id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230106.1N.6 Rolnummer: F.21.0038.N Zaak: KODIAC contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 484 - laatst gezien 2026-06-15 08:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.6 Fiche 1 Opdat er sprake is van enige rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid in de zin van artikel 79 WIB92, is niet noodzakelijk een situatie van wederzijdse juridische of economische controle vereist, maar volstaat een feitelijke wederzijdse afhankelijkheid; de feitelijke wederzijdse afhankelijkheid kan bestaan uit duurzame overeenstemmende belangen, blijkend uit de mogelijkheid om elkaars beslissingen duurzaam te beïnvloeden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 79 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Het kohier van de directe belastingen is een authentieke akte die tot betichting van valsheid bewijs oplevert van wat de openbare of ministeriële ambtenaar persoonlijk heeft verricht of vastgesteld; uit de omstandigheid dat het aanslagbiljet pas enige tijd na de op het kohier vermelde datum van inkohiering aan de belastingplichtige wordt verzonden, volgt niet dat het alsdan aan de administratie toekomt het positieve bewijs te leveren dat de op het kohier vermelde datum van inkohiering met de werkelijkheid overeenstemt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 136 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Tekst van de conclusie F.21.0038.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. De betwisting betreft aanslagen in de vennootschapsbelasting die in hoofde van eiseres werden gevestigd voor de aanslagjaren 2004 en 2005 waarbij, in toepassing van artikel 207 WIB92, de compensatie van verliezen werd geweigerd op het gedeelte van het resultaat dat volgens de administratie voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen zoals vermeld in artikel 79 WIB
- Kern van de betwisting is meer bepaald de vraag naar de draagwijdte van de notie ‘rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid’ in artikel 79 WIB
- Het hof van beroep te Gent oordeelde bij arrest van 15 september 2020 dat eiseres en de vennootschap P. Van Impe & Co bvba zich in een dergelijke band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden en dat het bedrag van het door eiseres tijdens het belastbaar tijdperk verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel steeds de minimale belastbare grondslag dient uit te maken, ongeacht het resultaat van dat tijdperk. Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
- Bespreking van het eerste middel. 2.
- Eiseres voert de schending aan van de artikelen 207 iuncto 79 WIB92 en 149 Grondwet. Naar de mening van eiseres vermochten de appelrechters op basis van de door hen vastgestelde elementen niet tot het bestaan van een band van wederzijdse afhankelijkheid tussen haar en P. Van Impe & Co bvba te besluiten, aangezien: * de notie ‘rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid’ in de zin van de artikelen 79 en 207 WIB92 in zijn dagdagelijkse betekenis zou moeten worden begrepen en derhalve noodzakelijkerwijs een situatie van hetzij juridische controle hetzij economische controle zou veronderstellen. Juridische controle zou een beslissende invloed op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid veronderstellen. Economische controle zou veronderstellen dat één van de ondernemingen slechts kan werken dankzij de kapitalen van de andere onderneming, dankzij grondstoffen, producten, etc. waarvan de andere onderneming het monopolie bezit, dankzij de nauwe technische samenwerking of de waarborgen verstrekt door de andere onderneming of dankzij de nauwe familierelaties tussen de exploitanten. De door de appelrechters vastgestelde feitelijke elementen zouden niet toelaten tot een dergelijke juridische of economische controle te beslissen; en * ook in de verhouding tussen Hermes 2031 bvba en Boekhoudkantoor Seeuws bvba geen sprake is van een dergelijke juridische of economische controle en dat een eventuele vermeende band van afhankelijkheid tussen eiseres en P. Van Impe & Co bvba dus niet wederzijds is. 2.
