← België

V. contra V.G. BRUSSELS RECYCLING N.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 januari 2023

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 8 - 10 De verjaring van de strafvordering voor de verschillende afzonderlijk strafbare feiten die het voorwerp uitmaken van een voortgezet misdrijf in de zin van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, neemt in de regel voor al deze feiten een aanvang vanaf het laatste feit dat de rechter bewezen verklaart; indien er betwisting is over de vraag of dat laatste feit wel aanhangig is bij de rechter, moet deze dat uitdrukkelijk en met zekerheid vaststellen; de rechter kan niet wettig beslissen dat dit feit slechts mogelijk bij hem aanhangig is

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 tot 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 tot 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 21 tot 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.22.0917.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De delegatie van onderzoeksdaden tijdens het gerechtelijk onderzoek en het inwinnen van informatie na de beschikking tot mededeling (art. 55, 56 en 127 Sv.), 2°de controle op de redelijke termijn van het strafonderzoek tijdens de regeling van de rechtspleging (art. 6 EVRM en art. 127-135 Sv.) en 3°de beoordeling van de verjaring van de strafvordering door de strafrechter in hoger beroep die alleen te oordelen heeft over de burgerlijke vordering (art. 4 en 21-26 V.T. Sv.)” 1. Voorgaanden. 1. NV RECYCLING CVB (eiseres 2), met als bestuurder eiser 1, werd failliet verklaard bij vonnis van 2 mei 2006 van de rechtbank van koophandel te Brussel, waarbij de staat van faillissement werd vastgesteld op 1 november 2005. Verweerster heeft in de loop van een burgerlijke procedure
(2008)een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen eisers wegens diverse faillissementsmisdrijven. Volgens de vordering van het openbaar ministerie van 2 maart 2017, gehecht aan het bestreden arrest 1, had eiser 1 via zijn vennootschap NV RECYCLING CVB eind 2004 de aandelen overgenomen van verweerster (NV BRUSSELS RECYCLING VG). De betaling van de overnamesom van de aandelen, verkocht door G., maakt het voorwerp uit van betwisting. Volgens eiser 1 zou G. geen melding hebben gemaakt van een negatief resultaat van zijn vennootschap, waarop eiser 2 vanaf april 2005 geen huur meer betaalde aan verweerster. G., verkoper van de aandelen, stelt dat eiser 1 activa van zijn vennootschap NV RECYCLING CVB heeft verduisterd of verborgen om zijn schulden, waaronder huurachterstallen, niet te voldoen.
  1. Eisers worden vervolgd, als dader of mededader, wegens A) verduistering van activa van een vennootschap die in staat van faillissement verkeerde, namelijk het handelsfonds van NV RECYCLING CVB, herhaaldelijk, tussen 1 januari 2006 en 2 mei 2006 (art. 489ter, 1° Sw.), B) het gedeeltelijk doen verdwijnen van de boekhouding van deze vennootschap, meer bepaald verkoopfacturen, herhaaldelijk, tussen 2 mei 2006 en 28 juni 2006 (art. 489ter, 2° Sw.), C) het opbouwen van een kunstmatig krediet door het opbouwen van publieke schulden (RSZ-afbetalingen en gemeentebelasting), om de faillietverklaring uit te stellen, herhaaldelijk, tussen 1 november 2005 en 2 mei 2006 (art. 489bis, 1° Sw.), D) het opgeven van verdichte uitgaven of verliezen of het ontbreken van verantwoording van het bestaan of de aanwending van activa, herhaaldelijk, tussen 2 mei 2006 en 12 juni 2012 (art. 489bis, 2° Sw.), E) het bevoordelen van bepaalde schuldeisers om de faillietverklaring uit te stellen, ten nadele van o.a. verweerster NV BRUSSELS RECYCLING VG, herhaaldelijk, tussen 1 november 2005 en 2 mei 2006 (art. 489bis, 3° Sw.), F) laattijdige aangifte van het faillissement, minstens op 1 december 2005 (art. 489bis, 4° Sw.), G) bedrieglijk onvermogen, ‘inzonderheid het opzetten van een sterfhuisconstructie door de overdracht van bijna alle activa en het handelsfonds van NV RECYCLING CVB aan gelieerde vennootschappen’ van eiser 1, om zich te onttrekken aan betalingsverplichtingen aan verweerster, herhaaldelijk, tussen 1 november 2005 en 2 mei 2006 (art. 490bis Sw.) en H) overtreding van boekhoudkundige normen, herhaaldelijk, tussen 1 januari 2005 en 2 mei 2006 (art. 16 Wet 17 juli 1975, toepasselijk op moment der feiten).
  2. Op 18 november 2016 heeft de raadkamer te Brussel eisers in cassatie doorverwezen naar de correctionele rechtbank wegens deze telastleggingen. Eiser 1 stelde hoger beroep in (art. 135, § 2 Sv.) en wierp de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering op, wegens miskenning van het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging, overschrijding van de redelijke termijn en het ontbreken van een geldige onderzoeksopdracht van de onderzoeksrechter (saisine) voor feit G van bedrieglijk onvermogen. De kamer van inbeschuldigingstelling (KI) te Brussel heeft op 20 april 2017 het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard (arrest 1).
  3. Op 8 februari 2018 heeft de correctionele rechtbank van Brussel het verval van de strafvordering vastgesteld voor alle telastleggingen wegens verjaring en zich onbevoegd verklaard om over de burgerlijke vordering van verweerster uitspraak te doen.
