← België

GEMEENTE DE PANNE contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2 Rolnummer: F.22.0138.N Zaak: GEMEENTE DE PANNE contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-01-12 Raadplegingen: 1255 - laatst gezien 2026-06-18 17:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vertaling in voorbereiding Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.2 Fiches 1 - 3 De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan niet eraan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 4 - 6 In het kader van de beoordeling door de rechter of er voor een door de overheid gemaakt onderscheid tussen belastingplichtigen een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, kan van die overheid niet worden gevergd dat zij het bewijs moet leveren dat dit onderscheid of de afwezigheid ervan berust op zekere en vaststaande feiten of dat het gemaakte onderscheid noodzakelijk bepaalde gevolgen heeft; het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat er voor het gemaakte onderscheid een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Fiche 7 Zowel vaste inwoners als tweedeverblijvers moeten in redelijkheid worden geacht van de gemeentelijke voorzieningen te genieten en er bestaat derhalve geen redelijke grond om de kosten tot dekking waarvan de eiseres een belasting op tweede verblijven heft, uitsluitend ten laste van de eigenaars van tweede verblijven te leggen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Fiches 8 - 10 Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet te beoordelen, moet eerst worden onderzocht of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn; die beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veronderstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden behandeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het vergelijkingspunt moet nagaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 11 - 12 Het gelijkheidsbeginsel vereist in principe dat een belasting die tot doel heeft de financiële gevolgen verbonden aan een aanpassing van de gemeentelijke en veiligheidsvoorzieningen te verhalen, gevestigd wordt zowel ten aanzien van zij die een wooneenheid hebben waarop een inschrijving werd genomen in de gemeente als ten aanzien van zij die er een wooneenheid hebben waarop geen inschrijving werd genomen, aangezien deze categorieën personen zich gelet op het doel en de aard van de belasting in principe in een gelijke situatie bevinden en in principe gelijk moeten worden behandeld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2024, nr. 1825, p. 1-
  1. - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Noot'Nieuwe tweedeverblijfstaks Koksijde sneuvelt dan toch weer' Tekst van de beslissing Nr. F.22.0138.N GEMEENTE DE PANNE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoor te 8660 De Panne, Zeelaan 21, eiseres, met als raadslieden mr. Steven Michiels en mr. Nathalie Wouters, advocaten bij de balie provincie Antwerpen, beiden met kantoor te 2800 Mechelen, Antwerpsesteenweg 16-18, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  2. M.V., ,
  3. C.V., , verweerders, met als raadsman mr. Alexander Delafonteyne, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8020 Oostkamp, Hertsbergsestraat
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 21 december
  5. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 9 oktober 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  6. De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan niet eraan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
  7. In het kader van de beoordeling door de rechter of er voor een door de overheid gemaakt onderscheid tussen belastingplichtigen een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, kan van die overheid niet worden gevergd dat zij het bewijs moet leveren dat dit onderscheid of de afwezigheid ervan berust op zekere en vaststaande feiten of dat het gemaakte onderscheid noodzakelijk bepaalde gevolgen heeft. Het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat er voor het gemaakte onderscheid een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan.
  8. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiseres een belasting op tweede verblijven heeft ingevoerd, onder meer op basis van de volgende motivering: “Het gemeentebestuur heeft de laatste jaren grote investeringen gedaan om het openbaar domein te verfraaien. Deze komen globaal genomen ook de eigenaars van een wooneenheid zonder domicilie ten goede. De investeringen op het (…) en in de (…) betreffen echter zones, waarin er nauwelijks vaste bewoning is en waar het grootste deel van de verblijfsgelegenheden gebruikt worden als wooneenheid zonder domicilie. Het onderhoud van het openbaar domein, de natuur- en groengebieden en het strand vergt een grote financiële inspanning. De frequentie van de huisvuilophaling wordt tijdens de vakantie verhoogd, specifiek in de commerciële assen, de (…). De bijkomende ophalingen worden georganiseerd ten bate van de vele wooneenheden zonder domicilie, die tijdens de vakantieperioden worden bewoond. Het merendeel van de wooneenheden zonder domicilie situeert zich immers in deze zone. Buiten de vakantieperioden zijn de zones, waarin voornamelijk wooneenheden zonder domicilie liggen, minder gefrequenteerd. Om de veiligheid te waarborgen is meer politietoezicht nodig. Hiervoor moeten de nodige financiële middelen ter beschikking worden gesteld.”
