← België

ESPA NV contra BELGISCHE STAAT, FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.13 Rolnummer: F.22.0032.N Zaak: ESPA NV contra BELGISCHE STAAT, FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2023-03-22 Raadplegingen: 512 - laatst gezien 2026-06-17 11:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.13 Fiches 1 - 2 Het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging wordt miskend wanneer een rechter zijn beslissing laat steunen op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, niet dienden te verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Fiche 3 Door te oordelen dat, aangezien de omzetberekening, die in de thans nog voorliggende zaak inzake btw dezelfde is als die inzake directe belastingen, op het vlak van de directe belastingen definitief is rekening houdend met het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei 2011 en het arrest van het Hof van 19 december 2013, dat zij gebonden zijn door die omzetberekening en het resultaat ervan en deze omzetberekening, het resultaat ervan en het omzetverschil in de betwisting inzake btw niet meer kunnen worden onderzocht op het al dan niet willekeurig zijn ervan omdat ze definitief vaststaan, steunen de appelrechters hun beslissing op een element waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, niet dienden te verwachten dat zij het in hun oordeel zouden betrekken en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren, en miskennen zij bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Tekst van de conclusie F.22.0032.F Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in het arrest van 3 mei 2011 dat de eiseres er niet in slaagde het willekeurig karakter van de aanslag in de vennootschapsbelasting aan te tonen, aangezien haar kritieken uitsluitend steunde op beoordelingsgegevens waarover de aanslagambtenaar op het ogenblik van de aanslag niet beschikte noch kon beschikken, terwijl het al dan niet willekeurig karakter ingevolge de artikelen 351 en 352 WIB92 enkel kan worden getoetst aan de gegevens waarover de aanslagambtenaar op het ogenblik van het opmaken van de aanslag beschikte of kon beschikken. Het hof van beroep breidde dat oordeel ook uit naar de beoordeling van het willekeurig karakter van de aanslag in de btw. In het arrest van 19 december 2013 heeft het Hof dit arrest gedeeltelijk vernietigd op grond van de volgende overweging: “5. Het middel dat voorhoudt dat de appelrechters de regels inzake het tegenbewijs op het vlak van de btw hebben miskend, door het tegenbewijs van de eiseres te verwerpen op de enige reden dat de aanslagambtenaar deze gegevens op het ogenblik van het opmaken van de aanslag in de inkomstenbelasting niet kende of kon kennen, is gegrond” Het arrest van 3 mei 2011 werd door het Hof vernietigt in zoverre het uitspraak doet over de schuld inzake de btw en de kosten. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel. Hoewel de omvang van cassatie specifiek betrekking had op de btw-schuld, oordeelde het hof van beroep te Brussel in het thans bestreden arrest van 17 maart 2021 dat het oordeel van het hof van beroep Antwerpen over de meeromzet in de vennootschapsbelasting definitief is en dat het aan dat oordeel gebonden is voor wat betreft de bepaling van meeromzet inzake de btw. De appelrechters verwijzen hiervoor naar de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze artikelen betreffen het gezag van gewijsde. Ze oordelen hierover in het bijzonder als volgt: “Nu de omzetberekening - die in de thans nog voorliggende zaak inzake BTW dezelfde is dan die inzake directe belastingen - op vlak van directe belastingen definitief is rekening houdend met het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 3 mei 2011 en het arrest van het hof van Cassatie van 19 december 2013, is het hof gebonden door die omzetberekening en het resultaat ervan (vgl. arttn. 23-28 Ger. W. vgl. ook in zekere zin Cassatie 16 juni 2017, AR F.15.0127.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170616.4, AC 2017, nr. 394)”. Uit deze overweging blijkt mijn inziens dat de appelrechters aannemen dat het oordeel over de omzetberekening inzake inkomstenbelastingen en deze inzake btw eenzelfde geschilpunt betreft. In die zin oordelen zij niet dat hun rechtsmacht over dit geschilpunt is uitgeput, maar wel dat ze zich gebonden achten door hetgeen reeds over dat geschilpunt werd beslecht. De vraag of die beoordeling steunt of moet steunen op de uitputting van de rechtsmacht dan wel op het gezag van gewijsde, acht ik hier niet van belang. Mijn inziens zijn beide beginselen hier niet toepasselijk omdat het geschilpunt inzake de berekening van de omzet inzake directe belastingen hier niet kan worden aangemerkt als hetzelfde geschilpunt dat betrekking heeft op de berekening van de omzet inzake btw. In het eerste onderdeel van het enig middel voert de eiseres aan dat de appelrechters zich zonder meer gebonden achtten door de omzetberekening inzake de inkomstenbelasting en op grond van dit ambtshalve aangevoerd middel de vordering van de eiseres ongegrond verklaren, zonder de eiseres de mogelijkheid te bieden terzake verweer te voeren, waardoor ze het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging hebben miskend, alsook artikel 774, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek overeenkomstig hetwelk de rechter de heropening van de debatten moet bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen. Met de eiseres moet worden vastgesteld dat geen van de beide partijen voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de omzetberekening inzake btw dezelfde is als de omzetberekening inzake de vennootschapsbelasting. De vraag of de appelrechters voor het vaststellen van de btw-schuld gebonden zijn door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei 2011 met betrekking tot de omzetberekening in de vennootschapsbelasting, maakte geen voorwerp uit van het tegensprekelijk debat. Door zich op dit ambtshalve aangevoerd middel te steunen zonder de partijen toe te laten daarover tegenspraak te kunnen voeren, komt het mij voor dat de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging hebben geschonden. Het eerste onderdeel van het enig middel komt gegrond voor. Besluit: cassatie. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170616.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.