  4. Tegen dit vonnis hebben alleen de burgerlijke partijen NV BRUSSELS RECYCLING VG en GC BUSINESS NV hoger beroep ingesteld. Op 3 december 2019 heeft het hof van beroep te Brussel aan de hand van een bijkomend stuk (een mail van de curator) geoordeeld dat feit D op 5 oktober 2007 zou zijn gerealiseerd en de verjaring van dit misdrijf niet was ingetreden op moment van het arrest 1 van verwijzing van eisers naar het vonnisgerecht, zodat de eerste rechter zich ten onrechte onbevoegd had verklaard om te oordelen over de burgerlijke vordering van verweerster en van GG BUSINESS NV (arrest 2). Het hof van beroep heeft het beroepen vonnis vernietigd, zich bevoegd verklaard om uitspraak te doen over de burgerlijke vorderingen van NV BRUSSELS RECYCLING VG en GG BUSINESS en de zaak voor verdere behandeling gesteld op 11 februari
  5. In het bestreden arrest 3 van 10 december 2021 hebben de appelrechters het verzoek van de burgerlijke partijen om de conclusie te weren van eiser 1 verworpen, de debatten heropend om de burgerlijke partijen te horen over bepaalde stukken en de zaak in voortzetting gesteld op de rechtszitting van 5 mei
  6. Op 16 juni 2022 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat 1° de staat van faillissement van NV RECYCLING CVB ontstond op 1 november 2005, 2° de overdracht van haar activa (zoals transportbanden en heftrucks) niet mogelijk was geweest wanneer tijdig aangifte was gedaan van het faillissement van deze vennootschap en 3° de huurachterstallen en onkosten van verweerster NV BRUSSELS RECYCLING VG te wijten zijn aan de laattijdige aangifte van het faillissement van NC RECYCLING CVB (arrest 4). De appelrechters kenden aan verweerster NV BRUSSELS RECYCLING VG een schadevergoeding toe van 137.766,05€, vermeerderd met vergoedende intresten, waartoe eisers in cassatie hoofdelijk gehouden zijn. De vordering van de tweede burgerlijke partij NV GRAMMET werd afgewezen als ongegrond.
  7. Eisers hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de vier arresten tegen alle beschikkingen. Eisers hebben geen belang om op te komen tegen de afwijzing van de vordering van hun tegenpartij NV GRAMMET. Zij dienden tijdig een gezamenlijke memorie in, ter kennis gebracht aan verweerster VG BRUSSELS RECYCLING NV en aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel.
  8. De delegatie van onderzoeksopdrachten.
  9. In een eerste middel, eerste onderdeel, voeren eiseres aan dat de onderzoeksrechter een onregelmatige onderzoeksdaad stelde, omdat hij voorafgaand aan de beschikking tot mededeling (van 1 juni 2011) aan de politie toeliet eigenmachtig onderzoeksdaden te stellen, gezien zijn opdracht (op 12 september 2008) luidde: ”Als bijlage vindt u de kopie van het kantschrift met bijkomende vordering van de procureur des Konings dd. 1 september 2008 voor misdrijven die verband houden met de staat van het faillissement. Tot verder onderzoek”.
  10. Beoordeling. Artikel 55 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Het gerechtelijk onderzoek is het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen. Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter”
(1). Artikel 56, § 1, lid 1 tot 5, stelt: “De onderzoeksrechter draagt de verantwoordelijkheid voor het gerechtelijk onderzoek dat zowel à charge als à décharge wordt gevoerd. Hij waakt voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld. Hij mag zelf de handelingen verrichten die behoren tot de gerechtelijke politie, het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. De onderzoeksrechter heeft in de uitoefening van zijn ambtsverrichtingen het recht om het optreden van de openbare macht rechtstreeks te vorderen. Hij beslist of het noodzakelijk is dwang te gebruiken of inbreuk te maken op de individuele rechten en vrijheden”. Volgens artikel 56, § 2, eerste lid, Sv. heeft de onderzoeksrechter het recht de politiediensten te vorderen om, binnen de grenzen van de wet, “alle voor het gerechtelijk onderzoek noodzakelijke handelingen van gerechtelijke politie te doen volbrengen”. De gevorderde politiediensten zijn gehouden gevolg te geven aan de vorderingen en de voor de uitvoering noodzakelijke medewerking van de officieren en agenten van gerechtelijke politie te verlenen (art. 56, § 2, tweede lid, en § 3 Sv.)
(2). Volgens artikel 1 Wet Politieambt van 5 augustus 1992 vervullen de politiediensten ‘hun opdrachten onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de overheden die daartoe door of krachtens de wet worden aangewezen’. 11. Uit de artikelen 55 en 56 Sv., ingeroepen door eisers, volgt dat de onderzoeksrechter de leiding heeft over het hem toevertrouwde onderzoek, de verantwoordelijkheid ervan draagt en onderzoeksdaden aan de politie kan uitbesteden, behoudens wettelijke uitzonderingen
(3). Leiding geven betekent in beginsel dat de onderzoeksrechter richting geeft aan het onderzoek, de grenzen afbakent waarbinnen de politie onderzoeksdaden mag stellen
(4). Toch laten artikelen 55 en 56 Sv., die niet zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid
(5), ruimte voor enige autonomie van de politiedienst die door de onderzoeksrechter met verder onderzoek wordt belast. Het Hof nam aan dat: “Noch artikel 55, tweede lid, noch artikel 56, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering verbieden dat de door de onderzoeksrechter gevorderde speurders op eigen initiatief onderzoeken instellen met het oog op het vervullen van hun opdracht, tenzij die magistraat anders beslist”
(6)en verder: “Hij dient daarvoor de nodige opsporingen te doen of laten doen omtrent alle feitelijke gegevens en gedragingen die van aard kunnen zijn het bewijs te leveren van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf dat het voorwerp van het onderzoek is of een beeld te geven van de persoonlijkheid van de verdachte en diens gedrag”
(7). 12. Mij komt voor dat de onderzoeksrechter niet verplicht is om elke aan de politie opgedragen opsporing in een kantschrift te verduidelijken, met daarbij telkens een toelichting over de op te helderen strafbare feiten of de persoon die als verdachte is aangemerkt. Waar het op aankomt, is of de politie over voldoende informatie beschikt om te weten wat de onderzoeksrechter van haar verwacht, om de onderzoeksopdracht tijdig, correct en volledig uit te voeren. Van belang hierbij zijn de stukken die de onderzoeksrechter hecht aan de opdracht die hij aan de politie uitbesteedt. Het Hof stelde op dit punt dat: “Voor de wettigheid van de delegatie volstaat het dat de betrokken politieambtenaar die met de uitvoering gelast is, over de nodige gegevens beschikt die hem moeten toelaten te weten met betrekking tot welk misdrijf de onderzoeksrechter zijn onderzoek voert en welke nuttige onderzoeksdaden hij in verband daarmee kan verrichten, zonder de perken van het gerechtelijk onderzoek en van zijn opdracht te buiten te gaan”
(8).
