id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 Rolnummer: P.22.1083.N Zaak: L. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-04-27 Raadplegingen: 865 - laatst gezien 2026-06-18 23:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.1 Fiches 1 - 2 Artikel 37, § 1 en § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is de omzetting in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten; in een arrest van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling van artikel 27, 3, c, zo moet worden uitgelegd dat zij niet verhindert dat aan de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel; zodoende wordt het specialiteitsbeginsel niet miskend doordat de voorlopige hechtenis van een overgeleverde verdachte wordt gehandhaafd wegens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een geheel van feiten gepleegd vóór zijn overlevering, waarvan bepaalde feiten wel en andere feiten niet zijn vermeld in het Europees aanhoudingsbevel
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 2 en 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 2 en 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 3 Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zoals deze die, al dan niet na een debat, enkel conclusietermijnen bepalen overeenkomstig artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering of de zaak enkel uitstellen, vallen niet onder de toepassing van artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; die beslissingen vereisen als dusdanig immers niet dat de rechters die ze uitspreken kennis nemen van de zaak met het oog op de beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Wanneer een rechtscollege, samengesteld uit een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak en twee rechters die dat niet hebben gedaan, in het verleden heeft geoordeeld dat de zaak op dat moment niet in staat van wijzen was, kan een partij daaruit geen miskenning van haar recht op een eerlijk proces afleiden, noch een schijn van partijdigheid of afhankelijkheid van die twee rechters, wanneer hetzelfde rechtscollege, ditmaal samengesteld uit die twee rechters en een andere rechter bij wie de vermelde onverenigbaarheid evenmin bestaat, bij de latere beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering en op grond van de alsdan voorliggende gegevens hebben geoordeeld dat de zaak wel in staat van wijzen was; speculaties over wat de rechters tijdens het beraad voorafgaand aan de beslissing of beslissingen tot het verlenen van uitstel zouden hebben gezegd en over de mogelijke impact daarvan op de latere eindbeslissing, doen daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie P.22.1083.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “1° De voorwaarde van ‘een ander feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft’ (art. 37, § 1 Wet Europees Aanhoudingsbevel) en 2° de beslissing tot uitstel van de zaak door een kamer met een raadsheer die in dezelfde zaak optrad als parketmagistraat”.
- Voorgaanden.
- Eiseres wordt vervolgd wegens A) gebruik van een vals stuk over een bankrekening met een positief saldo bij een bank in New York, B) oplichting in het kader van transacties voor vastgoed in Spanje, C) schending van het beroepsverbod, strafbaar door het KB nr. 22 van 24 oktober 1934 en D) bedrieglijk onvermogen, door vestiging van haar woonplaats op een fictief adres.
- De correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, oordeelde dat de strafvordering ontvankelijk was en verklaarden de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen A, B1, B2 (beperkt tot een bedrag van 15.000€), B3 (beperkt tot een bedrag van 12.500€), B4 (beperkt tot een bedrag van 12.500€), B6 (beperkt tot een bedrag van 125.378€), B7, B9, B10, B11 en C bewezen. Voor alle feiten samen werd één straf opgelegd (art. 65, lid 1, Sw.), namelijk een gevangenisstraf van vier jaar, een geldboete van 24.000€ (incl. opdeciemen), een beroepsverbod van 10 jaar, de ontzetting uit de rechten vermeld in art. 31, lid 1 Sw. voor tien jaar.
- Op hoger beroep van eiseres en het volgappel van het openbaar ministerie oordeelde het hof van beroep te Gent op 18 juni 2018 (arrest I) dat de strafvordering ontvankelijk was voor alle te laste gelegde feiten en dat de zaak niet in staat is, omdat er stukken ontbraken over de overlevering van eiseres vanuit Spanje. Het verweer van eiseres over het specialiteitsbeginsel werd verworpen. De zaak werd voor verdere behandeling uitgesteld naar de terechtzitting van 21 januari
- Op 27 november 2018 heeft het Hof akte verleend van de afstand van het cassatieberoep van eiseres, ingesteld tegen dit arrest.
