id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.7 Rolnummer: F.22.0033.N Zaak: HET VLAAMS GEWEST contra DS COM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-01-12 Raadplegingen: 711 - laatst gezien 2026-06-17 04:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vertaling in voorbereiding Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.7 Fiche Uit de samenhang van de artikelen 2.9.7.0.3, § 2, en 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF en de wetsgeschiedenis van dat laatste artikel volgt dat de betreffende verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar nadat de opschortende voorwaarde waaraan de eerste overeenkomst is onderworpen, is vervuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.9.7.0.3 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.6.0.0.6 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: AFT-Algemeen fiscaal tijdschrift - 2024, nr. 4, p. 29-
- - SPRUYT, Eric; Noot'Minnelijke ontbinding compromis en tarief van 10 euro via ontheffing: Cassatie hakt knoop door inzake berekening termijnen' Tekst van de beslissing Nr. F.22.0033.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0316.380.841, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen DS COM nv, met zetel te 1830 Machelen, Budasteenweg 26, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0461.863.322, verweerster, met als raadslieden mr. Tim Melis en mr. Alexandre Missal, advocaten bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1831 Diegem, Berkenlaan 8A bus 4 - Greenhouse BXL. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 november
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 30 november 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 2.9.7.0.3, § 2, VCF bepaalt dat op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, het verkooprecht alleen wordt geheven als de voorwaarde is vervuld. Artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF bepaalt dat het bevoegde personeelslid ontheffing van de registratiebelasting verleent op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, onder meer wanneer alle partijen die betrokken zijn bij een overeenkomst waarop het verkooprecht van toepassing is, verklaren deze overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd, of verklaren dat een voorwaarde die uitdrukkelijk bedongen is in de overeenkomst, al is vervuld. Die verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst.
- Uit de samenhang van deze wetsbepalingen en de wetsgeschiedenis van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF volgt dat de betreffende verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar nadat de opschortende voorwaarde waaraan de eerste overeenkomst is onderworpen, is vervuld.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster op 7 december 2005 een onderhandse akte heeft ondertekend om een onroerend goed te kopen; - de verkoopovereenkomst werd gesloten onder de opschortende voorwaarde dat een positief bodemattest zou worden verkregen; - het duurde tot 19 november 2014 tot een positief bodemattest voor het onroerend goed werd afgeleverd; - er geen betwisting bestaat dat de dadingsovereenkomst van 9 september 2015 een verklaring bevat uitgaande van de beide contractpartijen bij de oorspronkelijke koop-verkoopovereenkomst van 7 december 2005, waarmee ze die overeenkomst in der minne ontbinden; - die dading op 21 september 2017 werd geregistreerd; - om de toe te passen wetgeving te kennen, rekening moet worden gehouden met de datum van de vervulling van de voorwaarde; - de betrokken contractpartijen een minnelijke ontbinding van een koopakte hebben vastgesteld na de vervulling van de opschortende voorwaarde; - anders dan wat de eiser aanvoert, rekening moet worden gehouden met de wetgeving op dat ogenblik en niet met de wetgeving op het ogenblik van het sluiten van de koopakte; - volgens artikel 2.9.7.0.3, § 2, VCF op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, het verkooprecht alleen wordt geheven als de voorwaarde is vervuld; - tegen die achtergrond, artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF in die zin moet worden begrepen dat de verklaring van minnelijke ontbinding moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van het zich vervullen van de opschortende voorwaarde waarvan de eerste overeenkomst afhankelijk was; - de termijn van een jaar die in diezelfde wetsbepaling is voorzien, dus beginnen lopen is vanaf het moment waarop het bodemattest werd uitgereikt, zijnde 19 november 2014; - de tekst van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF zeer duidelijk is en dus niet voor interpretatie vatbaar is, zodat het volstaat dat de overeenkomst met de verklaring tot minnelijke ontbinding gedateerd is binnen het jaar na het zich voltrekken van de opschortende voorwaarde van de eerste overeenkomst, dus binnen het jaar na 19 november
- De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat aan de termijnvoorwaarde van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF is voldaan, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat artikel 1181 Oud Burgerlijk Wetboek is geschonden omdat de appelrechter ontkent dat de overeenkomst hangende de opschortende voorwaarde bestaat, terwijl uit de voormelde redenen blijkt dat de appelrechter het bestaan van de overeenkomst hangende de opschortende voorwaarde erkent, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter artikel 2.9.7.0.3, § 2, VCF naar analogie “toepast”, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 328,25 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Eric Van Dooren, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 21 december 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div