id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230113.1N.2 Rolnummer: C.22.0096.N Zaak: D. contra PUNCH POWERTRAIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-05-23 Raadplegingen: 1281 - laatst gezien 2026-06-18 18:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2 Fiche 1 Dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn en hij de plicht heeft ambtshalve de rechtsregels op te werpen waarvan de toepassing geboden is door feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of hun verweer, betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke doch niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen
(1).
(1). Zie conl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Fiche 2 Artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de rechter het middel van de verjaring niet ambtshalve mag toepassen, doet geen afbreuk aan de verplichting van de rechter om het middel van de verjaring op te werpen wanneer de door de verweerder in het bijzonder ter ondersteuning van zijn verweer aangevoerde feiten daartoe nopen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2223 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.22.0096.N Conclusie van advocaat-generaal Herregodts: (…)
- Eisers in cassatie komen op tegen de beslissing van de appelrechters om het Benelux-beeldmerk PUNCH, gedeponeerd op 21 juli 2009, nietig te verklaren voor zover het werd ingeschreven voor de klassen 12 en
- Eisers voeren de schending aan door de appelrechters van: * artikel 2.28.3, sub b, juncto artikel 2.4, sub f. van het Benelux-verdrag inzake de Intellectuele Eigendom, gedaan te Den Haag op 25 februari 2005, zoals gewijzigd door het protocol van 22 juni 2010, zoals in werking getreden op 1 oktober 2013 (BS 17 juli 2013) (kortweg: “Oud BVIE”) en vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsprotocol van 11 december
- * het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter het geschil moet beslechten overeenkomstig de rechtsregel die erop van toepassing is en dat de rechter verplicht om, met naleving van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing is vereist door de feiten die de partijen tot staving van hun aanspraken in het bijzonder aanvoeren.
- Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of hun verweer. Dit betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke doch niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen
(1). 9. Krachtens artikel 2.4, f), BVIE, zoals gewijzigd door het protocol van 22 juli 2010 (in werking getreden op 1 oktober 2013) en vóór de wijziging door het protocol van 11 december 2017 (in werking getreden op 1 maart 2019), wordt er geen recht op een merk verkregen door de inschrijving van een merk, waarvan het depot te kwader trouw is verricht, met name en krachtens
(1): het depot dat wordt verricht terwijl de deposant weet of behoort te weten, dat een derde binnen de laatste drie jaren in het Benelux-gebied een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren of diensten te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, en die derde zijn toestemming niet heeft verleend. Krachtens artikel 2.28.3 BVIE kan wanneer de houder van de eerdere inschrijving of de in artikel 2.4, f bedoelde derde aan het geding deelneemt, iedere belanghebbende de nietigheid inroepen: (…) (b) van de inschrijving van het merk waarvoor krachtens artikel 2.4 sub f, geen merkrecht wordt verkregen. De nietigheid op grond van artikel 2.4 sub f moet worden ingeroepen binnen een termijn van vijf jaren, te rekenen van de datum van inschrijving. Onder deze oude regeling in het BVIE betrof het depot te kwader trouw een relatieve nietigheidsgrond, die enkel door een belanghebbende partij (en niet door het Openbaar Ministerie) kon worden ingeroepen