- Na uitstellen van de zaak wegens het voegen van stukken, vertaling van stukken en conclusietermijnen heeft het hof van beroep eiseres op tegenspraak berecht bij arrest van 27 juni 2022 (arrest II). De appelrechters verklaarden de telastleggingen A1, B1, B2, B3, B4, B5, B6 (voor een bedrag van 99.178,99€), B7, B9 (voor een bedrag van 52.645€), B10, B11 en C bewezen. Eiseres werd voor deze telastleggingen, verbonden door eenheid van opzet (art. 65, lid 1 Sw.) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, een geldboete van 24.000€ (incl. opdeciemen), een ontzetting uit de rechten vermeld in art. 31, lid 1 Sw. voor tien jaar en een beroepsverbod van 10 jaar. De vordering tot onmiddellijke aanhouding van eiseres werd afgewezen.
- Ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
- Eiseres heeft op 8 juli 2022 cassatieberoep ingesteld tegen alle beschikkingen van beide arresten. Voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak wegens de telastleggingen B6 voor een bedrag van 60.201€, B.8, B9 voor een bedrag van 30.000€ en D, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang (art. 416 Sv.). Verweerders 1 tot 8 en 11 tot 16 zijn berecht bij verstek. Het cassatieberoep dat is ingesteld tegen arrest II binnen de gewone termijn van verzet, is ten aanzien van deze verweerders niet-ontvankelijk (art. 424 Sv.).
- Het specialiteitsbeginsel ingevolge de overlevering.
- Eiseres werd vanuit Spanje overgeleverd voor vervolging van feiten B1 tot B4 en stelt in een eerste middel dat de veroordeling wegens andere feiten een schending inhoudt van art. 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel van 19 december 2003 (specialiteitsbeginsel). Verder komt eiseres op het standpunt in arrest I (blz. 28) over het niet kunnen vaststellen dat zij is aangehouden wegens feiten waarvoor de overlevering niet was toegestaan. Dit standpunt miskent de bewijskracht van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent van 20 april 2017, dat voor de telastleggingen B5, B6, B7 en B8 ernstige aanwijzingen van schuld vaststelt, hoewel zij daarvoor niet is overgeleverd.
- Beoordeling. Het Europees aanhoudingsbevel dient krachtens artikel 2, § 4, 5° Wet Europees Aanhoudingsbevel de omschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, daaronder begrepen tijdstip en plaats, alsook van de mate waarin de gezochte persoon aan het misdrijf heeft deelgenomen. Artikel 37, § 1 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt, in uitvoering van art. 27 lid 2 EU-Kaderbesluit 2002/584/JBZ, dat als de beklaagde is overgeleverd op basis van een EAB van een Belgische rechter, hij niet kan worden vervolgd wegens een ander, vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit waarop de overlevering betrekking heeft
(1). Deze regel, gekend als het specialiteitsbeginsel, is van groot belang in het overleveringsrecht. Het heeft immers weinig zin de overlevering te onderwerpen aan verplichte en facultatieve weigeringsgronden (art. 4-7 Wet Europees Aanhoudingsbevel) als de uitvaardigende lidstaat vrij zou zijn de overgeleverde verdachte te vervolgen en te bestraffen voor andere strafbare feiten dan deze waarvoor de overlevering door een rechterlijke autoriteit in de uitvoerende lidstaat is toegestaan
(2). Bovendien houdt het specialiteitsbeginsel verband met de soevereiniteit van de uitvoerende lidstaat
(3). Aangezien feit A (gebruik van een vals stuk) dateert van na de overlevering uit Spanje, zoals vastgesteld door de appelrechters in arrest I (blz. 29), kan het middel op dat punt niet worden aangenomen. 8. Op het specialiteitsbeginsel bestaan enkele uitzonderingen. Zo is het verbod van vervolging voor enig ander feit begaan vóór de overlevering volgens artikel 37, § 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel niet van toepassing in geval de strafprocedure geen aanleiding geeft tot toepassing van een maategel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt
(4). Deze bepaling is geënt op art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarover het Hof van Justitie in zijn arrest C-388-08 van 1 december 2008 oordeelde deze regel toelaat dat de overgeleverde persoon kan worden vervolgd en berecht voor enig ander feit “dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend”
(5). Uit dit arrest volgt dat de strafvervolging ingesteld tegen de betrokkene voor de feiten waarvoor hij niet werd overgeleverd ook zonder instemming van de uitvoerende staat voortgang kan vinden, zolang de betrokkene tijdens de strafprocedure voor die feiten niet van zijn vrijheid wordt beroofd
(6). Uw Hof nam hierover aan dat de loutere veroordeling tot een gevangenisstraf geen maatregel is die de individuele vrijheid beperkt
(7). 9. De voorwaarde van “enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welke de reden tot de overlevering is geweest” (art. 27.2 EU-Kaderbesluit 2002/584) laat ruimte voor interpretatie, vooral als de verdachte zich na zijn overlevering in voorlopige hechtenis bevindt. Het Hof van Justitie oordeelde in de zaak C-388/08 dat de voorwaarde “de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt” (art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 2002/584), als uitzondering op het specialiteitsbeginsel omschreven in art. 27.2 EU-Kaderbesluit 2002/584, geen beletsel is voor een vrijheidsbeperkende maatregel van de overgeleverde verdachte voorafgaand de toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op voorwaarde dat deze maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het EAB
(8). 10. Uw Hof nam aan dat, met verwijzing naar vermeld arrest C-388/08, dat in het kader van art. 27.3.c EU-Kaderbesluit 2002/584: “een persoon kan worden vervolgd voor ‘enig ander feit’ dan dat waarvoor de overlevering is toegestaan en dat aanleiding kan geven tot een vrijheidsstraf, zonder dat de vervolging was toegestaan door de uitvoerende autoriteit, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend”
(9). Verder oordeelde uw Hof dat de omstandigheid dat een inverdenkinggestelde na zijn overlevering in voorlopige hechtenis verblijft wegens feiten waarvoor die overlevering is geweigerd, niet verhindert dat hij voor die feiten kan worden vervolgd en berecht, wanneer de voorlopige hechtenis ook wettelijk gerechtvaardigd is door feiten waarvoor hij wel is overgeleverd
(10). 11. Advocaat-generaal Marc TIMPERMAN stelde hierover dat het specialiteitsbeginsel (art. 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel): “niet verhindert dat de overgeleverde persoon die in voorlopige hechtenis verblijft mede wegens de feiten waarvoor de overlevering is geweigerd, toch voor deze feiten kan worden vervolgd en berecht, op voorwaarde dat de voorlopige hechtenis wettelijk gerechtvaardigd wordt door de feiten waarvoor hij wel is overgeleverd”
(11), en verder dat de ratio van het specialiteitsbeginsel, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, erin bestaat dat: “de overgeleverde persoon niet van zijn vrijheid zou worden beroofd op basis van feiten waarvoor de overlevering niet werd gevraagd of waarvoor deze werd gevraagd maar door de uitvoerende overheid werd geweigerd. Wanneer de voorlopige hechtenis naar recht is verantwoord op basis van de feiten waarvoor de betrokkene werd overgeleverd, is aan deze ratio voldaan, ongeacht of de voorlopig hechtenis daarnaast ook op andere feiten is gebaseerd”
(12). 12. Het specialiteitsbeginsel wordt bijgevolg niet miskend door de handhaving van de voorlopige hechtenis van de verdachte wegens feiten die vóór zijn overlevering zijn begaan, waarvan bepaalde feiten wel en andere feiten niet zijn vermeld in het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit in België, voor zover de voorlopige hechtenis wettelijk is gerechtvaardigd voor de feiten waarvoor de overlevering is toegestaan
(13). In zoverre kan het middel over de ontvankelijkheid van de strafvordering op basis van art. 37, §§ 1 en 2, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel en de bewijskracht van de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis van 20 april 2017 wat betreft telastleggingen B5 tot en met B11 en C niet worden aangenomen.
