id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.11 Rolnummer: F.22.0070.N Zaak: Industrial Refining Company contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-03-22 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-06-18 13:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.11 Fiche De aanvraag tot inzage en de, zelfs herhaalde, inzage van een gerechtsdossier door de administratie, met toepassing van artikel 327 WIB92, is geen onderzoeking in de zin van artikel 333 WIB92, zelfs wanneer deze inzage betrekking heeft op een bepaalde belastingplichtige
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 327 en 333 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.22.0070.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiseres de mogelijkheid bood aan handelaars om edele metalen als particulier-niet handelaar aan haar te verkopen via aankoopborderellen waar enkel de vermelding 'partikulier' op staat, zonder enige verdere vermelding of identiteit. De partijen aangeboden goud werden opgesplitst in kleinere partijen, zgn. clustering, met een waarde van 15.000 EUR of minder om de verkoop in contanten te laten verlopen binnen de grenzen van 15.000 EUR zoals bepaald in de anti-witwaswetgeving. De aankopen van handelaars gebeurde zonder enige identificatie, registratie en herkomstbepaling waardoor de eiseres ook haar leveranciers toeliet officieuze verkopen te verrichten. De administratie stelde dat een niet-bewijskrachtige boekhouding werd gevoerd, samengesteld door tienduizenden aankoopborderellen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen en door het wissen van boekhoudkundige informatie. Er werd een strafonderzoek gevoerd en de fiscale administratie heeft na inzage van het strafdossier de aankoopkosten van de eiseres als beroepskosten verworpen omdat ze niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 49 WIB
- Voor aanslagjaar 2010 werd een aankoopbedrag van 396.776.848,17 EUR als beroepskost verworpen, voor aanslagjaar 2011 een aankoopbedrag van 578.993.725,88 EUR en voor aanslagjaar 2012 een aankoopbedrag van 616.078.435,80 EUR. In het bestreden arrest van 26 oktober 2021 bevestigde het hof van beroep Antwerpen deze aanslagen alsook de opgelegde belastingverhoging van 200% wegens onvolledige of onjuiste aangifte gepaard gaand met valsheid of gebruik van valse stukken. (…) Vierde middel. In het vierde middel voert de eiseres de schending aan van artikel 333, derde lid WIB
- Het bestreden arrest zou deze bepaling hebben geschonden door te beslissen dat: - noch voor de eerste inzage in het strafdossier lastens eiseres op 26 juni 2013 noch voor de verscheidene daaropvolgende inzagen in 2014, 2015 en 2016, de administratie eiseres vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis diende te geven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te haren aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk, en dat zonder na te gaan of elk van die inzagen niet de toestand van een bepaalde belastingplichtige betrof; Het middel bevat ook de grief over de schending van artikel 149 van de Grondwet. Het arrest zou niet verder preciseren ter gelegenheid van welke inzage(n) de administratie kennis heeft genomen van de stukken uit het strafdossier lastens eiseres waarop de bestreden aanslagen zijn gesteund, waardoor het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen over de toepassing van artikel 333, derde lid, WIB
- De eiseres maakt een analyse van de rechtspraak van het Hof en steunt daarop het middel dat een onderscheid geldt tussen twee situaties waarin de administratie inzage vraagt van een gerechtsdossier; namelijk hetzij om informatie te verzamelen die het mogelijk moet maken te beslissen over de noodzaak van een nieuw onderzoek, hetzij met betrekking tot de toestand van een bepaalde belastingplichtige. In het eerste geval zou de inzage geen onderzoeksdaad zijn, terwijl de inzage betreffende een (of meerdere) welbepaalde belastingplichtige(n) wel een onderzoeksdaad zou zijn. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof kan de inzage van een gerechtsdossier door de administratie, in toepassing van artikel 327 WIB92, niet als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, worden beschouwd daar die inzage het slechts mogelijk maakt over de noodzaak van een nieuw onderzoek te beslissen
(1). In een arrest van 28 september 2001 stelde het Hof dat het verzoek tot inzage niet hoeft te worden afgestemd op een welbepaalde belastingplichtige en dat het ook niet ter zake doet dat het bestuur, op het ogenblik dat het kennis neemt van het gerechtelijk dossier, al dan niet redenen kan hebben om te denken dat er in het dossier gegevens zijn die dienstig kunnen zijn voor een nieuw onderzoek
(2). De eiseres voert aan dat deze rechtspraak dient te worden genuanceerd, in het licht van de arresten van uw Hof van 16 mei 2003 en 20 mei 2016. De vraag of het aangevoerde onderscheid naar aanleiding van een verzoek tot en het nemen van inzage van een gerechtsdossier al dan niet een onderzoeksdaad is (die een voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige vereist), maakte het voorwerp uit van een recent arrest van het Hof, namelijk van 21 april 2022
(3). In dat arrest bevestigde het Hof zijn rechtspraak dat de inzage van een gerechtsdossier door de administratie, in toepassing van artikel 327 WIB92, is geen onderzoeking in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92. Ook al gebeurt de inzage ten aanzien van een wel bepaalde belastingplichtige, dan nog zal het slechts op basis van de inzage van het strafdossier zijn dat de administratie zich een beeld kan vormen van het bestaan of de aard van niet aangegeven inkomsten, hetzij van de aard van de eventuele inbreuken op de fiscale wetgeving, de betrokken belastingplichtigen, het belastbaar tijdperk waarin de inbreuken zich voordoen, het vaststellen van alle essentiële elementen voor het bepalen van het juiste bedrag van de verschuldigde belasting, de noodzaak tot het aankondigen en stellen van onderzoeksdaden, zijnde aspecten die totaal verschillend kunnen zijn van deze gekend in een al lopend fiscaal onderzoek ten aanzien van een welbepaalde belastingplichtige en die ook nog tot een ander en nieuw fiscaal onderzoek kunnen nopen
(4). Het middel, in zijn geheel, dat ervan uitgaat dat de inzage in een gerechtsdossier een door artikel 333, derde lid, WIB92 bedoelde onderzoeking is wanneer deze inzage betrekking heeft op een onderzoek betreffende een bepaalde belastingplichtige, berust m.i. op een onjuiste rechtsopvatting en faalt naar recht. Besluit: verwerping. _________________________________
(1)Cass. 16 mei 2003, AR F.00.0093.N, AC 2003, nr. 302, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.5; Cass. 14 oktober 1999, AR F.96.0086.N-F.96.0091.N, AC 1999, nr. 531, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991014.7; Cass. 2 september 1999, AR F.96.0046.N, AC 1999, nr. 429, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990902.13.
(2)Cass. 28 september 2001, AR F.99.0146.N, AC 2001, nr. 504, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.4.
(3)Cass. 21 april 2022, AR F.19.0131.N, AC 2022, nr. 277, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.12, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN.
(4)J. BONNÉ en W. VETTERS, “Onderzoek bij derden vereist dan toch een voorafgaande kennisgeving”, RABG 2016, p. 1397. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990902.13 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991014.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div