(2). Deze nietigheidsgrond heeft, net zoals de andere relatieve nietigheidsgronden, betrekking op het vereiste van beschikbaarheid van het merk. De relatieve nietigheidsgronden kunnen krachtens artikel 2.28.3 BVIE enkel door een belanghebbende partij worden ingeroepen, dit is in de eerste plaats de partij die door de nietigheidsgrond beschermd wordt, namelijk de houder van een ouder recht of een eerdere gebruiker te goeder trouw, of elke andere partij die hierbij een belang heeft, op voorwaarde dat de houder van het oudere recht/de eerdere gebruiker te goeder trouw aan het geding deelneemt. De absolute nietigheidsgronden kunnen krachtens artikel 2.28.1 BVIE daarentegen door iedere belanghebbende én het Openbaar Ministerie worden ingeroepen. Zij betreffen de vereisten van het onderscheidend vermogen van het merk, inherent aan het merk zelf, of van de toelaatbaarheid van het merk. De vordering inzake de absolute nietigheidsgronden is in de regel niet aan een verjaringstermijn gebonden
(3). Artikel 4.2 van Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (hierna “Merkenrichtlijn”), behandelt de kwade trouw daarentegen als een dwingende absolute nietigheidsgrond
(4). Dit artikel bepaalt immers onder de titel “Absolute gronden voor weigering of nietigheid” dat “een merk nietig kan worden verklaard wanneer de aanvraag om inschrijving van het merk te kwader trouw is ingediend. Een lidstaat kan ook bepalen dat een dergelijk merk niet wordt ingeschreven”. Met het protocol van 11 december 2017 (in werking getreden op 1 maart 2019) werd het BVIE dan ook gewijzigd, om de conformiteit van dit verdrag met voornoemde richtlijn te verzekeren. De wetgever heeft hiermee grondige wijzigingen aangebracht aan de regeling voor merken die te kwader trouw worden aangevraagd. Zoals voorgeschreven door artikel 4.2 Merkenrichtlijn, wordt overgestapt van een relatieve naar een absolute nietigheidsgrond
(5). Daarnaast wordt niet langer een verjaringstermijn bepaald voor het instellen van een nietigheidsvordering, noch op absolute, noch op relatieve gronden
(6). Artikel 2.2bis BVIE, zoals gewijzigd door het protocol van 11 december 2017, inzake “absolute gronden voor weigering of nietigheid” bepaalt in lid 2 – in identieke bewoordingen als artikel 4.2 Merkenrichtlijn – dat een merk nietig kan worden verklaard wanneer de aanvraag om inschrijving van het merk te kwader trouw is ingediend. Krachtens artikel 2.28.1 BVIE, zoals gewijzigd door het protocol van 11 december 2017, kan de nietigheid op absolute gronden worden ingeroepen door iedere belanghebbende, met inbegrip van het Openbaar Ministerie. Krachtens art. 2.28.2 BVIE kan de nietigheid op relatieve gronden daarentegen slechts worden ingeroepen door iedere belanghebbende (en niet door het Openbaar Ministerie), wanneer de houder van het oudere merk aan het geding deelneemt
(7). In casu zijn de oude bepalingen van art. 2.4, f), en 2.28.3, b), BVIE temporeel nog van toepassing op het Benelux-beeldmerk Punch, gedeponeerd op 21 juli 2009 op naam van eerste eiser. Die bepalingen blijven immers gelden voor alle Benelux-merken die vóór 1 maart 2019 zijn gedeponeerd. Het Hof van Justitie oordeelt namelijk in vaste rechtspraak dat “materiële rechtsregels van de Unie ter verzekering van de eerbiediging van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel in beginsel aldus worden uitgelegd dat zij alleen gelden ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities voor zover er blijkens de bewoordingen, doelstellingen of opzet ervan zulke gevolgen aan dienen te worden toegekend”
(8). In toepassing van dit beginsel oordeelde het Hof van Justitie in het arrest Textilis – met betrekking tot de nietigheidsgrond in artikel 7, lid 1, onder e), iii), Verordening 207/2009 inzake het Uniemerk, die werd verruimd door Verordening (EU) 2015/2424 – dat Verordening 2015/2424, in werking getreden op 23 maart 2016, geen enkele bepaling bevat die er uitdrukkelijk in voorziet dat artikel 7, lid 1, onder e), iii), van de gewijzigde verordening 207/2009 bedoeld is om te worden toegepast op Uniemerken die zijn ingeschreven vóór deze datum
