← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.1 Rolnummer: P.23.1708.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-02-02 Raadplegingen: 512 - laatst gezien 2026-06-18 12:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 32 Voorlopige Hechteniswet worden de in die bepaling bedoelde termijnen waarbinnen uitspraak moet worden gedaan over de voorlopige hechtenis geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman; die schorsing is van toepassing wanneer de behandeling van de zaak op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman wordt uitgesteld naar een latere rechtszitting, ongeacht of die laatste rechtszitting plaatsvindt vóór of na het verstrijken van de wettelijke termijn binnen welke uitspraak moet worden gedaan. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP VOORLOPIGE HECHTENIS - VERLENGING VAN DE TERMIJNEN Fiches 3 - 4 De in artikel 32 Voorlopige Hechteniswet bedoelde schorsing van de termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan over de voorlopige hechtenis neemt een aanvang op de dag waarop het uitstel wordt verleend en duurt tot de dag voorafgaand aan de rechtszitting waarnaar de zaak werd uitgesteld; de voormelde termijn loopt bijgevolg tot de dag voorafgaand aan de rechtszitting waarop het uitstel wordt verleend en loopt verder vanaf de dag van de rechtszitting waarnaar de zaak werd uitgesteld. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP VOORLOPIGE HECHTENIS - VERLENGING VAN DE TERMIJNEN Tekst van de beslissing Nr. P.23.1708.N A.M. inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1860 Meise, Plasstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 december 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 30, § 3, en 32 Voorlopige Hechteniswet: de beslissing tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis na het verstrijken van vijftien dagen nadat de eiser hoger beroep had aangetekend tegen de beschikking van de raadkamer, is niet naar recht verantwoord; een verdachte blijft maar in hechtenis totdat over het hoger beroep is beslist voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld, zodat hij in vrijheid moet worden gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn; die termijn wordt slechts geschorst tijdens de duur van het uitstel, verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman; ingevolge het door eisers raadsman op 24 november 2023 aangetekende hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij zijn voorlopige hechtenis met een maand werd verlengd, diende de kamer van inbeschuldigingstelling uiterlijk op 9 december 2023 een beslissing te wijzen, zonder dat deze uiterlijke datum kon worden verlengd tot de eerstvolgende werkdag; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het uitstel dat op verzoek van eisers raadsman werd verleend op de rechtszitting van 4 december 2023, waarbij de zaak werd uitgesteld naar de rechtszitting van 7 december 2023; dit uitstel situeerde zich immers binnen de voormelde termijn van vijftien dagen, zodat die termijn door het gevraagde uitstel niet werd verlengd; de kamer van inbeschuldigingstelling diende zich na de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 7 december 2023 uiterlijk op 9 december 2023 uit te spreken over de voorlopige hechtenis en kon de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet uitstellen tot 11 december 2023. 2. Volgens artikel 32 Voorlopige Hechteniswet worden de in die bepaling bedoelde termijnen waarbinnen uitspraak moet worden gedaan over de voorlopige hechtenis geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman. Die schorsing is van toepassing wanneer de behandeling van de zaak op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman wordt uitgesteld naar een latere rechtszitting, ongeacht of die laatste rechtszitting plaatsvindt vóór of na het verstrijken van de wettelijke termijn binnen welke uitspraak moet worden gedaan. 3. De in artikel 32 Voorlopige Hechteniswet bedoelde schorsing van de termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan over de voorlopige hechtenis neemt een aanvang op de dag waarop het uitstel wordt verleend en duurt tot de dag voorafgaand aan de rechtszitting waarnaar de zaak werd uitgesteld. De voormelde termijn loopt bijgevolg tot de dag voorafgaand aan de rechtszitting waarop het uitstel wordt verleend en loopt verder vanaf de dag van de rechtszitting waarnaar de zaak werd uitgesteld. 4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat : - de raadkamer bij beschikking van 23 november 2023 de voorlopige hechtenis van de eiser heeft gehandhaafd voor een maand; - eisers raadsman op 24 november 2023 hoger beroep tegen die beschikking heeft aangetekend; - de eiser ervan werd verwittigd dat zijn voorlopige hechtenis door de kamer van inbeschuldigingstelling zou worden behandeld op de rechtszitting van 4 december 2023; - eisers raadsman op de rechtszitting van 4 december 2023 heeft verzocht om de zaak uit te stellen, waarop de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak heeft uitgesteld naar de rechtszitting van 7 december 2023; - de zaak op de rechtszitting van 7 december 2023 werd behandeld en in beraad genomen, waarna op 11 december 2023 het thans bestreden arrest werd gewezen. Hieruit blijkt dat: - het uitstel van de zaak op de rechtszitting van 4 december 2023 op het uitdrukkelijke verzoek van eisers raadsman werd verleend op de tiende dag van de in artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde termijn van vijftien dagen, die begon te lopen na het aantekenen van het hoger beroep op 24 november 2023; - de voormelde termijn aldus gedurende drie dagen werd geschorst, namelijk van 4 tot en met 6 december 2023, en opnieuw begon te lopen vanaf de rechtszitting van 7 december 2023, waarnaar de zaak werd uitgesteld, zodat die laatste datum ingevolge de schorsing van de termijn moet worden beschouwd als de tiende dag van die termijn, die aldus verstreek op 12 december 2023; - het arrest werd gewezen op 11 december 2023, dit is vóór het verstrijken van de termijn van vijftien dagen, rekening houdend met de voormelde schorsing ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 25,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, François Stévenart Meeûs en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 december 2023 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.