id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.7 Rolnummer: P.23.1745.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-02 Raadplegingen: 424 - laatst gezien 2026-06-15 06:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Hij die zich in een overleveringsdetentie bevindt op grond van een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of omzetting van een hechtenis in de gevangenis in een hechtenis onder elektronisch toezicht indienen volgens de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde vormen en procedures; daaruit volgt evenwel niet dat de in die wet bepaalde grondvoorwaarden voor de voorlopige hechtenis van toepassing zijn op de overleveringsdetentie. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Fiche 2 De legaliteitsvereiste zoals die kan worden afgeleid uit de artikelen 6 en 52.1 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 5 EVRM verzet zich niet ertegen dat indien het Grondwettelijk Hof een lacune in de wetgeving heeft vastgesteld en heeft aangegeven dat de rechter die lacune kan invullen op een wijze die de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde miskenning van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel ongedaan maakt, de rechter in afwachting van een ingrijpen van de wetgever het bestaande wettelijk kader zo uitlegt en toepast dat de vastgestelde miskenning ongedaan wordt gemaakt; in dat geval kan de rechter ermee volstaan de bepalingen te vermelden van het bestaande wettelijke kader, zoals uitgelegd en toegepast. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 6 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 52.1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of de omzetting van een hechtenis in de gevangenis naar een hechtenis onder elektronisch toezicht van een persoon wiens overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, moet niet onderzoeken of is voldaan aan de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde grondvoorwaarden, maar wel of er vluchtgevaar is, of de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en of de hechtenis niet buitensporig lang duurt; een dergelijke toets is niet strijdig met het vermoeden van onschuld; het onderzoeksgerecht moet bij die beoordeling rekening houden met de op het ogenblik van de beslissing beschikbare gegevens; het dient geen rekening te houden met ongekende of onzekere gegevens, zoals de mogelijke duur van de strafvervolging in de uitvoerende staat op grond waarvan de beslissing tot uitstel van overlevering is genomen; die beoordeling vereist bovendien niet dat het onderzoeksgerecht de beschikking heeft over het strafdossier dat aan de basis ligt van het uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel en van het strafdossier betreffende de strafvervolging in de uitvoerende staat op grond waarvan werd beslist om de overlevering uit te stellen; het recht van verdediging van de betrokkene vereist dit evenmin; de door het onderzoeksgerecht te verrichten beoordeling houdt niet in dat de betrokkene niet over een effectief rechtsmiddel beschikt om de wettigheid van de overleveringsdetentie te laten beoordelen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 5 - 6 Indien het onderzoeksgerecht kennis neemt van een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of de omzetting van een hechtenis in de gevangenis naar een hechtenis onder elektronisch toezicht van een persoon wiens overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, oordeelt het onaantastbaar of er vluchtgevaar is, of de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en of de hechtenis niet buitensporig lang duurt; het onderzoeksgerecht is niet gebonden door de beslissingen inzake voorlopige hechtenis die zouden zijn genomen in het kader van de strafvervolging in de uitvoerende staat, ook niet indien het uitstel van de overlevering is gegrond op die strafvervolging. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 7 - 8 Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat het onderzoeksgerecht dat kennis neemt van een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of de omzetting van een hechtenis in de gevangenis naar een hechtenis onder elektronisch toezicht van een persoon wiens overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, bij de beoordeling van de duur van de overleveringsdetentie en het eventueel buitensporig karakter ervan, rekening moet houden met de duur van de voorlopige hechtenis van de betrokkene in de strafvervolging in de uitvoerende staat, op grond waarvan de overlevering werd uitgesteld, of dat de duur van de beide vrijheidsberovingen moet worden samengevoegd. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1745.N L.C.A., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 december 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. De eiser maakt het voorwerp uit van een strafvervolging in België gekend onder het notitienummer (…) (hierna de Belgische zaak). Hij zit in de Belgische zaak in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht. De behandeling van de Belgische zaak voor het vonnisgerecht is nog niet aangevat. 