  1. Verder kan de onderzoeksrechter zelf of op vraag van de politie bijkomende instructies geven, mondeling of schriftelijk. De onderzoeksrechter kan bijgevolg, in functie van concrete omstandigheden, aan de aangewezen politiedienst toelaten om zelf de nodige onderzoeksdaden te kiezen, om een specifiek aspect te onderzoeken. Zo nodig kan hij op elk moment, tot de beslissing van het onderzoeksgerecht die aan zijn opdracht een einde stelt, specifieke of bijkomende onderzoeksdaden bevelen, die de politie dient uit te voeren. Verder is het aan de onderzoeksgerechten om na te gaan, in de concrete omstandigheden, of het gerechtelijk onderzoek is gevoerd conform de artikelen 55 en 56 Sv.
  2. Anders dan eisers aanvoeren, houdt een opdracht ‘tot verder onderzoek’ m.i. niet noodzakelijk in dat het onderzoek eenzijdig en zonder enige leiding van de onderzoeksrechter wordt verricht door de politie. In dit verband gaf Voorzitter Jean de CODT aan dat het voor de nietigheid van het gerechtelijk onderzoek of delen ervan op basis van de artikelen 55 en 56 Sv. vereist is dat het gebrek aan leiding en gezag van de onderzoeksrechter over het onderzoek de rechten van verdediging ernstig heeft aangetast
(9). In zoverre faalt het eerste onderdeel naar recht.
  1. Het arrest 1 stelt dat het verhoor van de boekhouder van NV RECYCLING CVG (Dhr. M.) kaderde in de onderzoeksopdracht van 2008 om onderzoek te voeren naar misdrijven die verband houden met de staat van het faillissement en verder: “de resultaten van het onderzoek werden regelmatig aan de onderzoeksrechter overgemaakt die derhalve op de hoogte was van de evolutie ervan” (blz. 14). Verder nam de KI aan dat met het verhoor van eiser 1 werd gewacht tot na het verder onderzoek naar het faillissement van NV RECYCLING CVG (o.a. nazicht van de boekhouding) (blz.14). De motivering over de verantwoordelijkheid van de onderzoeksrechter voor een objectief onderzoek lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek naar feiten (heeft de onderzoeksrechter daadwerkelijk leiding uitgeoefend?), waartoe het Hof niet bevoegd is, en is het niet-ontvankelijk.
  2. Onderzoek na de beschikking tot mededeling
  3. In een tweede onderdeel komen eisers op tegen het oordeel in arrest 1 dat het verhoor van eiser 1, hoewel afgenomen na de beschikking tot mededeling, kaderde in de eerder bevolen opdracht tot verder onderzoek naar faillissementsmisdrijven. Volgens eisers houdt deze beschikking in dat de onderzoeksrechter aannam dat de politie zijn opdracht (van 12 september 2008) volledig had uitgevoerd en de politie door het nadien uitvoeren van onderzoeksdaden (een boekhoudkundig onderzoek en een verhoor) heeft gehandeld in strijd met de artikelen 55, 56 en 127 Sv., bij gebrek aan een vordering van het openbaar ministerie tot aanvullend onderzoek, daterend van na de beschikking tot mededeling.
  4. Beoordeling. Artikel 127, § 1 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de onderzoeksrechter oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, hij het dossier overzendt aan de procureur des Konings, die vervolgens de regeling van de rechtspleging vordert voor de raadkamer, voor zover hij geen andere onderzoekshandelingen vordert. Deze overzending van het dossier gebeurt in de praktijk door een ‘beschikking tot mededeling’, ondertekend door de onderzoeksrechter
(10). Wanneer de procureur des Konings een eindvordering indient, hebben de partijen de mogelijkheid om het strafdossier in te zien en bijkomende onderzoeksdaden te vragen (art. 127, § 2 Sv.). Na de definitieve behandeling van de verzoeken, met mogelijkheid tot hoger beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling, doet de raadkamer uitspraak over de volledigheid en regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek en over de verwijzing van de inverdenkinggestelden naar het vonnisgerecht wegens voldoende bezwaren (art. 127, § 3, en 128-135 Sv.)
(11). 18. Het is vaste rechtspraak dat niet de beschikking tot mededeling van de onderzoeksrechter, maar de beschikking van de raadkamer over de regeling der rechtspleging een einde stelt aan het gerechtelijk onderzoek, de onderzoeksopdracht van de onderzoeksrechter
(12). De voorwaarde van een ‘voltooid onderzoek’ houdt niet in dat de onderzoeksrechter beschikt over alle onderzoeksresultaten op moment dat hij het dossier aan het openbaar ministerie overmaakt voor eindvordering. Het Hof nam aan dat “de onderzoeksrechter de bij hem aangebrachte feiten kan blijven onderzoeken, zowel à charge als à décharge”, zolang er geen beslissing is van de raadkamer tot regeling van de rechtspleging
(13), en hem niet belet “om het dossier voor om het even welk doel over te zenden terwijl er nog onderzoeksopdrachten lopen”
(14). Het tweede onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt aldus naar recht.