- Krachtens artikel 207 WIB92, in de versie zoals hier van toepassing, mag geen van de aftrekken bedoeld in de artikelen 199 tot 206, dit zijn aftrekken van vrijgestelde inkomsten, aftrekken van de belastbare winst, vorige verliezen, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk worden verricht op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79 WIB
- Krachtens artikel 79 WIB92, in de versie zoals hier van toepassing, worden beroepsverliezen niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. Artikel 79 WIB92 definieert de notie ‘enige rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid’ niet. In tegenstelling tot hetgeen eiseres aanvoert, impliceert die notie, geïnterpreteerd in zijn dagdagelijkse betekenis, niet noodzakelijk dat er van een juridische of economische controle sprake moet zijn. Het begrip ‘afhankelijkheid’ in zijn dagdagelijkse betekenis is veel ruimer dan het begrip ‘controle’: er kan sprake zijn van afhankelijkheid zonder dat er sprake hoeft te zijn van controle. Ook uit de wetsgeschiedenis van artikel 79 WIB92 blijkt dat het begrip ‘afhankelijkheid’ ruimer moet worden gezien dan juridische of economische controle. 2.2.
- Het huidige artikel 79 WIB92 is de tegenhanger van het voormalig artikel 53 WIB
- Aan de oorsprong van artikel 53 WIB64 ligt op zijn beurt artikel 2 van de Wet van 13 juli 1959 tot wijziging van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, tot bestrijding van fiscale ontwijking, waarbij een artikel 32, § 1, vierde lid, in de samengeordende wetten werd ingevoegd. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever met de nieuwe regel dat beroepsverliezen niet mogen worden afgetrokken van het gedeelte van de winst dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen wenste te vermijden dat binnen een groep van (Belgische) ondernemingen winstgevende ondernemingen hun winst op kunstmatige wijze zouden doorschuiven naar verlieslatende ondernemingen van de groep, teneinde enerzijds taxatie van die winst in hoofde van eerstgenoemde ondernemingen te vermijden en anderzijds laatstgenoemde ondernemingen in staat te stellen hun verlies van de overgedragen winst af te trekken
(1). De oorspronkelijke tekst van het artikel 32, § 1, vierde lid, samengeordende wetten luidde als volgt: “Geen enkele vermindering mag gedaan worden in uitvoering van het tweede lid, op het gedeelte van de inkomsten dat van de abnormale voordelen en baten voortkomt die de onderneming in de loop van de belastbare periode, direct of indirect, in welke vorm of door welk middel ook, heeft bekomen uit een onderneming onder de afhankelijkheid of onder de controle waarvan zij gedurende voornoemde periode heeft gestaan.” (eigen onderlijning) De tekst van het oorspronkelijke wetsartikel bevestigt aldus heel duidelijk dat het begrip ‘afhankelijkheid’ niet mag worden beschouwd als een synoniem van het begrip ‘controle’, aangezien de beide noties naast elkaar worden gebruikt. De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp bevestigt die zienswijze, waar zij overweegt: “De vraag of een onderneming gecontroleerd wordt of afhankelijk is van een andere onderneming hangt af van de beoordeling van de feiten en omstandigheden; nu eens zullen deze toestanden ontdekt worden door een overwegende tussenkomst in de kapitaalvorming of bij de aanduiding van de leden van de beheerraad, dan weer bij het onderzoek van de briefwisseling wanneer de schrifturen het mogelijk maken het abnormaal karakter van sommige prijzen of van sommige uitgaven ten voordele van bepaalde cliënten of rechthebbenden vast te stellen”
