken; - de eiser 1 de verweerster heeft overtuigd om de leningen aan te vragen wetende dat zij psychisch kwetsbaar was, heeft gezorgd voor de contacten en de stukken en de verweerster heeft overtuigd om een bankrekening te openen waarop hij volmacht en een kaart had; - de eiser 1 van de bankrekening van de verweerster voor in totaal 81.963,77 euro heeft afgehaald en dat geld heeft gebruikt voor zichzelf en de eiser 2, die een deel van dat geld mee heeft witgewassen; - de verweerster nadien achterbleef met een lening die ze niet kon afbetalen en haar huis heeft moeten verkopen.
- Voor het overige, in het bijzonder voor wat betreft het saldo van het door de verweerster geleende bedrag boven het totale bedrag dat de eiser 1 zich heeft toegeëigend, verklaart het arrest (p. 47, l.) de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster ongegrond omdat:“[de verweerster] zelf schuldig [is] aan de hoger vermelde valsheid en gebruik van valse stukken op grond waarvan de lening van 125.000,00 euro werd bekomen. Het bekomen van dit bedrag is geen schade die zij geleden heeft ingevolge de fouten van de andere beklaagden. Het is in feite een destijds door de bank geleden schade (die intussen normalerwijze vergoed is door de verkoop van de woning). Met dit bedrag van 125.000,00 euro werden deels reeds bestaande schulden betaald. Deze waren niet het gevolg van de thans bewezen verklaarde feiten. De uitvoeringskosten worden evenmin toegekend. [De verweerster] wist dat zij de voorgehouden beroepsinkomsten niet had en dat zij de lening niet zou kunnen afbetalen. De schade ontstaan door de witwasfeiten waaraan [de eiser 2] schuldig wordt verklaard, is begrepen in de vergoeding van 81.963,77 euro.”
- Met die redenen, waaruit blijkt dat de aan de verweerster toegekende schadevergoeding geen betrekking heeft op het behoud van een uit haar bedrog ontstane ongeoorloofde toestand, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond is ten belope van het in het arrest bepaalde bedrag. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten op 232,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.3 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201130.3F.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div