id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230106.1N.4 Rolnummer: F.20.0128.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-06-15 08:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.4 Fiche 1 De belastingadministratie kan de strijdigheid van de verrichting met de doelstellingen van de betrokken fiscale bepaling enkel vaststellen wanneer die doelstellingen op voldoende duidelijke wijze blijken uit de tekst en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.17.0.0.2, 1° - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Fiche 2 Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 2.7.1.0.4 VCF blijkt dat de decreetgever de voorwaarde van overleven in deze bepaling heeft geschrapt met de bedoeling ook onvoorwaardelijke toebedelingen bij overlijden voor meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen onder de toepassing van die bepaling te brengen, zodat een omweg via de antimisbruikbepaling daarvoor niet meer nodig is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.4 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.20.0128.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. Op 26 september 2016 overleed mevrouw N. Zij was op 26 maart 1994 gehuwd met eerste verweerder met wie ze twee kinderen had, tweede verweerster en derde verweerder. Het echtpaar was initieel gehuwd onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract. Hieraan werd een wijziging aangebracht bij akte van 14 maart 2005 door toevoeging van een verdelingsbeding naar keuze. Bij notariële akte wijziging huwelijkscontract van 24 februari 2016 namen zij het stelsel van scheiding van goederen met een beperkte gemeenschap aan. De huwelijksgemeenschap werd op die dag ontbonden. De meeste (roerende en onroerende) goederen van het gemeenschappelijk vermogen werden bij de vereffening-verdeling van het stelsel toebedeeld aan eerste verweerder. Eiser (Vlabel) stelde bij e-mail van 16 mei 2017 dat er fiscaal misbruik werd gepleegd (frustreren van art. 2.7.1.0.4 VCF) en dat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel hem niet tegenwerpelijk was (toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF). Op 2 juni 2017 werden dienovereenkomstig aanslagen verstuurd in de erfbelasting voor het aanslagjaar 2016 in hoofde van elk van de verweerders voor een totaal te betalen bedrag van € 59.965,
- De gerechtelijke betwisting van de gevestigde aanslagen leidde tot een vonnis dd. 11 april 2019 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, waarbij werd geoordeeld dat er van fiscaal misbruik geen sprake was. Bij arrest van 16 juni 2020 bevestigde het hof van beroep te Gent het vonnis van de eerste rechter, behoudens wat het in aanmerking genomen belastbaar onroerend emolument betreft. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. (…) TWEEDE ONDERDEEL. 2.
- Eiser voert aan dat de omstandigheden die hij aangehaald heeft als vermoeden van fiscaal misbruik, zijnde de korte tijdspanne tussen de uitbreng en het overlijden van mevrouw N., het feit dat de uitbreng van het gemeenschappelijk vermogen uitsluitend ten voordele van het eigen vermogen van eerste verweerder gebeurde, en het feit dat men dezelfde zekerheid had kunnen bekomen door het opmaken van een keuzebeding of verblijfsbeding, ter zake wel dienend zijn om aan te tonen dat het echtpaar de doelstellingen van de fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.4 VCF heeft gefrustreerd zodat de appelrechters deze vermoedens onterecht niet in aanmerking hebben genomen. Hieruit volgt volgens eiser dat de appelrechters, zonder rekening te houden met deze vermoedens en met de wil van de decreetgever om een einde te maken aan de praktijk van de sterfhuisconstructies, niet wettig hebben beslist dat eiser niet heeft aangetoond dat de kwestieuze verrichting, zijnde het wijzigend huwelijkscontract, strijdig is met de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.4 VCF en bijgevolg heeft gefaald in de op hem rustende bewijslast voor de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF, zodat er geen sprake is van fiscaal misbruik. (Schending van de artikelen 2.7.1.0.4 en 3.17.0.0.2 VCF) 2.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF bepaalde oorspronkelijk dat “De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, op voorwaarde van overleving meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, […] voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld [wordt] met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt”. Deze bepaling zorgt ervoor dat indien de langstlevende echtgenoot door de werking van een clausule in het huwelijkscontract (via bijvoorbeeld een verblijvingsbeding) meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen toebedeeld krijgt, de toebedeling voor meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen wordt gelijkgesteld met een legaat dat aan de successierechten is onderworpen
(1). Art. 2.7.1.0.4 VCF vindt toepassing bij het overlijden van één van de echtgenoten en veronderstelt dat de langstlevende echtgenoot bij het overlijden van de andere echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap toebedeeld krijgt, ingevolge een clausule overeengekomen tijdens het leven van de echtgenoten. De gelijkstelling met een legaat was echter enkel voorzien wanneer de toebedeling was onderworpen aan de voorwaarde van overleven. Bijvoorbeeld: “Bij ontbinding van het huwelijk door overlijden, zal het gemeenschappelijk vermogen toebehoren aan de langstlevende echtgenoot”. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 2.7.1.0.4 VCF blijkt dat de wetgever met de invoering van die bepaling nooit de bedoeling heeft gehad om een ongelijke verdeling die reeds uitwerking krijgt tijdens het leven van de echtgenoten te belasten bij overlijden van één van hen, maar wel om een ongelijke toebedeling die eerst uitwerking krijgt bij het overlijden van één van de echtgenoten belastbaar te maken, voor zover die toebedeling contractueel afhankelijk was gemaakt van de voorwaarde van overleving.