  9. De appelrechter oordeelt vooreerst dat: - er moet worden aangenomen dat de kosten voor de investeringen voor de verfraaiing alsook het onderhoud van het openbaar domein en de aanpassing van de gemeentelijke en veiligheidsvoorzieningen in principe ten goede komen zowel aan de eigenaars van een wooneenheid waarop een inschrijving werd genomen als aan de eigenaars die er een tweede verblijf hebben; - die investeringen en voorzieningen in hun geheel de identiteit, authenticiteit en aantrekkelijkheid van de gemeente bevorderen, waarvan eenieder die zich op het grondgebied van de eiseres bevindt, kan genieten, en een meerwaarde voor de huurwaarde van de private wooneenheid opleveren; - de voorzieningen en veiligheidsmaatregelen aan elk van die personen in gelijke mate worden geacht ten goede te komen, als gevolg waarvan elk van die personen in gelijke mate in de kosten ervan zou moeten tussenkomen; - er daarbij, gelet op de aard van de kosten en investeringen die de gemeente door de eigenaars van wooneenheden zonder domicilie wenst mee te laten dragen, niet zonder meer kan worden aangenomen dat tweede verblijven meer of minder kosten en investeringen veroorzaken dan de verblijven van inwoners van de gemeente; - het redelijk is om aan te nemen dat elke verblijfplaats in een kustgemeente aanleiding geeft tot een relatief gelijkaardige kost aan gemeentelijke en veiligheidsvoorzieningen, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang een inschrijving is genomen op deze verblijfplaats; - de eiseres niet aannemelijk maakt dat de eigenaars van wooneenheden waarop geen inschrijving werd genomen, meer dan andere aanleiding geven tot het maken van kosten voor toezicht en medewerking van de gemeentelijke diensten, noch dat deze daaruit meer voordeel halen of daarvan gebruik maken; - waar de eiseres dit bewijs inderdaad niet effectief moet leveren, er niettemin wel in redelijkheid een objectieve verantwoording voor een onderscheiden behandeling moet blijken te bestaan. 27Vervolgens oordeelt de appelrechter dat: - waar de argumentatie van de eiseres erop neerkomt dat de specifieke meerkost van de dienstverlening inzake veiligheid en anderszins die door tweedeverblijvers wordt veroorzaakt, door de belasting op wooneenheden zonder domicilie wordt gefinancierd, dit niet objectief ondersteund wordt door de stukken door de eiseres neergelegd; - integendeel, gelet op de afwezigheid van aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting, de belasting op wooneenheden zonder domicilie, naast de andere gemeentebelastingen en -retributies en de opcentiemen op de onroerende voorheffing die zonder onderscheid van toepassing zijn op eenieder die in de gemeente een onroerend goed heeft, de belangrijkste fiscale inkomstenbron voor de financiering van de uitgaven van de gemeente is; - deze uitgaven moeten geacht worden geenszins enkel de meerkost veroorzaakt door de tweedeverblijvers te omvatten, doch wel de algemene dienstverlening zoals die toegankelijk is voor iedereen.
  10. Met deze redenen, waarmee de appelrechter oordeelt dat zowel vaste inwoners als tweedeverblijvers in redelijkheid moeten worden geacht van de gemeentelijke voorzieningen te genieten en dat er derhalve geen redelijke grond bestaat om de kosten tot dekking waarvan de eiseres een belasting op tweede verblijven heft, uitsluitend ten laste van de eigenaars van tweede verblijven te leggen, verantwoordt hij naar recht zijn beslissing dat het belastingreglement op tweede verblijven het gelijkheidsbeginsel schendt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  11. De appelrechter oordeelt dat de eiseres ‘niet aannemelijk maakt dat’ de eigenaars van wooneenheden waarop geen inschrijving werd genomen, meer dan andere aanleiding geven tot het maken van kosten voor toezicht en medewerking van de gemeentelijke diensten, noch dat deze daaruit meer voordeel halen of daarvan gebruik maken. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechter het belastingreglement van de eiseres strijdig verklaart met het gelijkheids- en antidiscriminatiebeginsel op grond dat ‘niet is aangetoond dat’ de eigenaars van wooneenheden zonder domicilie meer dan andere aanleiding geven tot het maken van kosten voor toezicht en medewerking van de gemeentelijke diensten of dat zij daaruit meer voordeel halen of daarvan gebruik maken, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  12. Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet te beoordelen, moet eerst worden onderzocht of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn. De beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veronderstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden behandeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het vergelijkingspunt moet nagaan.
  13. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel in principe vereist dat een belasting die tot doel heeft de financiële gevolgen verbonden aan een aanpassing van de gemeentelijke en veiligheidsvoorzieningen te verhalen, gevestigd wordt zowel ten aanzien van zij die een wooneenheid hebben waarop een inschrijving werd genomen in de gemeente als ten aanzien van zij die er een wooneenheid hebben waarop geen inschrijving werd genomen, aangezien deze categorieën personen zich gelet op het doel en de aard van de belasting in principe in een gelijke situatie bevinden en in principe gelijk moeten worden behandeld. Aldus verantwoordt de appelrechter naar recht zijn beslissing dat, gelet op het doel van het belastingreglement, de eigen inwoners van de gemeente vergelijkbaar zijn met de eigenaars van woonheden zonder domicilie. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eigen inwoners van de gemeente niet vergelijkbaar zijn met de eigenaars van wooneenheden zonder domicilie, kan het niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 552,36 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Sidney Berneman en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 december 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.