← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.8 Rolnummer: P.23.1751.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2024-02-02 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-18 14:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel en daarbij alleen het in artikel 16, § 1, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde toezicht moet uitoefenen

(1).
(1)Cass. 4 november 2008, AR P.08.1548.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.3, AC 2008, nr.
  1. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 16, § 1, tweede lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 17, § 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 16, § 1, tweede lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 17, § 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 4 Volgens artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege niet ertoe gehouden een prejudiciële vraag te stellen in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in artikel 26, § 1, bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig is. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 134 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 134 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 5 - 7 De rechtspleging strekkende tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiches 8 - 10 Indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen de weigeringsbeslissing van de raadkamer een Europees aanhoudingsbevel uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel, dan moet de persoon die het voorwerp uitmaakt van dit bevel bij zijn verdediging ermee rekening houden dat de kamer van inbeschuldigingstelling die beslissing hervormt; niet is vereist dat het onderzoeksgerecht in hoger beroep de betrokkene daarop uitdrukkelijk wijst. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 11 Uit de tekst zelf van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat deze facultatieve weigeringsgrond enkel van toepassing is op een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of een veiligheidsmaatregel en dus niet op een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging; de omstandigheid dat een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging ook aanleiding kan geven tot een vrijheidsberoving laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 12 Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan niet oordelen over de miskenning van het recht op de behandeling binnen een redelijke termijn van de gegrondheid van een strafvervolging, aangezien de strafvervolging in dat geval enkel aanhangig is bij de gerechten van de uitvaardigende lidstaat, die als enige rechtsmacht hebben om ter zake te oordelen; uit artikel 6 EVRM en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan het tegendeel niet worden afgeleid. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1751.N B.M., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: ondanks de vordering van de procureur-generaal om de beroepen beschikking met eenparigheid van stemmen te hervormen, blijkt uit het arrest geenszins dat de appelrechters de bestreden beslissing eenparig hebben genomen. Ondergeschikt wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 211bis Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet in die mate dat geen eenparigheid van stemmen is vereist indien op het louter hoger beroep van het openbaar ministerie wordt beslist tot uitvoerbaarverklaring van een Europees aanhoudingsbevel en aldus de weigering in het nadeel van de betrokkene wordt hervormd?”; de eiser bevindt zich in een vergelijkbare situatie als een persoon in voorlopige hechtenis; de termijnen en de vormen van het rechtsmiddel en de bevoegde instantie zijn analoog en er wordt telkens geoordeeld over de hechtenistoestand; de artikelen 10 en 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel verwijzen naar de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde voorwaarden; het verschil in behandeling valt niet te verantwoorden.
  4. Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat: - het gerecht in hoger beroep ingeval van een vrijsprekend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling geen veroordeling of verwijzing kan uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden; - dezelfde eenstemmigheid vereist is voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren; - inzake voorlopige hechtenis hetzelfde eveneens geldt om een voor de beklaagde gunstige beschikking te kunnen wijzigen.
  5. Deze bepaling is niet van toepassing op de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel en daarbij alleen het in artikel 16, § 1, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde toezicht moet uitoefenen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  6. Volgens artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege niet ertoe gehouden een prejudiciële vraag te stellen in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in artikel 26, § 1, bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig is.
  7. De rechtspleging strekkende tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel niet van toepassing is omdat het Europees aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd met het oog op strafvervolging en niet met het oog op strafuitvoering; deze bepaling is wel degelijk van toepassing op een Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafvervolging die ook een vrijheidsberovende veiligheidsmaatregel tot gevolg heeft; de artikelen 10 en 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel verwijzen naar de Voorlopige Hechteniswet; aangezien de appelrechters anders hebben geoordeeld dan de raadkamer zonder dat de verdediging ter zake verweer heeft kunnen voeren, is het recht van verdediging miskend; aan het Grondwettelijk Hof moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Schendt artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel de artikelen 10 en 11 Grondwet in de mate dat deze weigeringsgrond enkel van toepassing is bij een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafuitvoering en niet indien het uitgevaardigd is met het oog op strafvervolging, terwijl ook in dat laatste geval het aanhoudingsbevel een vrijheidsberovende veiligheidsmaatregel tot gevolg heeft?”