(2). (eigen onderlijning) 2.2.2. Bij de invoering van het WIB64 werd deze regel enigszins geherformuleerd. Artikel 53 WIB64 zou luiden: “Geen enkele aftrek wegens bedrijfsverliezen kan krachtens artikel 43, 2° en 33, worden verricht op het gedeelte van de winsten en baten dat voortkomt van abnormale of goedwillige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks tijdens het belastbaar tijdperk heeft behaald uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in banden van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.” (eigen onderlijning) De notie ‘onder de afhankelijkheid of onder de controle’ werd vervangen door de notie ‘in banden van wederzijdse afhankelijkheid’, notie dewelke wij nog steeds in het huidige artikel 79 WIB92 terugvinden. De Memorie van Toelichting bij het WIB64 schrijft over die gewijzigde terminologie het volgende: “[Artikel 32, § 1, vierde lid, samengeordende wetten] heeft tot doel de combinatie te verijdelen waardoor een welvarende vennootschap of een industrieel die belangrijke winsten behaalt, zich meester maakt van een onderneming waarvan het bestaan door de op de balans ingeschreven verliezen bedreigd wordt en haar door allerlei middelen (inzonderheid aankopen tegen overdreven prijzen of verkopen tegen spotprijzen), het maximum aan winsten overdraagt, welke aldus in de begunstigde onderneming kunnen worden opgeslorpt door de verliezen der vorige vijf jaren of boekjaren. Artikel 14 van dit wetsontwerp neemt deze bepaling over, past ze aan de voorgestelde nieuwe wetteksten aan en vult ze zodanig aan, dat zij het geval voorziet waar, in de hierboven uiteengezette combinatie, de belanghebbende partijen in de tegenovergestelde zin van elkaar afhankelijk zijn”
(3). De vervanging van de notie ‘onder de afhankelijkheid of onder de controle’ door de notie ‘in banden van wederzijdse afhankelijkheid’ bevestigt aldus dat het begrip ‘afhankelijkheid’ ruimer is dan het begrip ‘controle’ en dat controle slechts één van de mogelijke vormen van afhankelijkheid is. 2.3. Er bestaat heel wat rechtspraak en rechtsleer omtrent de interpretatie van het begrip ‘abnormale en goedgunstige voordelen’ in de zin van artikel 79 WIB92, doch rechtspraak en rechtsleer omtrent de interpretatie van de notie ‘rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid’ is eerder zeldzaam. In een arrest van 2 mei 1962 oordeelde het Hof dat de beoordeling van de vraag of er sprake is van afhankelijkheid of controle in de zin van artikel 32, § 1, vierde lid, samengeordende wetten behoort tot de soevereine appreciatie van de feitenrechter. Het Hof oordeelde dat de feitenrechter zulks kan afleiden uit een geheel van feitelijke omstandigheden en dat de appelrechter die het bestaan van controle afleidt uit de deelname van de ene onderneming in de totstandkoming van de andere onderneming, de belangrijkheid van de participatie van de ene onderneming in de andere onderneming en het bestaan van gemeenschappelijke bestuurders zijn beslissing naar recht verantwoordt
(4). Een voornamelijk oudere rechtsleer bevestigt dat het begrip ‘enige band van wederzijdse afhankelijkheid’ niet te beperken is tot verbonden ondernemingen sensu stricto in de zin van het W.Venn. of de boekhoudwetgeving, maar dat het begrip in zijn meest ruime betekenis moet worden geïnterpreteerd
(5)en dat enkel vereist is dat de vennootschap die enig voordeel heeft genoten, op één of andere manier afhankelijk is van de andere en dat vennootschappen onderling verbonden zijn van zodra ‘enige’ band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat. Die band kan juridisch of feitelijk zijn. Zo zijn ondernemingen verbonden wanneer ze duurzame gemeenschappelijke belangen hebben, zonder dat ze daarom juridisch van elkaar moeten afhangen. Een gemeenschap van belangen zou bestaan als uit een geheel van juridische en feitelijke omstandigheden blijkt dat ondernemingen in staat zijn elkaar beslissingen te beïnvloeden
(6). Sommige auteurs halen daarbij aan dat de band van wederzijdse afhankelijkheid o.m. kan blijken uit het bestaan van beheersingsovereenkomsten, de instelling van gemeenschappelijke directiecomités, de identiteit van bestuurders, en, in bepaalde omstandigheden, zelfs uit het bestaan van concessieovereenkomsten of integratieakkoorden
