id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.8 Rolnummer: P.22.1758.N Zaak: W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 609 - laatst gezien 2026-06-18 13:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.8 Fiche De artikelen 42, §§ 1 en 2, 66, 67, eerste tot en met derde lid, 70, eerste lid, en 71 van de Interneringswet noch enige andere bepaling voorzien in een sanctie indien de termijn waarbinnen de kamer voor de bescherming van de maatschappij moet uitspraak doen over de definitieve invrijheidstelling niet is gerespecteerd; uit de voormelde bepalingen, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt niet dat door het louter verstrijken van de in artikel 42, § 1, Interneringswet bedoelde proeftermijn, zonder dat tijdig het voormelde verslag en het voormelde advies werden uitgebracht en zonder dat de kamer tijdig heeft beslist over een definitieve invrijheidstelling, de kamer haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen over een definitieve invrijheidstelling en dat aan de internering een einde komt, ook bij de niet-naleving van de voormelde termijnen dient de kamer te onderzoeken of aan de in artikel 66, b), Interneringswet bedoelde voorwaarde is voldaan. Aan de internering komt enkel een einde door het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de kamer tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Artt. 42, §§ 1 en 2, 66, 67, eerste tot en met derde lid, 70, eerste lid, en 71 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de conclusie P.22.1758.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “Het verderzetten van de internering na de proeftermijn, op vraag van de geïnterneerde (art. 42 en 66 Interneringswet)”. Eiser komt op tegen het vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij (KBM) te Gent dat stelt dat het niet over een verlenging van de proeftermijn kan beslissen, omdat de zaak niet tijdig (binnen de proeftermijn, die liep tot 20 december 2021) is aanhangig gemaakt
(1). Eiser, die verblijft in een psychiatrisch centrum, wil dat het toezicht op zijn internering verder loopt en wijst op een ‘extreem hoog recidivegevaar’ en het feit dat hij ‘een gevaar vormt voor de samenleving’, nood heeft aan begeleiding
(2). Mij komt voor dat eiser belang heeft om cassatieberoep in te stellen (art. 416 Sv.), omdat de internering ook gericht is op zorgverlening
(3). Artikel 42, § 1, eerste lid, Interneringswet bepaalt dat in geval van invrijheidstelling op proef de geïnterneerde persoon onderworpen wordt aan algemene en eventueel bijzondere voorwaarden gedurende een termijn van drie jaar, telkens hernieuwbaar met maximaal twee jaar. Volgens artikel 66 Interneringswet kan in dit geval (toepassing van art. 42, § 1) de definitieve invrijheidstelling worden toegekend aan de geïnterneerde a) bij het verstrijken van de proeftermijn
(4)en b) op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat er redelijkerwijze geen vrees meer is voor nieuwe misdrijven die de integriteit van een derde aantasten, begaan als gevolg van de geestesstoornis
(5). Het Hof stelde dat de definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde in de regel onderworpen is aan het doorlopen van een proeftermijn
(6). Die definitieve invrijheidstelling kan niet worden toegekend wanneer de geestesstoornis stabiel is doch het risico op recidive blijft bestaan
(7). Voor het verstrijken van de proeftermijn stelt de bevoegde dienst (Justitiehuis) een eindverslag op (3 maanden ervoor) en dient het openbaar ministerie een gemotiveerd advies in (2 maanden ervoor) (art. 67 Interneringswet). Binnen de proeftermijn wordt de zaak behandeld (art. 70 Interneringswet). De kamer tot bescherming van de maatschappij (KBM) beslist binnen de 14 dagen na het debat over de definitieve invrijheidstelling (art. 71 Interneringswet). Aan de internering komt een einde als het vonnis van definitieve invrijheidstelling in kracht van gewijsde treedt (art. 72 Interneringswet)
(8). Geen enkele bepaling houdt in dat als een termijn voor advies, behandeling en beslissing wordt overschreden, er automatisch een einde komt aan de internering. Mij komt voor dat ook na de proeftermijn (van art. 42, § 1) de KBM bevoegd is om over de definitieve invrijheidstelling te oordelen, waarbij zij nagaat of de geestestoestand van de geïnterneerde voldoende stabiel is en of er gevaar is voor recidive. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt is niet naar recht verantwoord, zodat het middel (gesteund op de artikelen 5 EVRM en 42 Interneringswet) gegrond is. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak. ________________________________________
(1)Het bestreden vonnis stelt dat eiser op 13 december 2018 in vrijheid op proef is gesteld, deze termijn een einde nam op 20 december 2021, de procedure inzake de definitieve invrijheidstelling niet tijdig is ingesteld dat de rechtbank niet meer bevoegd is om te oordelen over het al dan niet toekennen van een definitieve invrijheidstelling. Het openbaar ministerie bracht op 2 december 2012 schriftelijk advies uit, met verwijzing naar verslagen van het justitiehuis van 21 september 2022 en 1 december 2022, met als inhoud dat 1° de proeftermijn verstrijkt op 18 december 2022 en een verlenging van de internering aangewezen is, omdat de geestesstoornis onvoldoende is gestabiliseerd en er vrees is voor het plegen van nieuwe misdrijven, zoals bedoeld in art. 9 Interneringswet.
