← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.3 Rolnummer: P.23.1720.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-02-02 Raadplegingen: 407 - laatst gezien 2026-06-18 04:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in de zin van artikel 27 Voorlopige Hechteniswet kan niet worden beschouwd als een communicatie zoals bedoeld in artikel 1, 2°, KB Elektronische Communicatie; een dergelijk verzoekschrift, dat strekt tot opheffing van de voorlopige hechtenis na de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek en een beslissing binnen vijf dagen na de neerlegging ervan vereist, wat ingevolge die korte termijn een bijzondere organisatie van de griffiediensten vergt, kan immers niet worden gelijkgesteld met: - een verzoekschrift op tegenspraak; - een gezamenlijk verzoekschrift; - een verzoekschrift tot hoger beroep; - een eenzijdig verzoekschrift; - een proceshandeling gericht aan de rechter in de loop van de procedure; - conclusies, memories en stukken, alsmede de begeleidende brieven bij de conclusies, memories en stukken in de zin van artikel 736 en volgende Gerechtelijk Wetboek; bijgevolg kan een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in de huidige stand van de regelgeving niet op een ontvankelijke wijze worden ingediend via het e-Deposit systeem. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 KB 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek - 16-06-2016 - Art. 1, 2° - 03 ELI link Pub nr 2016009286 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 KB 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek - 16-06-2016 - Art. 1, 2° - 03 ELI link Pub nr 2016009286 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1720.N G.I.A., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 743 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van de algemene en bijzondere motiveringsplicht: het oordeel dat het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling niet ontvankelijk is bij gebrek aan een fysieke, handgeschreven handtekening, is niet naar recht verantwoord; de neerlegging van een verzoekschrift via het e-Deposit systeem moet immers worden gelijkgesteld met een handgeschreven handtekening. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 25.1 en 25.2 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG: door het via het in artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek bedoelde beveiligde systeem neergelegde verzoekschrift niet ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een fysieke handtekening, miskent het arrest de bewijskracht van de elektronische handtekening. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek: door het neergelegde verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling niet ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan een fysieke handtekening, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; artikel 27 Voorlopige Hechteniswet voorziet niet in specifieke vormvereisten, terwijl geen enkele bepaling in het Wetboek van Strafvordering of in de Voorlopige Hechteniswet toelaat af te wijken van artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek; minstens dient, alvorens verder recht te doen, een prejudiciële vraag te worden gesteld of het vereisen van een materiële handtekening voor een digitaal verzoekschrift in strafzaken geen onverantwoord onderscheid inhoudt in de zin van de artikelen 10 en 11 Grondwet tussen enerzijds digitaal neergelegde verzoekschriften in strafzaken en anderzijds in andere aangelegenheden.
  3. Uit artikel 27, § 1, en § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de voorlopige invrijheidstelling kan worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen. Een verzoekschrift in de zin van die bepaling vereist ofwel dat het verzoek wordt geformuleerd in een van de verzoeker of zijn raadsman uitgaand geschrift dat wordt ingediend of ontvangen op de griffie, in voorkomend geval per faxbericht, ofwel dat het verzoekschrift aan de griffie wordt meegedeeld door middel van een informaticasysteem zoals bedoeld in artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek.
  4. Artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Elke kennisgeving of mededeling aan of neerlegging bij de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of elke kennisgeving of mededeling aan een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, door de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of door een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, kan gebeuren door middel van het informaticasysteem van Justitie dat door de Koning wordt aangewezen. De Koning bepaalt de nadere regels van dat informaticasysteem, waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd. Het gebruik van het voormelde informaticasysteem kan door de Koning aan de instanties, diensten of actoren vermeld in het eerste lid of sommigen onder hen worden opgelegd. De Koning kan de toepassing van deze bepaling bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, uitbreiden tot andere instellingen en diensten.”
  5. Hoewel artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek in beginsel van toepassing is op elke kennisgeving, mededeling of neerlegging, zowel in burgerlijke zaken als in strafzaken, is de toepassing van die bepaling afhankelijk van uitvoeringsbesluiten die in de desbetreffende kennisgeving, mededeling of neerlegging voorzien. Volgens artikel 32ter, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de Koning immers de nadere regels te bepalen van het in het eerste lid bedoelde informaticasysteem.
  6. Volgens artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek (hierna KB Elektronische Communicatie) kan alle communicatie zoals bepaald in artikel 1, 2°, van dat besluit geschieden via het beveiligde e-Deposit systeem, dat door de Federale Overheidsdienst Justitie ter beschikking wordt gesteld.
  7. Artikel 1, 2°, KB Elektronische Communicatie bepaalt dat het e-Deposit systeem wordt aangewezen als informaticasysteem van Justitie, bedoeld in artikel 32ter, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, voor de communicatie op elektronische wijze met betrekking tot de neerlegging van verzoekschriften op tegenspraak, gezamenlijke verzoekschriften, verzoekschriften tot hoger beroep, eenzijdige verzoekschriften en proceshandelingen gericht aan de rechter in de loop van de procedure, conclusies, memories en stukken, alsmede de begeleidende brieven bij de conclusies, memories en stukken in de zin van artikel 736 en volgende Gerechtelijk Wetboek, en dit zowel in burgerlijke zaken als in strafzaken.
  8. Een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in de zin van artikel 27 Voorlopige Hechteniswet kan niet worden beschouwd als een communicatie zoals bedoeld in artikel 1, 2°, KB Elektronische Communicatie. Een dergelijk verzoekschrift, dat strekt tot opheffing van de voorlopige hechtenis na de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek en een beslissing binnen vijf dagen na de neerlegging ervan vereist, wat ingevolge die korte termijn een bijzondere organisatie van de griffiediensten vergt, kan immers niet worden gelijkgesteld met: - een verzoekschrift op tegenspraak; - een gezamenlijk verzoekschrift; - een verzoekschrift tot hoger beroep; - een eenzijdig verzoekschrift; - een proceshandeling gericht aan de rechter in de loop van de procedure; - conclusies, memories en stukken, alsmede de begeleidende brieven bij de conclusies, memories en stukken in de zin van artikel 736 en volgende Gerechtelijk Wetboek. Bijgevolg kan een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in de huidige stand van de regelgeving niet op een ontvankelijke wijze worden ingediend via het e-Deposit systeem.
  9. In zoverre het middel uitgaat van de rechtsopvatting dat een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan worden neergelegd via e-Deposit, faalt het naar recht.
  10. Voor het overige zijn het middel en de voorgestelde prejudiciële vraag afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, François Stévenart Meeûs en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 december 2023 uitgesproken door voorzitter rid-der Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bij-stand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.