(7). 2.4. Voor de interpretatie van de notie ‘rechtstreekse of onrechtstreekse band van wederzijdse afhankelijkheid’ in de zin van artikel 79 WIB92 kan ook verwezen worden naar de wijze waarop de artikelen 26 WIB92 (dat een eerdere oorsprong heeft dan artikel 79 WIB92) en 228 WIB92 (dat van een latere datum is dan de artikelen 26 en 79 WIB92) worden geïnterpreteerd, dewelke beide een gelijkaardige notie hanteren. Met betrekking tot artikel 26 WIB92 werd door het Hof in een arrest van 9 april 1968 geoordeeld dat de appelrechters die uit het sluiten tussen twee ondernemingen van een overeenkomst tot vertegenwoordiging bij verkoop (een soort concessie) en de context van die overeenkomst, een band van afhankelijkheid hebben aangenomen, “werkelijk hebben kunnen aannemen, krachtens een beoordeling die van feitelijke aard is, dat gedurende de bedoelde periode het beheer van het handelsbedrijf van eiseres afhankelijk was van de belangen- en wilsovereenstemming, welke haar volkomen afhankelijk maakte van de buitenlandse onderneming”
(8). (eigen onderlijning) Aldus lijkt het Hof voor doeleinden van artikel 26 WIB92 te hebben aanvaard dat er sprake is van een band van wederzijdse afhankelijkheid zodra een ‘duurzame belangenovereenstemming’ bestaat. Het is precies dat criterium dat voormelde rechtsleer ook voor doeleinden van artikel 79 WIB92 voorstaat. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot invoering/aanpassing artikel 228, § 3, WIB92 spreekt men met verwijzing naar de artikelen 26 en 79 WIB92 echter over afhankelijkheid louter in termen van juridische of economische controle, doch gelet op voorgaande is deze benadering m.i. te eng: “Wat de “directe of indirecte band van onderlinge afhankelijkheid” betreft, wordt verwezen naar de invulling die daaraan wordt gegeven voor de toepassing van abnormaal en goedgunstige voordelen (artikelen 26, tweede lid, en 79, WIB 92) in de administratieve commentaar en de rechtspraak. Het betreft steeds een feitenkwestie, die moet worden beoordeeld op basis van de concrete omstandigheden. Het kan hierbij gaan om de juridische controle die wordt uitgeoefend, maar ook om een economische controle, die de afhankelijkheid van een onderneming ten opzichte van een andere met zich meebrengt. De bewijslast rust bij de administratie”
(9). 2.
- Eiseres meent voor haar stelling steun te vinden in de administratieve commentaren bij het WIB
- De administratieve commentaren bij artikel 79 WIB92 (commentaar 79/9) verwijzen namelijk voor de interpretatie van de notie ‘rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid’ naar de administratieve commentaren bij artikel 26 WIB92 (commentaar 26/37), dewelke luiden: “Of er (rechtstreeks of onrechtstreeks) een band van wederzijdse afhankelijkheid tussen ondernemingen bestaat, hangt af van de feiten en omstandigheden. Nu eens zullen die toestanden worden aangetoond door de vaststelling van een overwegende tussenkomst in de vorming van het kapitaal of door de aanwijzing van de leden van de raad van bestuur van de vennootschap, dan weer door het feit dat één van de ondernemingen, ongeacht haar vorm, slechts normaal kan werken dankzij: - de kapitalen (aandelen, voorschotten, kredieten enz.) van de andere onderneming; - de grondstoffen, producten enz., waarvan de andere onderneming het monopolie bezit (in feite of in rechte); - de nauwe technische samenwerking of de waarborgen verstrekt door de andere onderneming (bij banken b.v.); - de nauwe familierelaties tussen de exploitanten (vader en zoon, man en vrouw enz.). Typische voorbeelden: een onderneming fabriceert bepaalde producten en een andere onderneming houdt zich uitsluitend bezig met de verkoop van die producten of, omgekeerd, een onderneming verkoopt goederen die ze laat produceren of omvormen door de andere onderneming. (…)” Evenwel blijkt uit die administratieve commentaren niet dat een band van wederzijdse afhankelijkheid een juridische of economische controle vereist, maar dat afhankelijkheid ook het gevolg kan zijn van bv. nauwe technische samenwerking. 2.