  1. Motivering over het onderzoek à décharge
  2. Het bestreden arrest 1 stelt dat het verwijt dat het onderzoek niet à décharge is verricht onterecht is, aangezien eiser 1 de nodige tijd kreeg om op vragen te antwoorden en stukken kon bijbrengen (zoals een e-mail van zijn boekhouder R.H. met bijlagen). Bovendien heeft eiser 1 bijkomende onderzoeksdaden kunnen vragen en werd er onderzoek gevoerd naar ontbrekende stukken van de boekhouding. Verder nam het arrest 1 aan dat: “De beweerde vooringenomenheid van de politiediensten blijkt niet uit het dossier, evenmin als een schending van het vermoeden van onschuld. De politiediensten komen tot de vaststelling dat activa verdwenen is. Indien zij hieruit bepaalde gevolgtrekkingen trekken in het kader van het onderzoek, maakt dit geen schending van het vermoeden van onschuld uit en staat het aan de rechter ten gronde om de bewijswaarde van deze gevolgen, te beoordelen” (blz. 15).
  3. Naar mijn mening heeft de KI voldoende geantwoord op het verweer van eiser 1 over een eenzijdig onderzoek, zonder dat het vereist was om specifieke argumenten over de telastleggingen C en F te weerleggen, zoals het niet-opmerken van de verbalisant van een bezwaar tegen de gemeentebelasting en zijn selectieve interpretatie van het nazicht van de schuldvorderingen. Het tweede middel, dat een schending opwerpt van de artikelen 127, 135 en é Sv., kan aldus niet worden aangenomen.
  4. Passend rechtsherstel voor miskenning van de redelijke termijn.
  5. Over het recht op een proces over de gegrondheid van de strafvordering en het bepalen van burgerlijke rechten en verplichtingen binnen een redelijke termijn (art. 6.1 EVRM) nam het bestreden arrest 1 aan dat deze termijn overschreden is, omdat de raadkamer op 1 oktober 2013 het gerechtelijk onderzoek onvolledig achtte (niet in staat van wijzen) en het meer dan drie jaar duurde om de zaak opnieuw vast te stellen voor de raadkamer (blz. 16). De KI ging niet in op de vraag van eisers om wegens deze onverantwoorde vertraging de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren, als passend rechtsherstel in de zin van artikel 13 EVRM, omdat de vertraging “geen invloed had op het onderzoek en het beweerd verlies van nuttige stukken van de boekhouding” en het verhoor van verschillende personen gevraagd na de beschikking tot mededeling werd afgewezen door het arrest van de K.I. van 23 mei 2013 (blz. 17). Het bestreden arrest stelt: “het blijkt dus niet dat door de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering of het recht van verdediging van de inverdenkinggestelden ernstig en onherstelbaar zijn aangetast en hij geen recht meer zou hebben op een eerlijk proces” (blz. 17). Het volstaat voor de K.I. vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden en dat “de rechter ten gronde dit gegeven in aanmerking zal moeten nemen bij de beoordeling van de zaak en de sanctie zal moeten bepalen die daaraan overeenkomstig artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het wetboek van strafvordering moet worden verbonden” (blz. 17).
  6. Eisers brengen tegen het arrest 1 in dat de overschrijding van de redelijke termijn wel een invloed had op het verloop van het onderzoek en op het beweerd verlies van nuttige stukken van de boekhouding, omdat 1° het onderzoek ook op de openbare terechtzitting plaatsvindt en de beslissing van de K.I. om het verhoor van getuigen niet toe te staan de vonnisrechter niet belet de getuigen à charge en à décharge te ondervragen en 2° het bestreden arrest niet duidelijk aangeeft wanneer de boekhoudkundige stukken zijn verdwenen, dus niet uitsluit dat die stukken zijn verdwenen als gevolg van een onverantwoorde vertraging in de procedure.
  7. Ik ben van mening dat het bestreden arrest 1 beantwoordt aan de rechtspraak over het passend rechtsherstel voor een onverantwoorde vertraging tijdens het gerechtelijk onderzoek of de regeling der rechtspleging. Het onderzoeksgerecht dat niet tot taak heeft uitspraak te doen over de gegrondheid van een beschuldiging in strafzaken, kan de eventuele overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan alleen in aanmerking nemen vanuit het oogpunt van de bewijsvoering en de eerbiediging van het recht van verdediging
(15). Wanneer het onderzoeksgerecht vaststelt dat het onderzoek niet binnen een redelijke termijn is uitgevoerd of afgerond, kan het alleen beslissen tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, als gepaste remedie, als daardoor het recht op een eerlijk proces ernstig en onherstelbaar is aangetast
(16). Voor deze remedie moet de overdreven lange duur hebben geleid “tot het teloorgaan van bewijsmateriaal of de normale uitoefening van het recht van verdediging onmogelijk heeft gemaakt”
(17). 24. In het andere geval kan het voor de inverdenkinggestelde volstaan dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld. Dit standpunt is dan bindend ten aanzien van de vonnisrechter
(18). Het Hof oordeelde op 1 maart 2016 dat: “Uit de artikelen 6 en 13 EVRM volgt niet dat een ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, die niet heeft geleid tot een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde of het teloorgaan van bewijsmateriaal, moet worden gesanctioneerd met een verval van de strafvordering of een buitenvervolgingstelling. Het rechtsherstel waarop de inverdenkinggestelde ingevolge deze verdragsbepalingen is gerechtigd, kan bestaan in een voor de burgerlijke rechtbank te vorderen schadevergoeding of de vaststelling door het onderzoeksgerecht van die overschrijding, waarmee de vonnisrechter in het licht van de gehele rechtspleging rekening moet houden en waaruit hij de bij de wet bepaalde gevolgen moet afleiden. Het in een dergelijk geval vervallen verklaren van de strafvordering of het bevelen van een buitenvervolgingstelling en de daaruit vloeiende onmogelijkheid voor het onderzoeksgerecht om van de burgerlijke rechtsvordering kennis te nemen, zou aan de burgerlijke partij bovendien het recht ontzeggen op een behandeling van de zaak door de strafrechter. De voormelde vormen van rechtsherstel en desgevallend de combinatie ervan laten wel degelijk een passend niveau van herstel zonder al te lange termijnen en dus een daadwerkelijke rechtshulp toe: de vonnisrechter moet de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn en de sindsdien verlopen termijn in aanmerking nemen en de betrokkene kan vanaf het ogenblik dat hij meent dat de redelijke termijn-vereiste is miskend voor de burgerlijke rechtbank een vergoeding eisen voor de schade die hij ingevolge die voorgehouden miskenning zou hebben geleden”