2. Op 28 maart 2023 vaardigt een Italiaanse rechterlijke autoriteit tegen de eiser een Europees aanhoudingsbevel uit met het oog op strafvervolging (hierna de Italiaanse zaak). 3. Op 3 mei 2023 verleent de onderzoeksrechter op basis van het door Italië uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel een bevel tot inhechtenisneming tegen de eiser. 4. Op 16 mei 2023 beslist de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, tot de tenuitvoerlegging van dit Europees aanhoudingsbevel. Het hoger beroep van de eiser tegen die beslissing wordt bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 juni 2023 ongegrond verklaard. Het cassatieberoep van de eiser tegen dit arrest wordt verworpen bij arrest van het Hof van 27 juni 2023. 5. Op 29 juni 2023 beslist de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, dat bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel de overlevering wordt uitgesteld in afwachting van de vervolging en berechting van de eiser in de Belgische zaak. 6. Op 5 september 2023 dient de eiser ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, een verzoek in om de hechtenis in de gevangenis in afwachting van zijn effectieve overlevering aan Italië om te zetten in een hechtenis onder elektronisch toezicht. Het hoger beroep tegen de weigering in te gaan op dit verzoek wordt bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond afgewezen. 7. Op 28 november 2023 dient de eiser opnieuw een dergelijk verzoek in ter griffie van de voormelde raadkamer, die bij beschikking van 1 december 2023 dit verzoek afwijst. Het hoger beroep tegen die beschikking wordt bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 14 december 2023 ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond afgewezen. Dat is de thans bestreden beslissing. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, 47.2, 48.2 en 52 Handvest Grondrechten EU en artikel 5 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van gerechtelijke uitspraken dat uit deze normen voortvloeit: het arrest voldoet niet aan de verplichting de precieze bepalingen aan te duiden waarop wordt gesteund om de aanhouding van de eiser te bevestigen; de verwijzing naar de Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 12 en 14 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, in samenhang met artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie, volstaat daartoe niet. 2. Artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie bepaalt dat eenieder recht heeft op vrijheid van zijn persoon. Artikel 52.1, eerste zin, Handvest Grondrechten Europese Unie bepaalt dat beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheid moeten eerbiedigen. Artikel 52.1, tweede zin, Handvest Grondrechten Europese Unie bepaalt dat met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel slechts beperkingen kunnen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 52.3 Handvest Grondrechten Europese Unie bepaalt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke door het EVRM eraan worden toegekend. De rechten van artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie corresponderen met de rechten die door artikel 5 EVRM zijn gewaarborgd en hebben dezelfde inhoud en reikwijdte. 3. Artikel 5.1.
- f)EVRM bepaalt dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd, behalve in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van hen tegen wie een uitleveringsprocedure hangende is. Artikel 5.3 EVRM bepaalt dat hij die gearresteerd of gevangen gehouden is, het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 4. Artikel 12 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel de bevoegde rechterlijke autoriteit beslist of de betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat, alsook dat deze persoon op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid kan worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen. Artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, nadat zij tot de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon kan uitstellen opdat hij in de uitvoerende staat kan worden vervolgd, of indien hij reeds is veroordeeld, daar een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit. 5. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest nr. C-492/22 PPU, 8 december 2022, CJ) heeft de artikelen 12 en 24.1 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel, gelezen in samenhang met artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie, aldus uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en wiens overlevering aan de autoriteiten van de uitvaardigende staat is uitgesteld met het oog op een in de uitvoerende staat tegen hem ingeleide strafprocedure, op basis van het Europees aanhoudingsbevel daar in hechtenis wordt gehouden gedurende de behandeling van de betrokken strafzaak. Het Hof van Justitie komt tot die uitlegging op basis van het volgende: - de bewoordingen van de artikelen 12 en 24.1 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel verzetten zich niet tegen een dergelijke uitleg (ro 68-70); - artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bevat een bijzondere regel, die zich onderscheidt van de