(9). Bovendien blijkt noch uit de doelstelling van de verordening, noch uit het opzet ervan, dat de Unieregelgever heeft beoogd retroactieve werking te verlenen aan artikel 7, lid 1, onder e), iii), van de gewijzigde verordening 207/2009
(10). Het Hof van Justitie besloot dat deze bepaling dus niet van toepassing is op merken die zijn ingeschreven vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde verordening
(11). Daarnaast oordeelt het Hof van Justitie in vaste rechtspraak dat “in geval van vorderingen tot nietigverklaring van Unie- en nationale merken, de datum waarop de inschrijvingsaanvraag van die merken is ingediend, bepalend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht”
(12). Bij gebrek aan expliciete bepaling in artikel 2.2bis, lid 2, BVIE (of in de Merkenrichtlijn) dat zij ook van toepassing is op merken die vóór 1 maart 2019 werden gedeponeerd (en nu dit noch uit de doelstelling noch uit het opzet van die richtlijn blijkt), blijven de voordien gedeponeerde merken dus ressorteren onder het wettelijke kader van toepassing ten tijde van hun depots
(13). De verjaringstermijn opgenomen in het oude artikel 2.28.3, b), BVIE is, zoals reeds vermeld, in strijd met de Merkenrichtlijn, die de kwade trouw als een absolute nietigheidsgrond beschouwt, waarvan de vordering niet aan een verjaringstermijn gebonden is. De Merkenrichtlijn voorziet in een maximale harmonisatie van de nietigheidsgronden en verbiedt de lidstaten om andere weigerings- of nietigheidsgronden in te voeren dan die welke zijn opgenomen in de richtlijn
(14). De memorie van antwoord van verweerster voert aan dat de rechter de met de richtlijn strijdige verjaringstermijn van artikel 2.28.3, b), BVIE bijgevolg buiten toepassing had moeten laten
(15). Dit lijkt mij echter niet correct. Bij strijdigheid van een nationale wetsbepaling met een EU-richtlijn moet de nationale rechter in een eerste fase nagaan of die nationale wetsbepaling richtlijnconform geïnterpreteerd kan worden, zonder dat die interpretatie evenwel als grondslag kan dienen voor een uitleg contra legem van die wetsbepaling
(16). In casu lijkt een richtlijnconforme interpretatie niet mogelijk te zijn: indien de verjaringstermijn in artikel 2.28.3, b), BVIE wordt weggedacht, conform artikel 4.2 Merkenrichtlijn, is dit in strijd met de bewoordingen en het doel van dit artikel (dit is contra legem). Indien een richtlijnconforme interpretatie niet mogelijk is, moet de nationale rechter, in een tweede fase, de nationale wetsbepaling buiten toepassing laten, maar slechts voor zover deze strijdig is met een Unierechtelijke bepaling die rechtstreekse werking heeft in het geding dat aan hem is voorgelegd
(17). Een Unierechtelijke bepaling zonder rechtstreekse werking kan dus niet worden ingeroepen met het doel een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten
(18). Welnu, een bepaling van een EU-Richtlijn kan voor de nationale rechter slechts worden ingeroepen ten aanzien van de overheid (dit is een verticale rechtstreekse werking), voor zover zij voldoende duidelijk, precies en onvoorwaardelijk is. Zij kan daarentegen niet worden ingeroepen in de verhouding tussen particulieren (dit is geen horizontale rechtstreekse werking)
(19). In casu heeft artikel 4.2 Merkenrichtlijn dus geen rechtstreekse werking in het geschil dat particulieren betreft, zodat deze bepaling niet kan worden ingeroepen om het hiermee strijdige artikel 2.28.3, b), BVIE buiten toepassing te laten
(20). Uit het bovenstaande volgt dat de verjaringsregel vervat in het oude artikel 2.28.3, b), BVIE, zoals van toepassing vóór het wijzigingsprotocol van 11 december 2017, temporeel van toepassing is op het voorliggende geding en dat de rechter deze bepaling niet buiten toepassing kan laten wegens strijdigheid ervan met artikel 4.2 Merkenrichtlijn. In de voorliggende zaak heeft verweerster bij eerste conclusie in hoger beroep op 28 augustus 2020 een tegenvordering tot nietigverklaring van het merk Punch 2009 ingesteld, op de grond dat eerste eiser het depot daarvan te kwader trouw zou hebben verricht, krachtens artikel 2.4, f), BVIE, zoals van toepassing vóór het wijzigingsprotocol van 11 december