- Zowel uit de wetsgeschiedenis, als uit de voormelde rechtspraak en rechtsleer lijkt mij te volgen dat de notie ‘rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid’ ruim dient te worden geïnterpreteerd en geenszins beperkt is tot een juridische of economische controle. Een feitelijke wederzijdse afhankelijkheid volstaat mijns inziens, zoals door het hebben van duurzame gemeenschappelijke belangen, blijkend uit de mogelijkheid elkaars beslissingen duurzaam te beïnvloeden. 2.
- In het licht van het voorgaande lijkt het mij dat de appelrechters uit de gedane feitelijke vaststellingen wettig konden afleiden dat tussen eiseres en de bvba P. Van Impe & Co een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 79 en 207 WIB92, kan het derhalve niet worden aangenomen. 2.
- In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, zonder te verduidelijken hoe en waarom die bepaling geschonden is, komt het mij niet ontvankelijk voor.
- Bespreking van het tweede middel. 3.
- In het tweede middel, dat uitsluitend betrekking heeft op het aanslagjaar 2004, voert eiseres de schending aan van de artikelen 354, eerste lid, iuncto 300 WIB92 en 136 KB/WIB92, 149 Grondwet en van "de rechten van verdediging", "de bewijslastverdeling in fiscalibus" en "het rechtzekerheidsbeginsel". De appelrechters zouden zonder afdoende motivering aannemen dat de laattijdige verzending door verweerder van het aanslagbiljet geen schending van de rechten van verdediging, van de bewijslastverdeling in fiscalibus of van de rechtszekerheid inhoudt, en verweerder bijgevolg ontslaan van een strikte naleving van de fiscale wet, en van de op hem rustende bewijslast van een regelmatige en tijdige uitvoerbaarverklaring van het kohier en het bestaan van gewettigde oorzaken om af te wijken van de wettelijke vervaltermijn. 3.
- Het opmaken en uitvoerbaar maken van het kohier is een eenzijdige rechtshandeling, gematerialiseerd door een authentieke akte, waarbij het bestuur het bestaan vaststelt van een bepaalde fiscale schuld ten laste van een bepaalde schuldenaar en een uitvoerbare titel opmaakt om de verschuldigde belasting in te vorderen(10°. Het authentieke karakter van het kohier heeft tot gevolg dat deze akte het bewijs levert - behoudens inschrijving wegens valsheid - van het bestaan van de rechtshandeling en van de modaliteiten, zoals de datum, die in de akte vermeld worden. De omstandigheid dat het aanslagbiljet pas enige tijd na de op het kohier vermelde datum van inkohiering aan de belastingplichtige wordt verzonden, maakt niet dat het kohier zijn bewijskracht verliest en het aan de administratie toekomt het positieve bewijs te leveren dat de op het kohier vermelde datum van inkohiering met de werkelijkheid overeenstemt. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel faalt het m.i. naar recht. 3.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: * het boekjaar van eiseres afsloot op 30 juni en de aanslag voor aanslagjaar 2004 aldus uiterlijk op 30 juni 2007 moest worden gevestigd; * de administratie een uittreksel van het kohier inzake vennootschapsbelasting, uitvoerbaar verklaard op 29 juni 2007 voorlegt, waarop 2 artikels staan vermeld, met name kohierartikel 700251 op naam van eiseres voor een bedrag van 19.956,38 euro en kohierartikel 700252 op naam van Hermes 2031 bvba voor een bedrag van 19.956,38 euro; * dit uittreksel als datum van de verzending van de aanslagbiljetten 17 juli 2007, als vervaldag 17 september 2007 en als datum waarop de nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn, 1 oktober 2007 vermeldt; * gelet op de bijzondere bewijskracht van de vermeldingen op het kohier de datum van inkohiering van 29 juni 2007 zich opdringt; * er geen valsheidsvordering werd ingesteld; * eiseres ten onrechte stelt dat een valsheidsvordering niet dienstig is aangezien het geen materiële valsheid betreft doch een intellectuele valsheid, nu een valsheidsvordering niet alleen materiële valsheden maar ook intellectuele valsheden betreft en de rechter op grond van artikel 902 Gerechtelijk Wetboek alle dienstige maatregelen kan bevelen, niet enkel een schriftonderzoek; * de omstandigheid dat het aanslagbiljet pas aan eiseres werd gezonden op 17 juli 2007, geen afbreuk doet aan de bewijskracht van de datum van inkohiering vermeld op het uittreksel en de eventuele ongeldigheid van het aanslagbiljet de regelmatigheid van het kohier niet kan aantasten. De appelrechters die met die redenen oordelen dat er geen schending van de rechten van verdediging van eiseres kan worden vaststeld, verantwoorden m.i. hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet lijkt het mij te berusten op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 3.