(19). 25. Verder moet het onderzoeksgerecht dat meent dat een onverantwoorde vertraging in de loop van het gerechtelijk onderzoek geen obstakel is voor een eerlijk proces en vervolgens voldoende bezwaar vaststelt niet verduidelijken waarom de inverdenkinggestelde zich wel nog behoorlijk kan verdedigen, in de latere fase ten gronde. Het Hof stelde hierover: “Het staat dan immers aan de vonnisrechter om de aangevoerde bewijzen te waarderen en, rekening houdend met alle door partijen aangevoerde omstandigheden en de beoordeling van de zaak in zijn geheel, te oordelen of op die bewijzen nog een eventuele schuldigverklaring en gegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvordering kan gesteund worden”
(20). 26. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar over de impact van een onverantwoorde vertraging in het onderzoek op het recht op een eerlijk proces
(21). Het Hof oefent een controle uit op de wettigheid van de motieven. Uit enkel de duur van het onderzoek of de rechtspleging kan niet worden afgeleid dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast
(22). Er kan m.i. wel worden gelet op de periode waarin de redelijke termijn is overschreden (bij het begin of op het einde van het onderzoek), het moment waarop bewijsmateriaal teloorging ten gevolge van een onverantwoorde stilstand in het onderzoek en het te verwachten effect van het verlies van bewijsmateriaal op de beslissing in de volgende procesfase over de schuldvraag en straftoemeting.
  1. Mij komt voor dat de KI voldoende heeft onderzocht of de beweerde lacunes in het onderzoek (het verdwijnen van boekhoudkundige stukken en het niet-horen van bepaalde getuigen), die te wijten zouden zijn aan de overschrijding van de redelijke termijn, de bewijsvoering of het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar hebben aangetast, in die mate dat er geen eerlijk proces meer tot stand kan komen. De beslissing over de vaststelling van de redelijke termijn en het passend rechtsherstel is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Voor het overige heeft de K.I. voor de keuze voor het passend rechtsherstel (niet-ontvankelijkheid van de strafvordering of alleen de vaststelling van een onverantwoorde vertraging, als signaal voor de vonnisrechter) niet louter en alleen rekening gehouden met het feit dat deze vertraging pas ontstond tijdens de regeling der rechtspleging, naar aanleiding van de beschikking in 2013 dat aanvullend onderzoek nodig was. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  3. De tijdige burgerlijke vordering voor de strafrechter.
  4. Het vierde middel komt op tegen het oordeel in arrest 2 dat de burgerlijke vordering ontvankelijk is omdat de strafvordering op het moment van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer nog niet was vervallen door verjaring. Het bestreden arrest heeft het beginpunt van de verjaring van de strafvordering opgeschoven van de periode ‘tussen 2 mei 2006 en 12 juni 2012’ (zoals vermeld in arrest 1 voor telastlegging D) naar 5 oktober 2007, aan de hand van een bijkomend stuk (bericht van de curator), zonder vast te stellen dat het nieuw feit is gepleegd en deel uitmaakt van het voortgezet misdrijf waarvoor eisers naar het vonnisgerecht werd verwezen.
  5. Beoordeling. Overeenkomstig artikel 2262bis (oud) Burgerlijk Wetboek verjaren de vorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop de benadeelde kennis kreeg van de schade of van verzwaring van de schade en van de identiteit van de aansprakelijke persoon. De burgerlijke vordering verjaart door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop het feit is gepleegd waaruit schade volgt (art. 2262bis (oud) BW)
(23). Omstandigheden die de verjaring van de burgerlijke vordering stuiten, volgens de regels van het burgerlijk recht, zijn onder meer de dagvaarding (art. 2244 (oud) BW) of de erkenning van aansprakelijkheid (art. 2248 (oud) BW)
(24). 31. De benadeelde van een misdrijf heeft de keuze om zijn vordering voor te leggen aan de burgerlijke rechter of de strafrechter
(25). In dat laatste geval kan de burgerlijke vordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering (art. 4, lid 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering). Uit de artikelen 4 en 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de burgerlijke vordering niet kan verjaren vóór de strafvordering
(26). De strafrechter optredend als vonnisrechter moet bijgevolg een tijdig ingestelde burgerlijke vordering beoordelen als ze is geënt op een strafvordering die bij aanvang van het strafproces ten gronde niet was verjaard, zelfs als daarna de verjaring van de strafvordering intreedt
(27). 32. Wanneer alleen de burgerlijke partij hoger beroep instelt tegen een vonnis dat de verjaring van de strafvordering vaststelt, dient de strafrechter in hoger beroep te onderzoeken of de feiten niet zijn verjaard volgens de regels van de strafvordering, op moment van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer of de rechtstreekse dagvaarding. De burgerlijke vordering is niet meer ontvankelijk voor de strafrechter als de strafvordering op moment van de aanhangigmaking voor het vonnisgerecht al was vervallen door verjaring, ook al werd de klacht met burgerlijke partijstelling ingediend binnen de verjaringstermijn
(28). 33. Het standpunt van het onderzoeksgerecht over het beginpunt van de verjaring is niet bindend voor de vonnisrechter
(29). Bij een geheel van strafbare feiten die één voortgezet misdrijf vormen, wegens eenheid van opzet (art. 65, eerste lid, Sw.), vangt de termijn van verjaring van de strafvordering in de regel aan vanaf het laatste strafbaar feit
(30), voor zover dat laatste feit bewezen wordt verklaard
(31)en er tussen de verschillende feiten van het geheel geen periode is die de verjaringstermijn overtreft
(32). Deze regel geldt ook als de strafrechter zich alleen nog over de burgerlijke vordering moet uitspreken
(33).