- Voor zover eiseres opkomt tegen de handhaving van de voorlopige hechtenis gesteund op de telastleggingen B1 tot en met B4, die het voorwerp zijn van het Europees Aanhoudingsbevel, is het middel bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk.
- Het tweede middel over latere arresten van het hof van beroep over het verzoek van eiseres tot voorlopige invrijheidstelling, waarbij volgens eiseres werd rekening gehouden met feiten waarvoor zij niet was overgeleverd, heeft dezelfde strekking als het eerste middel en kan om dezelfde redenen worden verworpen.
- De samenstelling van de zetel en art. 6 EVRM.
- Het derde middel beeft betrekking op de samenstelling van het hof van beroep dat uitspraak deed ten gronde, gewezen door de raadsheren P.G, A.S. en E.T. Op drie zittingen waarop de zaak werd uitgesteld behoorde een raadsheer tot de zetel die in dezelfde zaak optrad als parketmagistraat (P.C.) en op een zitting in 2018 (zoals vermeld in arrest I, p.17) een vordering nam tegen eiseres.
- Beoordeling. Het door eiseres ingeroepen artikel 6.1 EVRM bepaalt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De waarborg van onpartijdigheid houdt in dat de rechter geen blijk mag geven van enige vooringenomenheid bij de beoordeling van de zaak. Een aspect van deze waarborg is de ‘objectieve onpartijdigheid’, wat inhoudt dat de opeenvolging van functies in dezelfde zaak geen gewettigde schijn van partijdigheid mag doen ontstaan
(14). 17. Artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt over rechterlijke onverenigbaarheden dat: “Nietig is het vonnis gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak”
(15). Men kan aannemen dat ‘kennis nemen van de zaak’ meer is dan alleen aanwezig zijn op een rechtszitting, een zekere inhoudelijke beoordeling van de zaak inhoudt
(16). Mij komt voor dat het cumulverbod van art. 292 Ger. W. niet gericht is op rechtszittingen waarop alleen een beslissing van inwendige aard is genomen, zoals het bepalen van conclusietermijnen
(17). Hetzelfde geldt voor zittingen waarop de zaak werd uitgesteld voor het toevoegen van bijkomende informatie, zoals het opvragen van stukken over rechterlijke beslissingen in Spanje, zonder enige inhoudelijke beslissing, omdat de zaak niet in staat van wijzen was.
- Het enkele feit dat een raadsheer deelnam aan een rechtszitting waarop de zaak is uitgesteld voor conclusietermijnen of het opvragen van stukken (zonder dat enig geschilpunt werd beslecht), waarbij deze raadsheer eerder in de zaak standpunt innam als parketmagistraat, en nadien niet is betrokken bij de debatten en uitspraak over de grond van de zaak, volstaat bijgevolg niet om de rechtspleging in strijd te achten met de artikelen 6.1 EVRM en 292 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre faalt het middel naar recht. De ingeroepen artikelen 101 en 828 Gerechtelijk Wetboek zijn m.i. vreemd aan de grief over de opeenvolging van rechterlijke functies in eenzelfde zaak.
- Eiseres voert bijkomend aan dat raadsheer P.C., die alleen deel uitmaakte van de zetel op zittingen waarop de zaak werd uitgesteld, in deze zaak als parketmagistraat het standpunt innam dat geen uitstel nodig was en de beslissing van de eerste rechter moest worden bevestigd. Raadsheer P.C. heeft haar standpunt over de volledigheid van het dossier besproken met de raadsheren P.G en A.S. die nadien uitspraak deden over de grond van de zaak. Hierdoor bestaat er volgens eiseres ook een gewettigde schijn van partijdigheid in hoofde van de raadsheren P.G en A.S, waardoor haar recht op een eerlijk proces is geschonden
(18).
- Beoordeling. De omstandigheid dat twee raadsheren die deelnamen aan de debatten ten gronde en de einduitspraak op een eerdere zitting zetelden met een raadsheer die in dezelfde zaak optrad als parketmagistraat, waarbij op deze zitting de zaak werd uitgesteld wegens ‘zaak niet in staat’, lijkt mij geen reden te zijn om aan te nemen dat deze twee raadsheren niet meer met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid uitspraak konden doen.