(2)Eiser betwist dat niet
(3). Om aan die bepaling (en belasting) te ontsnappen werd de zgn. sterfhuisclausule geconstrueerd waarbij het gehele gemeenschappelijke vermogen wordt toebedeeld aan één van de echtgenoten, ongeacht de oorzaak van ontbinding van de huwelijksgemeenschap en/of welke van beide echtgenoten de langstlevende is. In de praktijk werd die clausule veelal opgenomen op het ogenblik waarop het overlijden van één van de echtgenoten nakend en onoverkomelijk was. Ervan uitgaande dat de clausule uitwerking zou krijgen bij overlijden van die echtgenoot, trachtte de langstlevende echtgenoot op die manier te ontsnappen aan de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF (oud art. 5 W.Succ.). Immers, indien de clausule uitwerking kreeg door het overlijden van één van de echtgenoten, kon de overbedeling niet worden belast omdat in de clausule geen voorwaarde van overleven was bedongen. De fiscus trachtte aan die praktijk een halt toe te roepen door de clausule op te nemen in een circulaire als een voorbeeld van wat volgens de fiscus niet meer kan op het vlak van successieplanning (de zogenaamde zwarte lijst) en dus als fiscaal misbruik wordt beschouwd
(4). Door die clausule plaatste men zich buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF, in strijd met de doelstelling ervan, met name voorkomen dat er op het ogenblik van overlijden een overbedeling aan de andere echtgenoot plaatsvindt die onbelast blijft, en met als doorslaggevend motief de belasting te ontwijken. Immers, wanneer die clausule uitwerking kreeg door het overlijden van één van de echtgenoten, vond op dat ogenblik een overbedeling plaats die zeer dicht in de buurt kwam van de destijds door artikel 2.7.1.0.4 VCF belastbaar gestelde toestand en werd er aldus gehandeld in strijd met de geest van die fictiebepaling. Bij de codificatie van de regelgeving naar aanleiding van de overname van de dienst van de successierechten op 1 januari 2015 werd de tekst van het opgeheven artikel 5 W.Succ. in ongewijzigde vorm overgenomen in artikel 2.7.1.0.4 VCF. Tegelijk werd de vermelde clausule opgenomen in de lijst van rechtshandelingen die als fiscaal misbruik beschouwd worden, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven
(5). De decreetgever heeft met ingang van 1 juli 2015 de voorwaarde van overleven geschrapt. Volgens eiser was het de bedoeling van de decreetgever om daardoor alle constructies opgezet met de bedoeling om de overbedeling van de gemeenschap aan de langstlevende echtgenoot aan de toepassing van de erfbelasting te onttrekken, ongeacht of deze constructies uitwerking hebben bij overlijden van één van de echtgenoten, dan wel tijdens het leven van de echtgenoten. Dat blijkt echter niet uit de voorbereidende werken. Door de voorwaarde van overleven te schrappen, beoogde de decreetgever de omweg via de antimisbruikbepaling overbodig te maken en zo voor alle partijen rechtszekerheid te creëren
(6). De voorwaarde van overleven werd m.a.w. geschrapt om te voorkomen dat de belastingadministratie het voordeel dat aan een echtgenoot of zijn erfgenamen werd toegekend door middel van een sterfhuisclausule slechts kan belasten via de omweg van de antimisbruikbepaling. Wanneer ingevolge een huwelijksovereenkomst bij overlijden een ongelijke toebedeling aan de langstlevende echtgenoot plaatsvindt, wordt die ongelijke toebedeling met toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF belast, ongeacht of die toebedeling voorwaardelijk dan wel onvoorwaardelijk werd bedongen in de huwelijksovereenkomst. Sinds 1 juli 2015 wordt een sterfhuisclausule door de VCF aldus belast zoals een voorwaardelijk verblijvingsbeding, met name door toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF. De bedoeling was dus niet om een ongelijke verdeling met uitwerking tijdens het leven van de echtgenoten plots wel te gaan onderwerpen aan die bepaling, maar wel om een ongelijke toebedeling die uitwerking krijgt bij het overlijden van één van de echtgenoten te onderwerpen aan artikel 2.7.1.0.4 VCF, ook wanneer die ongelijke toebedeling niet afhankelijk is gemaakt van de voorwaarde van overleven. Anders dan wat eiser voorhoudt, volgt noch uit artikel 2.7.1.0.4 VCF, noch uit de parlementaire voorbereiding, dat door het schrappen van de voorwaarde van overleven, de decreetgever de bedoeling had om alle ongelijke verdelingen die kort voor het overlijden van de echtgenoot waarvan het overlijden nakend en onoverkomelijk was, zijn overeengekomen, aan die fictiebepaling te onderwerpen, ongeacht of ze uitwerking hebben bij overlijden van de echtgenoot, dan wel reeds tijdens het leven van de echtgenoten. Het tweede onderdeel, dat ervan uitgaat dat het in de bedoeling van de decreetgever lag om ook ongelijke verdelingen bij leven, bedongen vanuit de wetenschap dat één van de echtgenoten binnen afzienbare tijd zal komen te overlijden, aan de toepassing van die bepaling te onderwerpen, lijkt mij te falen naar recht. 3. Besluit: Verwerping. _________________________________
(1)MvT bij ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, Parl.St. Vl.Parl. 2014-2015, nr. 333/1, 10.