in artikel 23 uitgewerkte regeling, zodat artikel 23.5 niet van toepassing is (ro 71-73); - de doelstelling van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel is straffeloosheid te bestrijden en de onmogelijkheid om de betrokkene in hechtenis te houden tot het einde van het uitstel zou het risico op vlucht en dus het risico dat afbreuk wordt gedaan aan de goede uitvoering van het uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ontegenzeggelijk doen toenemen (ro 74-75); - die uitlegging doet geen afbreuk aan de verplichting de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen zoals die zijn weergegeven in het Handvest, waarbij rekening moet worden gehouden met artikel 52.1 en 52.3 Handvest Grondrechten Europese Unie (ro 76-80); - de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat moet de maatregelen nemen die zij noodzakelijk acht om de vlucht te voorkomen van de betrokkene (ro 81); - wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit besluit de overlevering uit te stellen op grond van artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, kan deze autoriteit bovendien in overeenstemming met artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie alleen besluiten de hechtenis te handhaven als de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de hechtenis niet buitensporig lang duurt, waarbij die autoriteit de betrokken situatie concreet moet toetsen en rekening moet houden met alle relevante factoren (ro 82). 6. Artikel 20, § 4, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsbeneming oplevert tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende staat. Volgens artikel 20, § 4, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel kan het definitieve besluit van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel bepalen dat de betrokkene tot de daadwerkelijke overlevering voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld of in vrijheid gesteld tegen borgstelling. Artikel 24, § 1, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat het openbaar ministerie de overlevering van de betrokkene kan uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd of indien hij reeds is veroordeeld, de straf zou kunnen ondergaan die hem is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft. Volgens het tweede lid van die bepaling heeft de tenuitvoerlegging van het Europees uitleveringsbevel plaats zodra die redenen niet meer bestaan en moet een nieuwe datum voor overlevering worden bepaald en moet die datum uiterlijk binnen tien dagen volgen. 7. Met het arrest nr. 90/2019 van 28 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat artikel 20, § 2, § 3 en § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het aan de personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en wier overlevering aan de uitvaardigende staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel opdat in België vervolging kan worden ingesteld wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, niet de mogelijkheid biedt om te verzoeken om hun voorwaardelijke invrijheidstelling of om hun invrijheidstelling tegen borgstelling of om de hechtenis onder elektronisch toezicht uit te voeren. 8. Met dit arrest heeft het Grondwettelijk Hof bovendien geoordeeld dat aangezien de vaststelling van deze lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Grondwettelijk Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, het aan de rechter staat om in afwachting van een optreden van de wetgever, een einde te maken aan de schending van die normen. 9. Daaruit volgt dat hij die zich in een overleveringsdetentie bevindt op grond van een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of omzetting van een hechtenis in de gevangenis in een hechtenis onder elektronisch toezicht kan indienen volgens de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde vormen en procedures. Daaruit volgt evenwel niet dat de in die wet bepaalde grondvoorwaarden voor de voorlopige hechtenis van toepassing zijn op de overleveringsdetentie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. De legaliteitsvereiste zoals die kan worden afgeleid uit de artikelen 6 en 52.1 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 5 EVRM verzet zich niet ertegen dat indien het Grondwettelijk Hof een lacune in de wetgeving heeft vastgesteld en heeft aangegeven dat de rechter die lacune kan invullen op een wijze die de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde miskenning van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel ongedaan maakt, de rechter in afwachting van een ingrijpen van de wetgever het bestaande wettelijk kader zo uitlegt en toepast dat de vastgestelde miskenning ongedaan wordt gemaakt. In dat geval kan de rechter ermee volstaan de bepalingen te vermelden van het bestaande wettelijke kader, zoals uitgelegd en toegepast. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Met de redenen die het arrest (p. 4-5, randnr. 3.2-3.4) bevat, waarbij wordt verwezen naar de artikelen 12 en 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar de artikelen 20, § 2, § 3 en § 4, en 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, vermeldt het de bepalingen waarop het steunt om de overleveringsdetentie van de eiser te handhaven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 12. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, 47.2, 48.2 en 52.1 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 5.1.f), 5.3 en 5.4 EVRM, de artikelen 12 en 23.5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 27 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motivering van gerechtelijke uitspraken en het recht van verdediging, waarvan de wapengelijkheid deel uitmaakt: het arrest houdt geen rekening met artikel 23.5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel waaruit volgt dat bij het verstrijken van de termijnen voor overlevering de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld; hoewel het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de Voorlopige Hechteniswet van toepassing is op de situatie waarin de eiser zich bevindt, laat het arrest na de wettigheid van eisers voorlopige hechtenis te onderzoeken; het arrest maakt abstractie van de bijzondere koppeling tussen eisers voorlopige hechtenis en de vervolging van de eiser in de Belgische zaak; het is te voorzien dat de procesvoering in de Belgische zaak meerdere jaren zal duren; het is niet verenigbaar met artikel 5 EVRM en artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie om eisers vrijheidsberoving vast te leggen voor een dergelijke lange periode, die op dit ogenblik onbepaalbaar is; dit is in strijd met het vermoeden van onschuld waarop de eiser zich kan beroepen voor wat betreft de Italiaanse zaak; de eiser beschikt bijgevolg niet over een effectief rechtsmiddel; bovendien hebben de appelrechters geen kennis genomen van de Italiaanse zaak waarvan de stukken niet zijn gevoegd en evenmin van de Belgische zaak; bijgevolg is het recht van verdediging van de eiser miskend; eisers voorlopige hechtenis is de voortzetting van de definitieve overleveringstitel terwijl de Wet Europees Aanhoudingsbevel dit uitsluit, minstens daarin niet voorziet; de verwijzing naar vluchtgevaar is een technisch middel om deze niet-bewezen constructie overeind te houden; bij afwezigheid van het dossier kan het concrete vluchtgevaar niet worden beoordeeld; een evenredigheidstoets is evenmin mogelijk. 13. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel is artikel 23.5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel niet van toepassing indien een definitieve beslissing is genomen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat de titel van vrijheidsbeneming vormt en op grond van artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel is beslist tot een uitgestelde overlevering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Uit de redenen die het arrest (p. 4-5, randnr. 3.2-3.4) bevat, volgt dat de appelrechters aannemen dat artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel relevant is. Daaruit volgt dat zij eisers doelloos verweer betreffende artikel 23.5 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel niet dienen te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 15. Uit het antwoord op het eerste middel volgt verder dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of de omzetting van een hechtenis in de gevangenis naar een hechtenis onder elektronisch toezicht van een persoon wiens overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, niet moet onderzoeken of is voldaan aan de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde grondvoorwaarden, maar wel of er vluchtgevaar is, of de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en of de hechtenis niet buitensporig lang duurt. Een dergelijke toets is niet strijdig met het vermoeden van onschuld. 16. Het onderzoeksgerecht moet bij die beoordeling rekening houden met de op het ogenblik van de beslissing beschikbare gegevens. Het dient geen rekening te houden met ongekende of onzekere gegevens, zoals de mogelijke duur van de strafvervolging in de uitvoerende staat op grond waarvan de beslissing tot uitstel van overlevering is genomen. 17. Die beoordeling vereist bovendien niet dat het onderzoeksgerecht de beschikking heeft over het strafdossier dat aan de basis ligt van het uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel en van het strafdossier betreffende de strafvervolging in de uitvoerende staat op grond waarvan werd beslist om de overlevering uit te stellen. Het recht van verdediging van de betrokkene vereist dit evenmin. 18. De door het onderzoeksgerecht te verrichten beoordeling houdt niet in dat de betrokkene niet over een effectief rechtsmiddel beschikt om de wettigheid van de overleveringsdetentie te laten beoordelen. 