  1. In geval van betwisting voor de vonnisrechter over een bijkomend strafbaar feit dat deel uitmaakt van een voortgezet misdrijf, waardoor de verjaring van de strafvordering begint te lopen op een later tijdstip dan dat was bepaald door het onderzoeksgerecht, moet de strafrechter met zekerheid vaststellen of dit bijkomend feit is gepleegd. Hij kan aldus niet wettig beslissen dat het bijkomend feit slechts mogelijk bij het vonnisgerecht aanhangig is en dat feit vervolgens in aanmerking nemen als het beginpunt van de verjaringstermijn, voor het geheel van de feiten vermeld in de inleidende akte.
  2. Het bestreden arrest 2 stelt dat de omschrijving van het faillissementsmisdrijf van tenlastelegging D (art. 489bis, 2° Sw.), dat de ruimste incriminatieperiode bevat, ‘cruciaal is in de beoordeling van de verjaring’ (blz. 8). Dit faillissementsmisdrijf bestaat in het opgeven van verdichte uitgaven of verliezen of het ontbreken van verantwoording over het bestaan of de aanwending van de activa of deel ervan, zoals zij blijken uit de boekhoudkundige stukken op moment van de staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen. Het gaat om een aflopend misdrijf, wat blijkt uit de termen ‘hebben opgegeven’ of ‘hebben verschaft’ (blz. 8), wat niet betekent dat het misdrijf niet ‘herhaaldelijk zou kunnen worden gepleegd’ (blz. 9)
(34). 36. Het arrest 2 neemt verder aan dat het misdrijf van artikel 489bis, 2° Sw. is voltrokken wanneer er veranderingen in het actief van een vennootschap worden aangebracht, zonder dat de transacties worden opgenomen in de boekhouding binnen de wettelijke termijn en daarvan verantwoordingsstukken worden opgesteld (blz. 9). De laatste datum in de verwijzingsbeschikking is de verkoop van activa op 1 december 2005
(35)(D.3 en D4, datum volgens factuur). De eerste rechter nam aan dat het misdrijf zich voltrok op 10 augustus 2006, gelet op een brief van de curator over onvoldoende bewijsstukken.
  1. De appelrechters stellen vast dat de burgerlijke partijen een stuk voorleggen waaruit een nieuwe inbreuk op artikel 489bis, 2° Sw. blijkt, namelijk een mailbericht van de curator van 5 oktober 2007 aan eiser 1 met een vraag om uitleg over de vermelding van vaste activa van 159.302€ in de balans van 2006, zodat het misdrijf van telastlegging D in dit geval zou zijn gerealiseerd op 5 oktober 2007 (blz. 10). Vervolgens stelt het bestreden arrest 2 dat vermeld bedrag van activa een onderdeel ‘kan’ zijn van de activa vermeld in de inleidende akte onder D3 en D.4 (blz. 11), zodat telastlegging D is voltrokken op 5 oktober 2007, de eerste verjaringstermijn van vijf jaar ten laatste gestuit diende te worden op 4 oktober 2012 (blz. 11), het kantschrift van de onderzoeksrechter van 21 juni 2012 de laatst nuttige stuitingsdaad vormt (blz. 12) en de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig werd gemaakt binnen de verjaringstermijn, ingevolge het arrest 1 van de KI van 20 april
  2. Het vierde middel, eerste onderdeel, dat schending aanvoert van de artikelen 127, 130, 131, 135 en 235 Sv., komt mij gegrond voor, aangezien in arrest 2 niet met zekerheid is vastgesteld dat het feit van 5 oktober 2007 is begrepen in telastlegging D, die het beginpunt vormt van de verjaring voor alle tenlastegelegde feiten, wegens eenheid van opzet. Het zevende middel over schending van artikel 21 V.T. Sv., waarbij eisers stellen dat: “de loutere vaststelling dat een nieuw feit een onderdeel kan zijn van aanhangig gemaakte feiten laat niet toe om de verjaring van het voortgezet misdrijf slechts te laten aanvangen van dat nieuw feit”, heeft dezelfde strekking. De overige grieven kunnen niet leiden tot een ruimere cassatie en behoeven geen antwoord.
  3. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak, wat betreft het arrest 2 en de arresten 3 en 4 die daarvan het gevolg zijn, en verwerping van het cassatieberoep wat betreft het arrest van verwijzing
  4. _____________________________________
(1)Over artikel 55 Sv. oordeelde het Hof: “Krachtens die bepaling kan de onderzoeksrechter alle relevante onderzoekingen doen of laten doen, waarvan hij oordeelt dat zij de vonnisrechter in staat zullen stellen om met kennis van zaken de aard en de omvang van de onderzochte feiten en de persoon van de inverdenkinggestelde te beoordelen” (Cass. 19 mei 2015, AR P.14.0921.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.1, AC 2015, nr. 322).
