← België

B. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.9 Rolnummer: F.22.0013.N-F.22.0056.N Zaak: B. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 1373 - laatst gezien 2026-06-16 08:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Artikel 313, tweede lid, WIB92 verhindert niet dat de belastingplichtige die ervoor heeft geopteerd om de roerende inkomsten niet aan te geven, terugbetaling vordert van de roerende voorheffing die geheel of gedeeltelijk ten onrechte werd ingehouden en doorgestort aan de schatkist. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 313 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Uit het gebruik van de bewoordingen “aanvraag tot terugbetaling” en “verjaart”, en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 368 WIB92 een verjaringstermijn heeft willen instellen binnen dewelke de rechtsvordering tot terugbetaling van onterecht betaalde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing uiterlijk moet worden ingesteld in het geval de voorheffingen niet werden ingekohierd en evenmin een kennisgeving van de inning ervan geschiedde zodat er geen administratieve beslissing bestaat waartegen bezwaar kan worden aangetekend. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BELASTINGZAKEN - Inkomstenbelastingen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 368 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0013.N 1. F.B., 2. F.V., eisers, met als raadslieden mr. Jan Sandra en mr. Dries Verhaeghe, advocaten bij de balie West-Vlaanderen, beiden met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 41, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-Generaal-Directeur Centrum KMO Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. II Nr. F.22.0056.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-Generaal-Directeur Centrum KMO Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest. tegen 1. F.B., 2. F.V., verweerders, met als raadslieden mr. Jan Sandra en mr. Dries Verhaeghe, advocaten bij de balie West-Vlaanderen, beiden met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 41, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 maart 2021. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 30 november 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL In de zaak F.22.0013.N voeren de eisers in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. In de zaak F.22.0056.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging 1. De cassatieberoepen in de zaken F.22.0013.N en F.22.0056.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak F.22.0013.N (…) C. Zaak F.22.0056.N 7. Krachtens artikel 313, eerste lid, WIB92, zoals hier van toepassing, is de aangifte in de personenbelasting van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen waarvoor roerende voorheffing is gekweten, facultatief, behalve voor de in fine van deze bepaling opgesomde uitzonderingen. Artikel 313, tweede lid, WIB92 bepaalt dat de roerende voorheffing op de aldus niet aangegeven inkomsten noch met de personenbelasting wordt verrekend, noch terugbetaald. Deze bepaling verhindert niet dat de belastingplichtige die ervoor heeft geopteerd om de roerende inkomsten niet aan te geven, terugbetaling vordert van de roerende voorheffing die geheel of gedeeltelijk ten onrechte werd ingehouden en doorgestort aan de schatkist. 8. Artikel 368 WIB92, zoals hier van toepassing, bepaalt dat, bij gebrek aan een kennisgeving van de inning van de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing op een andere wijze dan per kohier, de aanvraag tot terugbetaling van deze voorheffingen die ten onrechte in de schatkist werden gestort, verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar waarin deze voorheffingen gestort zijn geweest. Uit het gebruik van de bewoordingen “aanvraag tot terugbetaling” en “verjaart”, en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met deze bepaling een verjaringstermijn heeft willen instellen binnen dewelke de rechtsvordering tot terugbetaling van onterecht betaalde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing uiterlijk moet worden ingesteld in het geval de voorheffingen niet werden ingekohierd en evenmin een kennisgeving van de inning ervan geschiedde zodat er geen administratieve beslissing bestaat waartegen bezwaar kan worden aangetekend. 9. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat in het geval waarin de roerende voorheffing niet werd ingekohierd en er geen kennisgeving van de inning ervan geschiedde, een vordering tot terugbetaling van onterecht ingehouden roerende voorheffing met toepassing van artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek slechts ontvankelijk is indien voorafgaand een administratieve bezwaarprocedure werd uitgeput, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Voegt de zaken F.22.0013.N en F.22.0056.N. Verwerpt het cassatieberoep in de zaak F.22.0013.N. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 251,98 euro. Verwerpt het cassatieberoep in de zaak F.22.0056.N. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 689,32 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Eric Van Dooren, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 21 december 2023 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.9 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.