- In zoverre het middel de miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel aanvoert, is m.i. het niet ontvankelijk. De aangevoerde grieven lijken mij met dit algemeen rechtsbeginsel geen verband te houden. 3.
- In zoverre het middel de miskenning aanvoert van “de bewijslastverdeling in fiscalibus”, is het m.i. niet-ontvankelijk bij gebrek aan aanduiding van de wettelijke bepalingen die worden geschonden.
- Besluit: Verwerping. ____________________________________
(1)Zie Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 13 april 1959 tot wijziging van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, tot bestrijding van de fiscale ontwijking, Parl.St. Kamer, zitting 1958-59, 194/1, hetwelk verwijst naar de Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 15 januari 1957 tot wijziging van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, tot bestrijding van de fiscale ontwijking, Parl.St. Kamer, zitting 1956-1957, nr. 640/1, p. 5-6: “Bloeiende vennootschappen of industriële en handelaars die belangrijke winsten behalen, kopen tegen lage prijs door tussenkomst van fiscale deskundigen een groot gedeelte op van de aandelen of van de deelbewijzen van vennootschappen waarvan het bestaan door de op de balans voorkomende verliezen bedreigd wordt. Zij veroorzaken vervolgens een wijziging van de in verlies zijnde rechtspersoon, nemen de directie ervan in handen, laten haar de rol van dochtervennootschap spelen en brengen haar tenslotte door allerlei middelen en namelijk door aankopen van koopwaren tegen overdreven prijzen of door verkopen tegen belachelijke prijzen, een maximum van winsten over die aldus in hoofde van de verlieslijdende vennootschap kunnen opgeslorpt worden door de verliezen van de vorige vijf jaren of boekjaren. De fiscale gevolgen van dergelijke handelwijze tussen moeder- en dochtervennootschap kunnen reeds vermeden worden dank zij artikel 27, § 2, 7°, van de samengeordende wetten, wanneer een of andere van deze vennootschappen in het buitenland gevestigd is. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Voor de toepassing van de bedrijfsbelasting worden als winsten aangezien: (…) 7° De voordelen en baten welke een in het buitenland gevestigde onderneming, onder welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks verkrijgt:
- a)uit in België gevestigde bedrijven welke van haar afhankelijk zijn of onder haar controle staan;
- b)uit ondernemingen of bedrijven in België, welke haar controleren of waarvan zij afhankelijk is. Deze baten en voordelen worden bij de winst van de in België gevestigde bedrijven of ondernemingen gevoegd.’ Dergelijke bepaling bestaat niet voor de onderling afhankelijke Belgische vennootschappen. Artikel 2 van het wetsontwerp, ingegeven door het basisprincipe van het vorenstaande artikel 27, § 2, 7°, strekt ertoe de gelaakte combinatie tegen te gaan. De aftrekking van de verliezen der vorige vijf belastbare periodes zal geweigerd worden op het gedeelte der winsten uit abnormale voordelen en winsten die de belastingplichtige direct of indirect, onder welke vorm en door welk middel ook zou behaald hebben uit een onderneming onder de afhankelijkheid of onder de controle waarvan de inkomsten met de vorige verliezen kunnen worden verminderd (…)”. Zie ook Verslag namens de Commissie voor de Financiën, uitgebracht door de heer Fimmers, van 19 mei 1959 bij het Wetsontwerp tot wijziging