(2)H.D. BOSLY en I. WATTIER, “L’instruction”, in La loi du 12 mars 1998 réformant la procédure pénale, Ed. Collection scientifique de la Faculté de droit de Liège 1998, 131-138 en 145-149; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier 2006, 89; E. FRANCIS, “Commentaar bij artikel 55 en 56 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 262-269; C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier 2018, 64, 61-66; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 141-142; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 701-702; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1002-1004.
(3)Rechterlijke functies en de beslissing over een inbreuk op fundamentele rechten, waarvoor de toestemming van de onderzoeksrechter is vereist (dwangmiddelen), kunnen niet aan de politie worden uitbesteed (Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0591.N, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, RO 72, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 februari 1985, AR 4398, Pas. 1985, nr. 362; E. FRANCIS, “Commentaar bij artikel 56 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 267; C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier 2018, 64; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 702 en 752).
(4)C. VAN CAMP, De onderzoeksrechter, Antwerpen, Standaard, 1959, 105; E. KRINGS, “Plichten en rechten van de leden van de rechterlijke macht”, RW 1988-89, 174.
(5)Zie Cass. 6 september 2022, AR P.22.0440.N, AC 2022, nr. 507, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.12; wat betreft o.a. artikel 56, § 1, zesde lid Sv. en Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0236.N, AC 2020, nr. 320, wat betreft artikel 56, § 1, vijfde lid, Sv., ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.7.
(6)Cass. 1 december 2010, AR P.10.1212.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101201.4, AC 2010, nr. 707; Cass. 26 september 2007, AR P.07.0978.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070926.6, AC 2007, nr. 438; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 275; E. FRANCIS, “Commentaar bij artikel 56 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 264; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 702.
(7)Cass. 11 maart 2014, AR P.13.0878.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.6, AC 2014, nr. 194.
(8)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0591.N, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, RO 72, arrest niet gepubliceerd.
(9)J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier 2006, 89. In dezelfde zin C. DE VALKENEER, Manuel de l’ enquête pénale, Larcier 2018, 61.
(10)Artikel 127 Sv. legt aan de onderzoeksrechter evenwel geen plicht op om het dossier voor eindvordering aan het OM mee te delen via een ‘beschikking tot mededeling’ (Cass. 10 december 2014, AR P.14.1275.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141210.10, AC 2014, nr. 778).
(11)Over de verschillende fasen in de regeling der rechtspleging zie o.a. Cass. 28 september 2021, AR P.21.0652.N, AC 2021, nr. 587, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13; Cass. 8 maart 2006, AR P.05.1673.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060308.7, AC 2006, nr. 134.
(12)Cass. 22 maart 2016, AR P.15.1353.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.6, AC 2016, nr. 201; Cass. 10 december 2014, AR P.14.1275.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141210.10, AC 2014, nr. 778; Cass. 22 november 2006, AR P.06.1457.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.2, AC 2006, nr. 593; Cass. 2 november 2004, AR P.04.0605.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.7, AC 2004, nr. 520; Cass. 10 april 2002, AR P.02.0058.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020410.3, AC 2002, nr. 219; T. DE MEESTER en Ph. TRAEST, “De regeling van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten en de zuivering van de nietigheden tijdens het vooronderzoek”, in Het vernieuwde strafprocesrecht, Maklu 1998, 223- 266; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 424-425; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 349; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 127 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 387-395; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 215-216; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 967; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1016.
(13)Cass. 10 december 2014, AR P.14.1275.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141210.10, AC 2014, nr. 778.
(14)Cass. 22 november 2006, AR P.06.1457.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.2, AC 2006, nr. 593; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 341-342; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1015.
(15)Cass. 7 september 2011, AR P.10.1319.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1, AC 2011, nr. 455.
(16)Cass. 7 januari 2015, AR P.13.1834.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150107.4, AC 2015, nr. 10; Cass. 7 september 2011, AR P.10.1319.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1, AC 2011, nr. 455; Cass. 15 september 2010, AR P.10.0572.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2, AC 2010, nr. 524, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 24 november 2009, AR P.09.1080.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9, AC 2009, nr. 694, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN, RW 2009-10, 1382, noot B. DE SMET; GwH 18 februari 2010, GwH 29 juli 2010, arrest 92/2010, RDPC 2011, 179 noot N. VAN DER EECKEN; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 677-679; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 59-63; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 756.
(17)Cass. 7 september 2011, AR P.10.1319.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1, AC 2011, nr. 455.
(18)Cass. 1 maart 2016, AR P.15.1272.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160301.2, AC 2016, nr. 148; Cass. 14 april 2015, AR P.14.1146.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150414.5, AC 2015, nr. 250, RABG 2015, 973 noot W. DE PAUW; Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131210.3, AC 2013, nr. 669, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 19 februari 2013, AR P.12.0867.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.2, AC 2013, nr. 116; Cass. 5 juni 2012, AR P.12.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.6, AC 2012, nr. 364, NC 2013, 306; Cass. 6 oktober 2010, AR P.10.0729.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.4, AC 2010, nr. 580, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 27 oktober 2009, AR P.09.0901.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3, AC 2009, nr. 621, NC 2010, 348; F. KUTY, “Le contrôle de l’existence du délai raisonnable au stade de l’instruction”, JT 2009, 129-132; F. DERUYCK, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: let’s get serious”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 171-182; J. MEESE, “Redelijke termijn in strafzaken”, Comm. Sr. 2012, 15-18; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 809-810; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 757.
(19)Cass. 1 maart 2016, AR P.15.1272.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160301.2, AC 2016, nr. 148.
(20)Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131210.3, AC 2013, nr. 669, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER,.
(21)Cass. 19 februari 2013, AR P.12.0867.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.2, AC 2013, nr. 116; Cass. 6 oktober 2010, AR P.10.0729.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.4, AC 2010, nr. 580, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.
(22)Cass. 19 februari 2013, AR P.12.0867.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.2, AC 2013, nr. 116.