- Eisers hebben zich in hun appelconclusies niet beroepen op de verjaringstermijn van vijf jaar te rekenen van de datum van inschrijving van het merk op 21 juli 2009, krachtens artikel 2.28.3, b), BVIE, zoals van toepassing vóór het wijzigingsprotocol van 11 december
- De vraag rijst in casu of de appelrechters de toepassing van deze verjaringstermijn ambtshalve hadden moeten opwerpen. Er moet worden opgemerkt dat de verjaringsregel van artikel 2.28.3, b), BVIE niet de openbare orde raakt. Deze verjaringstermijn bestaat immers uitsluitend in het belang van de deposant die het depot van het merk te kwader trouw heeft verricht. Die deposant heeft juist in strijd met de openbare orde gehandeld en verdient derhalve geen enkele bescherming. Bovendien is de verjaringstermijn van een vordering tot (relatieve) nietigheid gebaseerd op een depot te kwader trouw, zoals gezegd, in strijd met artikel 4.2 Merkenrichtlijn. Deze bepaling merkt de kwade trouw immers als een absolute nietigheidsgrond aan waarvan de vordering niet aan een verjaringstermijn gebonden is. De verjaringstermijn van oud artikel 2.28.3, b), BVIE is dan ook (terecht) geschrapt in het nieuwe artikel 2.28 BVIE. Deze termijn kan dus bezwaarlijk worden geacht van openbare orde te zijn. Partijen voor het Hof zijn het er in casu over eens dat de verjaringsregeling van artikel 2.28.3, b), BVIE niet van openbare orde is (hierover bestaat geen discussie) – en het middel voert evenmin aan dat die regeling wél van openbare orde zou zijn. Nu de verjaringsregel van artikel 2.28.3, b), BVIE de openbare orde niet raakt, is artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing. Krachtens dit artikel mag de rechter het middel van de verjaring niet ambtshalve toepassen. Het Hof oordeelt in vaste rechtspraak dat “de rechter bijgevolg het middel van de verjaring, behoudens in zaken die de openbare orde aanbelangen, slechts kan toepassen wanneer het door de belanghebbende wordt ingeroepen”
(21). Het middel van de verjaring raakt in principe dus enkel private belangen. Niemand is immers verplicht het voordeel van de verjaring te benutten
(22). Hierin ligt de ratio legis van artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek: de schuldenaar heeft zelf het keuzerecht om de verjaring al dan niet toe te passen. De wet wil op die manier tegemoetkomen aan de mogelijke gewetensbezwaren van de schuldenaar: het is denkbaar dat zijn geweten hem zou voorschrijven de ware schuldeiser niet te beroven
(23). De vraag rijst evenwel hoe dit artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek zich verhoudt tot het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter en de recente ontwikkelingen ervan, die een actieve rol van de rechter veronderstellen. In een interessante bijdrage geeft D. MOUGENOT een duidelijk antwoord op deze vraag
(24). Volgens voormeld algemeen rechtsbeginsel mag de rechter steunen op alle regelmatig aan hem voorgelegde feiten en mag hij ambtshalve de toepassing van elke rechtsregel opwerpen die van toepassing is op die feiten. Hij moet zelfs ambtshalve de toepassing van een rechtsregel opwerpen die van toepassing is op feiten die partijen in het bijzonder hebben aangevoerd ter staving van hun vordering of verweer
