← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 De wetgever heeft aan de strafuitvoeringsrechtbank opgedragen te oordelen of de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen, waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, zich verzetten tegen de toekenning van een door een veroordeelde gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit; noch uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch uit artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden kan worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank die vaststelt dat een door een levenslang veroordeelde gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet kan worden toegekend gelet op de aanwezigheid van één of meerdere van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen, zich bovendien moet uitspreken over een individueel detentieplan

(1).
(1)Cass. 2 mei 2023, AR P.23.0513.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.15, AC 2023, nr. 322. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden - 12-01-2005 - Art. 9, § 3 - 39 ELI link Pub nr 2005009033 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden - 12-01-2005 - Art. 9, § 3 - 39 ELI link Pub nr 2005009033 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1621.N M. P. P. V. G., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 20 november

  1. De eiser voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memories
  2. De raadsman van de eiser heeft op 4 december 2023 een memorie ingediend die betrekking heeft op het bestreden vonnis, maar waarin als eiser een andere veroordeelde wordt vermeld. Op 5 december 2023 heeft de raadsman een gelijkluidende “verbeterende” memorie ingediend, maar ditmaal met vermelding van de naam van de eiser.
  3. De tweede memorie werd ingediend buiten de in artikel 97, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalde termijn van vijf dagen na het instellen van het cassatieberoep, welke een einde nam op maandag 4 december
  4. Die memorie is bijgevolg laattijdig en onontvankelijk.
  5. Het Hof stelt vast dat de eerste en tijdig ingediende memorie, hoewel ze bij materiële vergissing niet de naam van de eiser vermeldt, wel degelijk uitgaat van de eiser. Het Hof neemt die memorie in aanmerking. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. Het vonnis wijst eisers op grond van artikel 59 Wet Strafuitvoering geformuleerd verzoek tot het verkrijgen van uitgaansvergunningen af. Dat is geen beslissing waartegen overeenkomstig artikel 96, eerste lid, Wet Strafuitvoering cassatieberoep openstaat. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Middelen
  7. Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering en artikel 9, § 3, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (hierna Basiswet Rechtspositie Gedetineerden): het vonnis oordeelt ten onrechte dat het uitwerken van een individueel detentieplan de verantwoordelijkheid is van het gevangeniswezen; de strafuitvoeringsrechtbank moet zich wel degelijk uitspreken over het individueel detentieplan dat de eiser moet uitwerken; de strafuitvoeringsrechtbank moet immers de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenindicaties beoordelen; zo wordt de eiser de kans geboden om tegemoet te komen aan deze tegenindicaties, wat des te meer noodzakelijk is omdat de strafuitvoeringsrechtbank vaststelt dat er twijfel bestaat over de vraag of de eiser ooit een effectieve kans zal krijgen op reclassering. Het tweede middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het vonnis had moeten vaststellen dat artikel 3 EVRM is geschonden; het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is slechts verenigbaar met die verdragsbepaling indien er een kans op vrijlating en een mogelijkheid tot herziening zijn; het vonnis stelt niet vast dat aan rehabilitatie wordt gewerkt en dat de mogelijkheid bestaat dat de eiser ooit vrijkomt; het vonnis stelt integendeel vast dat door de psychosociale dienst (PSD) wordt betwijfeld of de eiser wel over voldoende draagkracht en copingmogelijkheden beschikt om een leven buiten de gevangenismuren aan te kunnen zonder opnieuw in een risicosituatie te verzeilen; aan de eiser wordt geen effectieve mogelijkheid geboden tot vrijlating.
  8. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt niet “dat er zelfs twijfel bestaat of [de eiser] ooit een effectieve kans kan (zal) krijgen om te kunnen reclasseren”. Het oordeelt wel als volgt: “Er wordt door de PSD getwijfeld of [de eiser] wel over voldoende draagkracht en copingmogelijkheden beschikt om een leven buiten de gevangenismuren aan te kunnen zonder opnieuw in een risicosituatie verzeild te geraken.” In zoverre berusten de middelen op een onjuiste lezing van het vonnis en missen ze feitelijke grondslag.