19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Derde middel Eerste onderdeel 20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6, 47, 48 en 52 Handvest Grondrechten Europese Unie, de artikelen 5.4 en 8 EVRM en artikel 27 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering na te leven door gerechtelijke uitspraken: het arrest en de beroepen beschikking miskennen het gezag van gewijsde dat is verbonden aan de beschikking van de raadkamer van 10 november 2023 in de Belgische zaak, waarbij eisers voorlopige hechtenis uit te voeren in de gevangenis in die zaak werd omgezet in een voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht; het arrest vermeldt geen nieuwe omstandigheden daterend van na die beschikking die zouden wijzen op een gevaar voor vlucht; voor wat betreft de beoordeling van het vluchtgevaar vermeldt de beroepen beschikking, de vordering van de procureur-generaal en het arrest geen enkele concrete omstandigheid die vatbaar is voor tegenspraak; bij afwezigheid van concrete omstandigheden die het vluchtgevaar aantonen, ontbreekt elke motivering; het loutere feit dat de eiser het voorwerp uitmaakt van een definitief geworden beslissing tot overlevering aan Italië is onvoldoende; de raadkamerbeschikking van 10 november 2023 in de Belgische zaak, die is genomen op grond van het strafdossier, moet doorwerken bij de beoordeling van eisers verzoek in de voorliggende procedure; de beroepen beschikking en het arrest hebben op geen enkele wijze rekening gehouden met de door de eiser vroeger ingediende stukken onder meer betreffende zijn gezondheidsproblematiek; daardoor is artikel 8 EVRM geschonden; een vlucht naar Italië is niet aan de orde gelet op de banden die de eiser heeft met België; het arrest weerlegt niet de door de eiser ingeroepen feitelijke omstandigheden die het vluchtgevaar uitsluiten. 21. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe het arrest artikel 27 Voorlopige Hechteniswet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk. 22. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de beroepen beschikking of tegen de vordering van de procureur-generaal en dus niet tegen het arrest, is het evenmin ontvankelijk. 23. Indien het onderzoeksgerecht kennis neemt van een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of de omzetting van een hechtenis in de gevangenis naar een hechtenis onder elektronisch toezicht van een persoon wiens overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, oordeelt het onaantastbaar of er vluchtgevaar is, of de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en of de hechtenis niet buitensporig lang duurt. Het onderzoeksgerecht is niet gebonden door de beslissingen inzake voorlopige hechtenis die zouden zijn genomen in het kader van de strafvervolging in de uitvoerende staat, ook niet indien het uitstel van de overlevering is gegrond op die strafvervolging. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel laat toe anders te oordelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 24. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest geen rekening houdt met vroeger ingediende stukken betreffende de gezondheidstoestand van de eiser en stukken uit de Belgische zaak, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. 25. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel door het arrest van het voorhanden zijn van vluchtgevaar, is het evenmin ontvankelijk. (…) Vierde middel 26. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 52 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 5.1.f), 5.3 en 5.4 EVRM en artikel 27 Voorlopige Hechteniswet; alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van gerechtelijke uitspraken: er moet niet enkel rekening worden gehouden met de duur van eisers hechtenis sinds de definitieve beslissing over eisers overlevering aan Italië met het arrest van het Hof van Cassatie van 27 juni 2023, die reeds zes maanden bedraagt, maar ook met de duur van eisers voorlopige hechtenis in de Belgische zaak, waar de eiser reeds sinds september 2020 van zijn vrijheid is beroofd; het uitstel van de overlevering in de Italiaanse zaak tot na de behandeling van de Belgische zaak en de eventuele strafuitvoering in die zaak zorgt voor een koppeling van beide zaken, zodat de duur van beide detenties moet worden samengevoegd en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 5.3 en 5.4 EVRM niet is nageleefd; het arrest heeft bovendien het daarover in eisers appelconclusie aangevoerde middel niet beantwoord. 27. Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat het onderzoeksgerecht dat kennis neemt van een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of de omzetting van een hechtenis in de gevangenis naar een hechtenis onder elektronisch toezicht van een persoon wiens overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, bij de beoordeling van de duur van de overleveringsdetentie en het eventueel buitensporig karakter ervan, rekening moet houden met de duur van de voorlopige hechtenis van de betrokkene in de strafvervolging in de uitvoerende staat, op grond waarvan de overlevering werd uitgesteld, of dat de duur van de beide vrijheidsberovingen moet worden samengevoegd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 28. Met de redenen die het arrest (p. 5, randnr. 3.7) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag; Ambtshalve onderzoek 29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, François Stévenart Meeûs en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 december 2023 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.