(23)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 238-239; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2019, 118-122; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 344.
(24)F. DERUYCK, “De burgerlijke vordering voor de strafrechter: een status quaestionis aan de hand van de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in CBR Jaarboek 2010-11, Intersentia 2011, 396-397; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, 229; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 343-344; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 929.
(25)D. THIJS, concl. in de zaak Cass. 22 september 2011, AR F.10.0071.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110922.8, AC 2011, nr. 493; F. DERUYCK, “De burgerlijke vordering voor de strafrechter: een status quaestionis aan de hand van de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in CBR Jaarboek 2010-11, Intersentia 2011, 373; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 208; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 320.
(26)Cass. 13 april 2021, AR P.20.1020.N, AC 2021, nr. 256, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.6; Cass. 22 april 2020, AR P.20.0124.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200422.2F.5, AC 2020, nr. 244; Cass. 7 september 2016, AR P.16.0362.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.1, AC 2016, nr. 462; Cass. 22 september 2011, AR F.10.0071.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110922.8, AC 2011, nr. 493, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS; Cass. 13 november 2007, AR P.07.0961.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.1, AC 2007, nr. 549; Cass. 7 maart 1995, AR P.94.1289.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950307.14, AC 1995, nr. 138. Zie J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier 2006, 238; F. DERUYCK, “De burgerlijke vordering voor de strafrechter: een status quaestionis aan de hand van de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in CBR Jaarboek 2010-11, Intersentia, 2011, 395; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, 229; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1173, 1230 en 1234; G.F. RANIERI, “Le sort de l’action civile, en cas de prescription de l’action publique acquise, à la suite d’une disqualification, après la constitution de partie civile entre les mains du juge d’instruction mais avant l’ordonnance de renvoi”, RDPC 2016, 711; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 929-930.
(27)Cass. 13 april 2021, AR P.20.1020.N, AC 2020, nr. 256, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.6; Cass. 7 maart 1995, AR P.94.1289.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950307.14, AC 1995, nr. 138; Cass. 20 september 1988, AR 2358, AC 1988, nr. 38; Cass. 10 februari 1988, AR 6302, AC 1988, nr. 355. Zie J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier 2006, 238; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, 229; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1230 en 1234; G.F. RANIERI, “Le sort de l’action civile, en cas de prescription de l’action publique acquise, à la suite d’une disqualification, après la constitution de partie civile entre les mains du juge d’instruction mais avant l’ordonnance de renvoi”, RDPC 2016, 711; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 929.
(28)Cass. 13 april 2021, AR P.20.1020.N, AC 2021, nr. 256, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.6; Cass. 23 maart 2016, AR P.15.1445.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5, AC 2016, nr. 208, RDPC 2016, 708 noot G.F. RANERI; Cass. 28 september 2010, AR P.09.1598.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.1, AC 2010, nr. 553; Cass. 6 november 1996, AR P.96.0695.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961106.6, AC 1996, nr. 421; Cass. 20 september 1988, AR 2358, AC 1988, nr. 37; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 230; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1230-1231; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 331.
(29)Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131210.3, AC 2013, nr. 669, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, RO5: “Het onderzoeksgerecht beoordeelt in feite de dag waarop het misdrijf eindigt en dus de verjaring van de strafvordering begint te lopen. Die beoordeling is slechts voorlopig, aangezien het aan het vonnisgerecht staat de datum van het misdrijf eventueel te verbeteren, rekening houdend met het onderzoek op de rechtszitting”.
(30)Cass. 13 april 2021, AR P.20.1020.N, AC 2021, nr. 256, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.6; Cass. 10 oktober 2017, AR P.17.0603.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.7, AC 2017, nr. 542; Cass. 23 maart 2016, AR P.15.1445.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5, AC 2016, nr. 208, RDPC 2016, 708 noot G.F. RANERI; Cass. 28 september 2010, AR P.09.1598.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.1, AC 2010, nr. 553; Cass. 18 februari 2004, AR P.03.1689.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040218.7, AC 2004, nr. 88; GwH 22 juni 2005, arrest 109/2005, www.const-court.be Zie J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier 2006, 238; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1230-1231; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 79-80; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 331.
(31)Cass. 4 maart 2020, AR P.19.1251.F, AC 2020, nr. 162, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200304.2F.7; Cass. 20 oktober 2004, AR P.04.0742.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041020.11, AC 2004, nr. 492; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 118; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 227.
(32)Cass. 21 mei 2019, AR P.18.1316.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0832.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.4, AC 2013, nr. 68; Cass. 2 mei 2006, AR P.06.0125.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060502.2, AC 2006, nr. 252; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 118; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 49; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 227; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 880.
(33)Cass. 27 oktober 1986, AR 5256, AC 1986, nr. 122.
(34)Over het misdrijf van artikel 489bis, 2° Sw. zie F. VAN VOLSEM, “Commentaar bij art. 489bis Sw.”, in Strafrecht. Duiding, Larcier 2015, 611-619; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer 2018, 831-839; J. SPREUTELS, F. ROGGEN, E. ROGER FRANCE en J.P. COLLIN, Droit pénal des affaires, Larcier, 2021, 1419-1431; Th. BYL, B. DE BIE, K. NEVENS, B. VERSTRAETEN en F. VAN VOLSEM, Financieel rechercheren, Politeia 2020, 248-250.
(35)De vermelding in arrest 2 (blz. 9) van de datum ‘2015’ over de verkoop van activa waarvan facturen zijn vermeld in een verkoopdagboek 720 (telastlegging D), lijkt mij een materiële vergissing te zijn. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950307.14 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961106.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020410.3 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040218.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041020.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060308.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060502.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070926.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101006.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101201.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110922.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131210.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141210.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150107.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150414.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160301.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200304.2F.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200422.2F.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.