  9. Artikel 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze bepaling wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in onder meer het arrest Murray t. Nederland van 26 april 2016 (Grote Kamer, verzoekschrift nr. 10511/10) als volgt uitgelegd: - het verdrag zelf garandeert geen recht op rehabilitatie (ro 103) en de nationale overheden zelf zijn niet verantwoordelijk voor een daadwerkelijke rehabilitatie van een veroordeelde (ro 104); - niettemin rust op de nationale overheden de verplichting te verzekeren dat ook levenslang veroordeelden de mogelijkheid krijgen om zich te rehabiliteren (ro 103 en ro 104) en dit als cruciaal onderdeel van de vereiste van de feitelijke reduceerbaarheid van een levenslange gevangenisstraf (ro 108); - dit houdt geen resultaatsverbintenis maar een middelenverbintenis in, waarbij ermee rekening moet worden gehouden dat de door het verdrag toegekende rechten niet louter theoretisch of illusoir mogen zijn, maar wel praktisch en effectief moeten zijn (ro 104); - aan een levenslang veroordeelde moet een realistische kans worden geboden om rekening houdend met de beperkingen inherent aan een gevangeniscontext vooruitgang te boeken op het vlak van rehabilitatie, zodat hij kan hopen op een dag in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling (ro 103); - dit doel zou kunnen worden bereikt door het opzetten van een individueel en regelmatig bijgewerkt programma dat de veroordeelde ertoe aanzet zichzelf te ontwikkelen tot een persoon met een verantwoordelijk en misdrijfvrij leven (ro 103); - wat betreft levenslang veroordeelden met gedragsproblemen of een persoonlijkheidsstoornis is een onderzoek noodzakelijk teneinde te bepalen welke behandeling kan bijdragen tot rehabilitatie of het verminderen van het recidivegevaar (ro 108); - indien dit onderzoek leidt tot de conclusie dat een behandeling of therapie van aard is om bij te dragen tot de rehabilitatie van de veroordeelde dan moet de betrokkene daartoe de kans krijgen, weliswaar rekening houdend met de beperkingen inherent aan een gevangeniscontext (ro 108); - de nationale overheden voldoen aan de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende verplichting indien wordt voorzien in behandelingen die de levenslang veroordeelde in staat moeten stellen te rehabiliteren, zelfs als blijkt dat de betrokkene onvoldoende is verbeterd zodat hij nog steeds een zodanig gevaar oplevert dat een vrijlating onder voorwaarden verhindert. De nationale overheden hebben immers ook de verdragsrechtelijke verplichting het publiek te beschermen tegen ernstige misdrijven en de daaruit voortvloeiende verplichting levenslang veroordeelden gevangen te houden zolang ze gevaarlijk zijn (ro 111); - samengevat komt het erop neer dat een levenslang veroordeelde moet worden opgesloten in zodanige omstandigheden en een zodanige behandeling moet genieten dat hij een realistische mogelijkheid heeft om zichzelf te rehabiliteren zodat hij kans heeft op een vrijlating (ro 112).
  10. Artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden bepaalt dat de veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld constructief mee te werken aan de realisering van het individueel detentieplan, bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, dat wordt opgesteld met het oog op een schadebeperkende, op het herstel en op re-integratie gerichte en veilige uitvoering van de vrijheidsstraf.
  11. De wetgever heeft aan de strafuitvoeringsrechtbank opgedragen te oordelen of de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen, waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, zich verzetten tegen de toekenning van een door een veroordeelde gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit.
  12. Noch uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch uit artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden kan worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank die vaststelt dat een door een levenslang veroordeelde gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet kan worden toegekend gelet op de aanwezigheid van één of meerdere van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen, zich bovendien moet uitspreken over een individueel detentieplan.
  13. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  14. Het vonnis oordeelt als volgt: - de eiser werd op 15 juni 2006 door het hof van assisen veroordeeld tot levenslange opsluiting wegens moord op zijn buurvrouw, nadat hij eerder, in 1989, werd veroordeeld tot twaalf jaar dwangarbeid voor doodslag op zijn moeder; - de persoonlijkheid van de eiser wordt door de PSD van de gevangenis als een belangrijke criminogene factor aangehaald, waarbij onder meer wordt verwezen naar zijn pathologisch wantrouwen, een beperkt of empathisch vermogen en de aanwezigheid van negatieve impulsen; - de eerder uitgevoerde testen, welke in het grondig psychosociaal verslag van de PSD van 25 augustus 2014 werden beschreven, wijzen op een persoonlijkheidsstoornis cluster A van het paranoïde type; - deze persoonlijkheidsstoornis houdt onder meer een starre denkwijze in, angst, kwetsbaarheid en achterdocht, waarvoor veelal naar een verklaring in externe oorzaken wordt gezocht; - de door de eiser ervaren dreiging en angst kan door hem worden omgezet in woede, wat criminogenetisch van belang is; - daarnaast worden een aantal elementen uit zijn kinderjaren van criminogenetisch belang geacht: parentificatie, zichtbare rolomkeringen vanuit loyaliteit naar de ouder(s) toe, jarenlang seksueel misbruik door een oom en de onverwerkte rouw bij het overlijden van de grootmoeder; - de PSD wijst op het gegeven dat het onmogelijk is om in het kader van een risicopreventie eventuele destabiliserende factoren te onderbouwen omdat het geen objectieve factoren betreffen maar factoren uit de belevingswereld van de eiser; - bij stresssituaties blijkt de eiser een zeer paranoïde gedachtegang te ontwikkelen, waardoor hij de band met de realiteit dreigt te verliezen; - er wordt door de PSD getwijfeld of de eiser wel over voldoende draagkracht en copingmogelijkheden beschikt om een leven buiten de gevangenismuren aan te kunnen zonder opnieuw in een risicosituatie verzeild te geraken.
  15. Uit die motivering volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank de persoonlijkheid en de sociale gevaarlijkheid van de eiser opnieuw heeft beoordeeld in het licht van de beschikbare gegevens en op basis daarvan concludeert dat er op het ogenblik van de beslissing geen realistische mogelijkheid bestaat tot rehabilitatie. Een dergelijk oordeel houdt geen schending in van artikel 3 EVRM. De beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 december 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.