(2)Ook voor de kamer voor de bescherming maatschappij, tijdens de zitting van 6 december 2022, gaf eiser aan dat hij in de psychiatrische instelling wil blijven en bij bezig is met een studiowoning, waar hij in de zomer van 2023 zou terechtkunnen.
(3)Art. 2, eerste lid, Wet van 5 mei 2014 betreffende de internering bepaalt dat de internering van personen met een geestesstoornis een veiligheidsmaatregel is die ‘er tegelijk toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op re-integratie in de maatschappij. Aan de geïnterneerde wordt de nodige zorg geboden, gelet op het veiligheidsrisico en zijn gezondheid, om een menswaardig leven te leiden, met zorg op maat (art. 2, tweede lid, Interneringswet). Over art. 2 zie Cass. 23 oktober 2018, AR P.18.0983.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181023.7, AC 2018, nr. 581; Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1340.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.11, AC 2017, nr. 57, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; K. HANOUILLE, “De vaste termijn van de invrijheidstelling op proef bij internering en het recht op vrijheid”, RABG 2019, 1159. Eiser voert in zijn memorie aan dat het bestreden vonnis een einde stelt aan zijn statuut als geïnterneerde en hij dan ook niet meer kan verblijven in de psychiatrische inrichting waar hij thans verblijft.
(4)Deze voorwaarde valt weg als de geïnterneerde inmiddels is genezen en er geen risico (meer) bestaat op het plegen van een nieuw misdrijf dat de integriteit van een derde aantast. In dit geval volgt de definitieve invrijheidstelling ook al is de proeftermijn van art. 42, §1 Interneringswet nog niet verstreken (Cass. 25 november 2020, AR P.20.1102.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7, AC 2020, nr. 725, RDPC 2021, 1055; Cass. 11 juin 2019, AR P.19.0524.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5, AC 2019, nr. 362; Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr. 223, RABG 2019, 1150 noot K. HANOUILLE, T. Strafr. 2020, 129 noot J. HUYSMANS; EHRM 8 oktober 2019, Denis en Irvine t/België, www.echr.coe.int).
(5)K. HANOUILLE, “De vaste termijn van de invrijheidstelling op proef bij internering en het recht op vrijheid”, RABG 2019, 1156-1159; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 207; J. HUYSMANS, „Onmiddellijke definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde: artikel 5 EVRM als bijkomende en zelfstandige grondslag”, T. Strafr. 2020, 79-86; P. VERPOORTEN, Internering, Kluwer 2022, 148-156.
(6)Cass. 21 februari 2017, AR P.17.0124.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170221.4, AC 2017, nr. 124, NC 2017, 279.
(7)Cass. 25 november 2020, AR P.20.1102.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7, AC 2020, nr. 725, RDPC 2021, 1055.
(8)H. HEIMANS en T. VANDER BEKEN, “De nieuwe interneringswet van 5 mei 2014”, in Internering. Nieuwe interneringswet en organisatie van de zorg, Die Keure 2015, 88-90; K. HANOUILLE, Internering en toerekeningsvatbaarheid, Intersentia, 2018, 344-348; J. HUYSMANS, Onmiddellijke definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde: artikel 5 EVRM als bijkomende en zelfstandige grondslag”, T. Strafr. 2020, 86-90; P. VERPOORTEN, Internering, Kluwer 2022, 148-155. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170221.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181023.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div