← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.8 Rolnummer: P.23.1610.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 678 - laatst gezien 2026-06-18 12:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 5.1.e EVRM volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt

(1); uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat een geïnterneerde geesteszieke die niet van zijn vrijheid is beroofd, het recht heeft om op grond van die bepaling binnen een redelijke termijn te worden geplaatst in een dergelijke instelling, noch dat hij na verloop van een zekere periode niet meer van zijn vrijheid kan worden beroofd wanneer dit noodzakelijk wordt geacht ter uitvoering van de interneringsmaatregel.
(1)Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1354.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.10, AC 2023, nr. 681; Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0582.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.8, AC 2020, nr. 441; Cass. 14 januari 2020, AR P.19.1305.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18, AC 2020, nr. 38, NC 2020,
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 59 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 62 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 59 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 62 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1610.N M. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Steven Van de Kerkhof, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 21 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Artikel 78 Interneringswet bepaalt op limitatieve wijze de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij waartegen cassatieberoep kan worden ingesteld. De beslissingen over uitgaansvergunningen worden daarbij niet vermeld. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over de uitgaansvergunningen, is het niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM en de artikelen 59 en 62 Interneringswet: de beslissing tot herroeping van de invrijheidstelling op proef wegens het niet-naleven van de voorwaarden en tot plaatsing van de eiser in een afdeling tot bescherming van de maatschappij is niet naar recht verantwoord; de eiser dient binnen een redelijke termijn te worden geplaatst in een aangepaste instelling; een wachttijd van meer dan vier maanden en zeker van meer dan zes maanden overstijgt de redelijke termijn, terwijl de eiser reeds sinds 18 januari 2022 definitief is geïnterneerd; na het overschrijden van de voormelde redelijke termijn, die eenmalig is, kan een geïnterneerde niet meer worden opgesloten in de gevangenis of in een niet-aangepaste instelling; de herroeping van de invrijheidstelling op proef en de plaatsing van de eiser in een afdeling tot bescherming van de maatschappij komt neer op een opsluiting in de gevangenis, zodat er, gelet op het disfunctioneren van het interneringssysteem in België, nooit enige behandeling zal worden opgestart en de mensenrechten van de eiser zullen worden miskend; de eiser heeft sedert het definitief worden van zijn internering éénmaal in de gevangenis verbleven, namelijk van 15 juni 2022 tot en met 21 juni 2022, waarbij hij voor het overige steeds onder voorwaarden stond, zoals eerst opgelegd door de onderzoeksrechter en de raadkamer en navolgend door de kamer voor de bescherming van de maatschappij; de eiser heeft een uitgebreid hulpverleningsnetwerk uitgebouwd maar werd door de onbehoorlijke organisatie van het zorgcircuit de toegang geweigerd tot bepaalde voorzieningen; de eiser kon van 21 tot 27 november 2023 in een hospitaal verblijven, welke aangepaste hulpverlening hem door de herroeping van de invrijheidstelling op proef wordt ontnomen, wat niet in het belang is van de eiser als geïnterneerde persoon noch in het belang van de samenleving; de invrijheidstelling op proef van de eiser vormt ook geen gevaar voor de maatschappij.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser, voorafgaand aan het vonnis, sinds het definitief worden van zijn internering ingevolge een beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij ter uitvoering van de internering van zijn vrijheid werd beroofd. De eiser voert integendeel aan dat hij sedert het definitief worden van zijn internering slechts éénmaal in de gevangenis heeft verbleven, namelijk naar aanleiding van een voorlopige aanhouding van 15 juni 2022 tot en met 21 juni
  6. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het vonnis een nieuwe opsluiting inhoudt, mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  7. Een door artikel 3, 4°, b), Interneringswet bedoelde inrichting of afdeling ter bescherming van de maatschappij waar een geïnterneerde op grond van artikel 19 Interneringswet kan worden geplaatst, is geen gevangenis.
  8. Uit artikel 5.1.e EVRM volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt. Uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat een geïnterneerde geesteszieke die niet van zijn vrijheid is beroofd, het recht heeft om op grond van die bepaling binnen een redelijke termijn te worden geplaatst in een dergelijke instelling, noch dat hij na verloop van een zekere periode niet meer van zijn vrijheid kan worden beroofd wanneer dit noodzakelijk wordt geacht ter uitvoering van de interneringsmaatregel.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser ingevolge de plaatsing in een afdeling tot bescherming van de maatschappij nooit enige behandeling zal krijgen en zijn mensenrechten zullen worden miskend, berust het op een hypothese of op een hypothetische toekomstige gebeurtenis en is het niet ontvankelijk.
  11. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel eveneens niet ontvankelijk. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser blijkens het bloedonderzoek door dr. T. is hervallen in druggebruik en dat hij in strijd met de voorgeschreven dagbesteding afwezig was op de lessen Frans, miskent de kamer voor de bescherming van de maatschappij de bewijskracht van verschillende stukken van het dossier, waaronder met name het verslag van dr. T. van 23 oktober 2023 en de aanwezigheidslijst en doktersattesten, gevoegd als stuk 7 van de op de rechtszitting van 16 november 2023 neergelegde stukkenbundel van de eiser, waardoor de beslissing tot herroeping van de invrijheidstelling op proef wegens het niet-naleven van de voorwaarden niet naar recht verantwoord is; het verslag van dr. T. moet worden samengelezen met de attesten van eisers behandelend psychiater, dr. R., gevoegd als stuk 4 van de op de rechtszitting van 7 september 2023 neergelegde stukkenbundel van de eiser, alsook met diens bevindingen, gevoegd als stuk 3 van de op de rechtszitting van 16 november 2023 neergelegde stukkenbundel van de eiser; uit die stukken blijkt dat de eiser niet is hervallen in druggebruik; zo ook blijkt uit de aanwezigheidslijst en doktersattesten, gevoegd als stuk 7 van de op de rechtszitting van 16 november 2023 neergelegde stukkenbundel van de eiser, dat de eiser op 7 november 2023 wel degelijk aanwezig was op de les Frans en dat zijn afwezigheid op de overige lessen werd verantwoord door doktersattesten.
  13. In zoverre het middel de schending aanvoert van niet nader gespecificeerde stukken van het dossier, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  14. In zoverre het middel formeel miskenning van de bewijskracht van het verslag van dr. T. van 23 oktober 2023 aanvoert, komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van dat verslag. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  15. Het vonnis (p. 11) verwijst voor het oordeel dat de eiser zich liet inschrijven voor de Franse les maar nog geen enkele keer hierop aanwezig was geweest, naar het meldingsverslag van de justitieassistente van 9 november
  16. Het verwijst hiervoor niet naar de aanwezigheidslijst en doktersattesten, gevoegd als stuk 7 van de op de rechtszitting van 16 november 2023 neergelegde stukkenbundel van de eiser en kan bijgevolg de bewijskracht daarvan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.