- Uit geen enkel stuk of element is m.i. af te leiden dat raadsheer P.C. op de zittingen waarbij de zaak niet in staat werd verklaard een standpunt innam over de schuld van eiseres aan één of meerdere tenlasteleggingen, en aldus de mening heeft beïnvloed van twee raadsheren die het arrest II van schuld hebben gewezen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Overige middelen.
- In een vierde middel voert eiseres aan dat de appelrechters haar schuldig verklaren aan feit B.11 (oplichting) zonder het bestaan van listige kunstgrepen vast te stellen, waardoor er schending is van art. 149 Grondwet en art. 496 Sw.
- Beoordeling. De strafrechter oordeelt onaantastbaar of de constitutieve bestanddelen van het misdrijf oplichting zijn verenigd, zoals de listige kunstgrepen om een zaak te bekomen, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven
(19). Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie diende de rechter niet te motiveren welke gegevens als een listige kunstgreep vormen, in de zin van art. 496 Sw. Het volstaat dan dat de rechter de wettelijke bestanddelen van de oplichting vaststelt
(20).
- Het arrest 2 stelt vast dat eiseres ondanks haar beloftes geen terugbetaling deed van het voorschot van verweerder 14 H.V.L. voor de aankoop van een woning in Spanje, dat eiseres het bedrag van het voorschot in schijven van haar rekening haalde en niet aannemelijk maakt dat zij die gelden zou hebben overgemaakt aan verkoper D.M., gelet op onder meer de verklaring van P.D.W. over de handelswijze van eiseres en het bankonderzoek. Volgens het arrest liet eiseres valselijk aan verweerder 14 uitschijnen dat zij de aankoop van de woning kon realiseren, terwijl zij alleen de bedoeling had het voorschot voor persoonlijke doeleinden aan te wenden. De schuldigverklaring aan het feit B.11 van oplichting lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het vierde middel niet worden aangenomen. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet-ontvankelijk.
- De bewijskracht van een akte (artikelen 8.17 en 8.18 B.W.) bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat dan wel stelt dat het geschrift geen verklaring bevat, terwijl die verklaring er wel in voorkomt (kortom, wanneer de rechter het geschrift doet liegen). De rechter die uit een akte louter een gevolg trekt, feitelijk of juridisch, zonder de bewoordingen van de akte te verdraaien, miskent de bewijskracht van die akte niet
(21). 26. Anders dan eiseres aanvoert, geeft het arrest 2 geen uitlegging van de beroepsconclusie van eiseres over de intentie van verweerster 12 N.A. om niet meer tot aankoop van een woning over te gaan. Het bestreden arrest lijkt mij alleen de bewijswaarde van dat standpunt van eiseres te beoordelen, rekening houdend met het ontvangen voorschot van verweerster 12, zodat er op dit punt, bij de beoordeling van telastlegging B.6, geen miskenning is van de bewijskracht van de beroepsconclusie. Aldus mist het vijfde middel feitelijke grondslag. (…) Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ______________________________________
(1)Vb. Cass. 23 november 2010, AR P.10.1371.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4, AC 2010, nr. 689, NC 2012, 220 noot E. VAN DOOREN.
(2)H. SANDERS, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2011, 242.
(3)HvJ 1 december 2008, Artur Leymann en Aleksei Pustovarov, zaak C-388/08, § 44, www.curia.europa.eu; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 70.
(4)Zie alg. J. VAN GAEVER, “Het specialiteitsbeginsel in de overlevering”, T. Strafr. 2009, 311-317; H. SANDERS, Het Europees aanhoudingsbevel. Nederlands en Belgisch overleveringsrecht in hoofdlijnen, Intersentia 2011, 89-90; H. SANDERS, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2011, 241-256; S. DEWULF, Handboek overleveringsrecht, Intersentia 2013, 40-45; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 605-606; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer 2013, 290-302; Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, conclusie in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 69-79; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 2151-2153, C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1297-1298.
(5)HvJ 1 december 2008, Artur Leymann en Aleksei Pustovarov, zaak C-388/08, RO 73, www.curia.europa.eu.