(25). De rol van de rechter inzake het middel van de verjaring lijkt te verschillen naar gelang de verweerder al dan niet in het bijzonder feiten heeft aangevoerd die de toepassing van de verjaringsregels uitlokken. Indien de verweerder geen enkel argument haalt uit de ouderdom van de schuld of de laattijdigheid van de vordering – en dus geen enkel feit in het bijzonder heeft aangevoerd ter staving van een (impliciet) verweer inzake de verjaring – mag de rechter niet zonder meer de rechtsgronden aanvullen en de toepassing van de verjaringsregel ambtshalve opwerpen. Hij mag de verjaringsregel niet zonder meer toepassen op de voorliggende feiten (ook al blijkt bijvoorbeeld het vertrekpunt van de verjaringstermijn uit het dossier). Deze actieve rol van de rechter, zoals die in principe voortvloeit uit het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter, botst immers op de grenzen van het verbod in artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek
(26). Dit sluit volgens voornoemde auteur echter niet uit dat de rechter, op grond van het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter, de verjaringsregels wel in het debat mag brengen – te weten partijen mag informeren of signaleren dat mogelijks een verjaringsregel geldt – zij het dat de rechter niet zelf in de plaats van de schuldenaar mag beslissen om de verjaring toe te passen. Het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter brengt dus een nuance aan op het verbod voor de rechter om het middel van de verjaring ambtshalve toe te passen, krachtens artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek: de rechter mag de verjaring in het debat brengen, maar de schuldenaar neemt de finale beslissing om de verjaring al dan niet toe te passen. Op die manier wordt geen afbreuk gedaan aan de ratio legis van artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek
(27). Indien de verweerder daarentegen wél een verweer voert dat steunt op de ouderdom van de schuld en op de ongunstige gevolgen die hieruit voortvloeien – en dus wél feiten in het bijzonder heeft aangevoerd inzake de laattijdigheid van de vordering – moet de rechter ambtshalve de toepassing van de verjaringsregels opwerpen. Hij moet dit verweer dan herkwalificeren door vast te stellen dat de verweerder de verjaring inroept en de verjaringstermijn toepassen die geboden is door een juiste kwalificatie van de in het bijzonder aangevoerde feiten
(28). Ook in dit geval brengt het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter een nuance aan op het verbod voor de rechter om het middel van de verjaring ambtshalve toe te passen, krachtens artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek. Ook in dit geval blijft de ratio legis van deze bepaling mijns inziens gevrijwaard, ook al ligt de finale beslissing inzake de toepassing van de verjaringsregels hier niet bij de schuldenaar maar bij de rechter. Uit de in het bijzonder door de schuldenaar aangevoerde feiten inzake de laattijdigheid van de vordering blijkt immers de facto dat het wel degelijk de wil is van de schuldenaar om de verjaring in te roepen. De beslissing van de rechter om de verjaring toe te passen steunt dus wel op een eigen keuze van de schuldenaar. Daarnaast lijkt het verbod voor de rechter om de verjaring toe te passen, krachtens artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek, sowieso niet te gelden indien de schuldenaar in het bijzonder feiten heeft aangevoerd inzake de laattijdigheid van de vordering. Op grond van artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek mag de rechter, zoals reeds gesteld, het middel van de verjaring slechts toepassen indien de partij die beschermd is door de verjaring, het heeft ingeroepen. Hierbij is niet vereist dat het middel expliciet is verwoord. Ook een impliciete verwijzing naar dit verweermiddel en de feiten die het onderbouwen kan volstaan