(2)Zie N. GEELHAND DE MERXEM en I.-H. GOTZEN, “De begunstiging van de langstlevende echtgenoot en VLABEL”, TEP 2016,
(519)529, nr. 44: “[…] Er is geen standpunt of voorafgaande beslissing van VLABEL in dezen. Uit dossiers uit de praktijk blijkt echter dat VLABEL deze techniek niet aanvaardt. Zij negeert de uitbreng en kwalificeert deze als een verblijvingsbeding bij overlijden onderworpen aan artikel 2.7.1.0.4 VCF. […] Andermaal slaagt VLABEL er niet in om aan te tonen dat de derde constitutieve voorwaarde voor het fiscaal misbruik (de toepassing van de kwestieuze bepaling wordt ontweken in strijd met de doelstellingen van deze bepaling) gerealiseerd is.”; L. WUYTS, “De uitbreng en uitsluiting uit de huwgemeenschap: burgerrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten”, Not.Fisc.M. 2016,
(226)239: “De vraag is of dit gewijzigde artikel toepassing vindt op de uitbreng. M.i. is dit niet het geval. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast de situatie waarin de langstlevende “meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt”, wat noodzakelijkerwijs duidt op de ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden. Men kan immers maar de langstlevende zijn, als één van de twee echtgenoten is overleden”; N. GEELHAND DE MERXEM, “Asymmetrische verdeling van het gemeenschappelijk vermogen tijdens het leven geen “frustreren” van art. 2.7.1.0.4 VCF”, TvRF 2020, 32: “Uit de tekst van art. 2.7.1.0.4 VCF en uit de parlementaire voorbereiding van art. 5 (oud) W.Succ. blijkt zeer duidelijk dat de doelstelling van deze bepaling er niet in bestaat verdelingen van het gemeenschappelijk vermogen bij leven te vatten. De parlementaire voorbereiding dateert overigens van 1851 en toen konden de echtgenoten hun gemeenschappelijk vermogen niet bij leven verdelen. Dus de wetgever heeft die hypothese nooit kunnen beogen. Ook bij de aanpassingen van art. 5 W.Succ. op 1 januari 2015 (overheveling naar de VCF) en op 3 juli 2015 (belastbaar maken van de sterfhuisclausule) is het nooit de bedoeling geweest de verdelingen van het gemeenschappelijk vermogen bij leven te treffen”.
(3)Blz. 14-15 voorziening:“[…] lag het met de wijziging doorgevoerd aan deze fictiebepaling, met ingang van 1 juli 2015, in de bedoeling van de decreetgever om […] zonder rekening te houden met […] de wil van de decreetgever om een einde te maken aan de praktijk van de sterfhuisclausules”. Zie ook beroepsconclusie van eiser: “geïntimeerden verwijzen naar de parlementaire voorbereiding van art. 5 W.Succ. hetgeen de voorganger is van het huidig art. 2.7.1.0.4 VCF en stellen dat deze parlementaire voorbereiding aantoont dat de wetgever van 1851, 1919 en 1936 bij invoering/wijziging van het art. 5 W.Succ. geen ongelijke verdeling van het huwelijksvermogensstelsel viseerde, gezien dat eenvoudigweg wettelijk niet mogelijk was vóór 1976. Dat klopt weliswaar, maar hetgeen geïntimeerden nalaten te verduidelijken is dat art. 5 W.Succ. middels art. 5.0.0.0.1, 4° VCF werd opgeheven. Even belangrijk om hierbij te vermelden is het feit dat het art. 5 W.Succ. een belangrijke voorwaarde vermeldt welke werd geschrapt in het huidig art. 2.7.1.0.4 VCF […] De schrapping van deze bewoordingen, kan niet anders dan worden geïnterpreteerd dan dat de wetgever bij invoering van de VCF ook ongelijke verdelingen van het huwelijksvermogen tijdens het huwelijk viseerde. De toekenning van het merendeel van de gemeenschap hoeft dus niet langer uitsluitend het gevolg te zijn van de vereffening-verdeling bij overlijden. […] Er heeft een decretaal ingrijpen plaatsgevonden om hieraan te verhelpen”.
(4)Omz. nr. 8/2012 van 19 juli 2012 vervangen door Omz. nr. 5/2013 van 10 april 2013.
(5)Omz. nr. 2014/2 van 23 december 2014.
(6)MvT bij ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, Parl.St. Vl.Parl. 2014-2015, nr. 333/1, 10. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230106.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div