van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, tot bestrijding van de fiscale ontwijking, Parl.St. Kamer, zitting 1958-59, nr. 194/3, p. 9-10: “Bij artikel 32 van de gecoördineerde wetten wordt bepaald dat de winsten van het belastbare jaar of boekjaar in voorkomend geval worden verminderd met de tijdens de vijf vorige jaren geleden verliezen. Ook deze regel, die niet meer dan logisch leek, heeft aanleiding gegeven tot betreurenswaardige misbruiken. Bedrijven die zeer grote winsten boeken hebben gepoogd andere bedrijven te kopen die verliezen geleden hadden. Door ingevolge verkopen tegen bespottelijke prijzen of door andere handelsvoordelen hun winstoverschot over te schrijven op het met het tekort sluitend bedrijf, bereikten zij het tweevoudige voordeel, in belastingopzicht hun eigen winst te verminderen, terwijl aan het filiaal de mogelijkheid werd verschaft ze door haar verliezen op te vangen. Het betreft zoals een commissielid zegde, de aankoop van verliezen met het oog op een fiscaal voordeel. Aan dit misbruik zal een einde gemaakt worden door de tekst van het nieuwe artikel 4 (vroeger artikel 2), waarbij compensatie van winst en verlies slechts toegestaan wordt indien de winst niet voortkomt uit abnormale voordelen toegekend door het bedrijf zelf waarvan het filiaal afhankelijk was (…)”.
(2)Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 13 april 1959 tot wijziging van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, tot bestrijding van de fiscale ontwijking, Parl.St. Kamer, zitting 1958-59, 194/1, hetwelk verwijst naar de Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 15 januari 1957 tot wijziging van de op 15 januari 1948 samengeordende wetten betreffende de inkomstenbelastingen, tot bestrijding van de fiscale ontwijking, Parl.St. Kamer, zitting 1956-1957, nr. 640/1, p. 6.
(3)Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 16 januari 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1961-1962, nr. 264/1, p. 72.
(4)Cass. 2 mei 1962, Pas. 1962,
- Vergelijk met Cass. 9 april 1968, AC 1968, 1041 (dat evenwel niet handelt over het begrip afhankelijkheid in de zin van artikel 79 WIB92, maar over het gelijkaardige begrip afhankelijkheid in artikel 26 WIB
- Het Hof maakt zelf de link tussen beide artikelen door bij het arrest van 1968 te verwijzen naar het arrest van 1962).
(5)J.-L. GODEFROIT, “Le traitement fiscal des pertes”, JDF 1982, 141.
(6)H. COPPENS, “Artikelen 53 en 115 W.I.B. ter zake van abnormale of goedgunstige voordelen tussen verbonden Belgische ondernemingen”, Fiskofoon 1987, 277-278; P. JANS, Les transferts indirects de bénéfices entre sociétés interpendantes, Brussel, Bruylant 1976, 53; X, Commentaar bij Rb. Brugge 27 juni 2012, nr. BR1 12/0636, De fiscale Koerier 2012, 600.
(7)I. CLAEYS BOÚÚAERT en S. VAN CROMBRUGGE, “De voorkoming van verdoken winstverschuivingen”, in Vennootschap en belastingen, Deel XII, nr. 1200; J.P. LAGAE, “Noties van internationaal fiscaal recht in verband met personen en ondernemingen”, TPR 1982, 198-199 .
(8)Cass. 9 april 1968, AC 1968, 1041.
(9)Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 5 oktober 2016 houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 2015-2016, DOC 54; 2072/001, 57-58.
(10)I. CLAEYS BOÚÚAERT, “De aanslag”, Brussel, Larcier 1963, p. 92, nr. 125. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230106.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div