(29). Wanneer de schuldenaar in het bijzonder feiten aanvoert die wijzen op de ouderdom van de schuld/laattijdigheid van de vordering, verwijst hij impliciet naar het verweermiddel inzake de verjaring. Dit volstaat opdat hij het middel van de verjaring heeft ingeroepen in de zin van artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek. Het verbod voor de rechter om het middel van de verjaring toe te passen krachtens die bepaling, speelt dan niet meer. In casu hebben de eisers in hun appelconclusie niet in het bijzonder feiten aangevoerd inzake de laattijdigheid van de tegenvordering van de verweerster tot nietigverklaring van het Benelux-beeldmerk Punch, gedeponeerd op 21 juli 2009, krachtens artikel 2.4, f), BVIE. Uit de in het algemeen weergegeven feiten in het dossier blijkt slechts het vertrekpunt van de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2.28.3, b), BVIE. Zowel de eisers als de verweerster vermelden immers in hun feitenrelaas dat de eerste eiser het Benelux-beeldmerk Punch, gedeponeerd heeft op 21 juli 2009
(30). Dit betreft echter geen in het bijzonder aangevoerd feit ter staving van een verweer dat de toepassing van de verjaringsregels uitlokt. Ik meen dat, anders dan waarvan het middel uitgaat, de appelrechters op grond van het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter dus niet verplicht waren om de toepassing van de verjaring ambtshalve op te werpen. Krachtens artikel 2223 Oud Burgerlijk Wetboek mochten zij het middel van de verjaring zelfs niet ambtshalve toepassen, nu de schuldenaar dit niet had ingeroepen. Volgens de door D. MOUGENOT voorgestelde nuancering op dit verbod op grond van het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter, mochten de appelrechters de verjaring hoogstens in het debat brengen (zonder hiertoe verplicht te zijn), waarbij de finale beslissing om de verjaring toe te passen bij de schuldenaar blijft liggen. 10. Gelet op hetgeen voorafgaat, meen ik dan ook dat het middel niet kan worden aangenomen in zoverre het ervan uitgaat dat de appelrechters ambtshalve dienden te onderzoeken of de tegenvordering van de verweerster tot nietigverklaring van het Benelux-beeldmerk Punch, gedeponeerd op 21 juli 2009, al dan niet verjaard was, krachtens artikel 2.28.3, b), BVIE, zoals hier van toepassing, volgens hetwelk de nietigheid op grond van artikel 2.4, f), moet worden ingeroepen binnen een termijn van vijf jaren te rekenen van de datum van inschrijving van het merk, terwijl die rechtsgrond zich niet onmiskenbaar aan hen opdrong door de daartoe in het bijzonder aangevoerde feiten. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. _______________________________________
(1)Zie bv: Cass. 3 februari 2022, AR C.21.0058.N, AC 2022, nr. 93, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.1; Cass. 9 maart 2020, AR C.19.0216.N-C.19.0217.N, AC 2020, nr. 172, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9; Cass. 1 februari 2019, AR C.18.0350.N, AC 2019, nr. 64, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N, AC 2016, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0018.N, AC 2012, nr. 690, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4.
(2)F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Europees en Benelux Merkenrecht, Brussel, Larcier 2016, 302.
(3)A. BRAUN en E. CORNU, Précis des marques, Brussel, Larcier 2009, 611, nr. 533; F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Europees en Benelux Merkenrecht, Brussel, Larcier 2016, 52.
(4)F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Europees en Benelux Merkenrecht, Brussel, Larcier 2016, 301.
(5)M.-C. JANSSENS, Handboek merkenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 390.
(6)Ibid., 389.
(7)Zie M.-C. JANSSENS, Handboek merkenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 393.
(8)HvJ 14 juli 2011, gevoegde zaken C-4/10 en C-27/10, Bureau national interprofessionnel du Cognac, ECLI:EU:C:2011:484, r.o. 26; HvJ 14 maart 2019, C-21/18, Textilis, ECLI:EU:C:2019:199, r.o. 30.
(9)HvJ 14 maart 2019, C-21/18, Textilis, ECLI:EU:C:2019:199, r.o. 31
(10)HvJ 14 maart 2019, C-21/18, Textilis, ECLI:EU:C:2019:199, r.o.32.
(11)HvJ 14 maart 2019, C-21/18, Textilis, ECLI:EU:C:2019:199, r.o.33.
(12)HvJ 29 januari 2020, C-371/18, Sky e.a., ECLI:EU:C:2020:45, nr. 49; HvJ 23 april 2020, C-736/18 P, Gugler France, ECLI:EU:C:2020:308, r.o. 3.