  9. Indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen de weigeringsbeslissing van de raadkamer een Europees aanhoudingsbevel uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel, dan moet de persoon die het voorwerp uitmaakt van dit bevel bij zijn verdediging ermee rekening houden dat de kamer van inbeschuldigingstelling die beslissing hervormt. Niet is vereist dat het onderzoeksgerecht in hoger beroep de betrokkene daarop uitdrukkelijk wijst. In zoverre het middel miskenning van het recht van verdediging aanvoert, faalt het naar recht.
  10. Artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen: (…) het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende Lid-Staat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen; (…).”
  11. Artikel 6.4° Wet Europees aanhoudingsbevel bepaalt: “De tenuitvoerlegging kan worden geweigerd: (…) 4° ingeval het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, de betrokken persoon Belg of ingezetene is of in België verblijft, en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen. (…).”
  12. Artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel vormt de omzetting van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel. Beide bepalingen hebben eenzelfde draagwijdte.
  13. Uit de tekst zelf van deze bepalingen volgt dat deze facultatieve weigeringsgrond enkel van toepassing is op een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of een veiligheidsmaatregel en dus niet op een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging.
  14. De omstandigheid dat een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging ook aanleiding kan geven tot een vrijheidsberoving laat niet toe anders te oordelen.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Volgens artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege niet ertoe gehouden een prejudiciële vraag te stellen in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in artikel 26, § 1, bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig is.
  17. De rechtspleging strekkende tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Derde middel Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat er in concreto geen zwaarwichtige en op actuele feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de eiser na zijn overlevering aan Roemenië kennelijk en daadwerkelijk zal worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen als bedoeld door artikel 3 EVRM en dat het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt; de eiser heeft daarbij uitdrukkelijk verwezen naar het gegeven dat Roemenië sinds het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 april 2017, Rezmives t. Roemenië, reeds talrijke malen werd veroordeeld; het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft met betrekking tot de detentieomstandigheden in de gevangenis van Rahova meerdere arresten geveld en de opvolging van de detentietoestand in Roemenië door het Comité van de Ministers van de Raad van Europa werd voor verdere evaluatie aangehouden tot juni
  19. Het onderdeel dat formeel wetsschendingen aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen het onaantastbaar oordeel door het arrest over het aannemelijk maken door de eiser in de concrete zaak van het voorhanden zijn van zwaarwichtige en op actuele feiten berustende gronden betreffende de door hem aangevoerde schending van artikel 3 EVRM. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met de verwerping van eisers beroep op artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel miskent het arrest de bewijskracht van talrijke arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de verslaggeving van het Comité van de Ministers van de Raad van Europa waarnaar de eiser in zijn appelconclusie heeft verwezen.
  21. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een akte, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen. Indien de rechter uit de akte louter een gevolg afleidt, is er geen miskenning van de bewijskracht van de akte.
  22. Het arrest geeft van de door het onderdeel bedoelde akten geen uitlegging, maar het leidt er louter een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  23. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet aan de appelrechters staat te oordelen of de redelijke termijn in de bodemprocedure is miskend; de redelijketermijnvereiste is nochtans een essentiële waarborg in de zin van artikel 6 EVRM.
  24. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 5 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  25. De miskenning van het recht op de behandeling binnen een redelijke termijn van de gegrondheid van een strafvervolging kan slechts worden beoordeeld door een nationale instantie, die kennis neemt van die strafvervolging. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan daarover niet oordelen, aangezien de strafvervolging in dat geval enkel aanhangig is bij de gerechten van de uitvaardigende lidstaat, die als enige rechtsmacht hebben om ter zake te oordelen. Uit artikel 6 EVRM en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan het tegendeel niet worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  26. Met de redenen die het arrest (p. 10, laatste alinea, p. 11, eerste alinea) bevat, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat zij niet te oordelen hebben over het redelijketermijnverweer van de eiser. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  27. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5 en 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het neemt enerzijds aan dat de eiser aan bepaalde detentieomstandigheden zou kunnen worden onderworpen en het gebruikt voor dat oordeel de voorwaardelijke wijs; het oordeelt anderzijds dat het niet nodig is bijkomende garanties te bedingen.
  28. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  29. Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen. Dat is niet geval met de door het middel geviseerde redenen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  30. De schending van de artikelen 3, 5 en 6 EVRM is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, François Stévenart Meeûs en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 december 2023 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231227.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.