(13)J. MUYLDERMANS, “Ook een feitelijk voorgebruik van slechts plaatselijke betekenis kan volstaan voor een Benelux merkdepot te kwader trouw” (noot onder Antwerpen 10 februari 2021), IRDI 2021, 143, nr. 9.
(14)HvJ 27 juni 2013, C-320/12, Malaysia Dairy Industries, ECLI:EU:C:2013:435, r.o. 41-43, zie ook HvJ 16 juli 1998, C-355/96, Silhouette, ECLI:EU:C:1998:374, r.o. 25.
(15)zie MvA, p. 4.
(16)HvJ 24 juni 2019, C-573/17, Poplawski, ECLI:EU:C:2019:530, r.o. 74-76.
(17)HvJ 24 juni 2019, C-573/17, Poplawski, ECLI:EU:C:2019:530, r.o. 58 en 61.
(18)HvJ 24 juni 2019, C-573/17, Poplawski, ECLI:EU:C:2019:530, r.o. 62 en 68.
(19)(HvJ 24 juni 2019, Poplawski, r.o. 65.
(20)Zie meer uitgebreid: A. LENAERTS, “La primauté du droit de l’Union dans la jurisprudence de la Cour de cassation en matière civile”, JT 2021, 631-632, nrs. 8 en 9.
(21)Cass. 14 juni 2018, AR C.17.0595.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180614.5, AC 2018, nr. 387. Cass. 28 oktober 2013, AR S.11.0054.F, AC 2013, nr. 556, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131028.5; Cass. 6 oktober 2011, AR C.10.0401.N, AC 2011, nr. 526, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111006.2; Cass. 23 januari 2006, AR S.05.0053.N, AC 2006, nr. 48, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060123.3; Cass. 25 september 1970, AC 1971, 78; Cass. 4 mei 1883, Pas. 1883, I, 211.
(22)C. LEBON en M. DE RUYSSCHER, “Verjaring” in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2017, 14, nr. 12; S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, “De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring”, RW 2010-11, 1539, nr. 2.
(23)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, VII, Brussel, Bruylant 1957, 1118, nr. 1244 B: “la prescription ne joue jamais de plein droit, mais seulement après avoir soulevé un cas de conscience pour celui qui se décide à y recourir”; D. MOUGENOT, “L’office du juge en matière de prescription” (noot onder Cass. 6 oktober 2011), P&B 2012, 163-164, nr. 4; S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, “De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring”, RW 2010-11, 1539, nr. 2.
(24)Zie “L’office du juge en matière de prescription”, P&B 2012, 162-165.
(25)D. MOUGENOT, p. 163, nr. 3.
(26)D. MOUGENOT, p. 163, nr. 3.
(27)D. MOUGENOT, p. 164-165, nrs. 4-7; goedkeurend: I. CLAEYS, “Overzicht van rechtspraak. Bevrijdende verjaring (1992-2017)”, TPR 2018, 639, nr. 14.
(28)D. MOUGENOT, p. 163, nr. 3.
(29)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, VII, Brussel, Bruylant 1957, nr. 1248; C. LEBON en M. DE RUYSSCHER, “Verjaring” in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2017, 12, nr. 9; D. MOUGENOT, “L’office du juge en matière de prescription”, P&B 2012, 162, nr. 1.
(30)Syntheseberoepsbesluiten van de eisers, ter griffie ingediend op 14 september 2021, p. 6; syntheseconclusie van de verweerster, ter griffie ingediend op 15 september 2021, p. 28. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230113.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060123.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111006.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131028.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180614.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.1 ECLI:EU:C:1998:374 ECLI:EU:C:2011:484 ECLI:EU:C:2013:435 ECLI:EU:C:2019:199 ECLI:EU:C:2019:530 ECLI:EU:C:2020:308 ECLI:EU:C:2020:45 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div