(6)Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, conclusie in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, met verwijzing in VN 4 naar Cass. 24 maart 2009, AR P.08.1881.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090324.5, AC 2009, nr. 214, ro. 9; Cass. 16 september 2015, AR P.15.0869.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.3, AC 2015, nr. 522; Cass. 21 april 2009, AR P.08.1789.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.2, AC 2009, nr. 262, ro. 5; S. DEWULF, “Van regel tot uitzondering: de bescherming van het specialiteitsbeginsel in geval van uit- en overlevering” (noot onder Gent 8 september 2010), RW 2011-12, 1433, nr. 4; J. VAN GAEVER, “Het specialiteitsbeginsel in de overlevering” (noot onder Cass. 24 maart 2009, T. Strafr. 2009, 315, nr. 14; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Mechelen, Kluwer 2013, 298, nr. 596.
(7)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, Conclusie in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, met verwijzing in VN 5; Cass. 24 maart 2009, AR P.08.1881.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090324.5, AC 2009, nr. 214, T. Strafr. 2009, 310 noot J. VAN GAEVER (310-317).
(8)HvJ 1 december 2008, Artur Leymann en Aleksei Pustovarov, zaak C-388/08, RO 76 www.curia.europa.eu; “De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, van kaderbesluit 2002/584 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer sprake is van “enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, overeenkomstig artikel 27, lid 4, van dat kaderbesluit toestemming moet worden gevraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. De overgeleverde persoon kan voor dat strafbare feit worden vervolgd en berecht alvorens die toestemming is verkregen, op voorwaarde dat geen vrijheidbeperkende maatregel wordt opgelegd tijdens de vervolging of de berechting van dat feit. De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, staat er echter niet aan in de weg dat de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens de toestemming wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere tenlasteleggingen in het Europees aanhoudingsbevel”; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer 2013, 298; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 74; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 2152.
(9)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15, NC 2020, 463.
(10)Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(11)Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, conclusie in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, § 5.
(12)Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, conclusie in de zaak Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, § 5.
(13)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; Cass. 12 september 2017, AR P.15.1413.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2, AC 2017, nr. 463, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN. Over de regelmatigheid van de voorlopige hechtenis voor een feit waarvoor de verdachte niet is overgeleverd zie Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0992.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.15, AC 2020, nr. 634.
(14)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 734-739, met verwijzingen naar o.a. EHRM 24 februari 1993, Fey t/Oostenrijk; EHRM 22 mei 1998, Vasilescu t/Roemenië; EHRM 26 oktober 2010, Cardona Serrat t/Spanje.
(15)Art. 292 Ger. W. geldt eveneens in strafzaken (Cass. 18 maart 1981, AC 1981, nr. 413, met concl. van advocaat-generaal J. VELU), zie X. DE RIEMAECKER en G. LONDERS, “Le régime des incompatibilités”, in Statut et déontologie du magistrat, Die Keure 2000, 131-140; G. DE LEVAL en F. GEORGES, Précis de droit judiciaire, Tôme I, Les institutions judiciaires: organisation et éléments de compétence, Larcier 2010, 179-182; J. FLO, “Belangenconflicten: wrakingen en onverenigbaarheden”, in Statuut en deontologie van de magistraat, Die Keure 2020, 467-488.
(16)Cass. 8 september 1998, AR P.97.0644.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980908.8, AC 1998, nr. 389 (over een vonnis gewezen door een rechter die in de zelfde zaak betrokken was als procureur des Konings bij alleen de uitspraak van het vonnis op burgerlijk gebied, geen schending van art. 6.1 EVRM en art. 292 Ger. W.); Cass. 29 januari 1991, AR 3125, AC 1990-91, nr. 283 (over de verzending van de zaak naar drie rechters); Cass. 9 mei 1979, AC 1978-79, 1077, “Overwegende dat het de rechter noch op grond van artikel 292 van het Gerechtelijk Wetboek noch op grond van enige andere wetsbepaling verboden is deel te nemen aan een beslissing waarbij het hof van beroep een zaak waarin die rechter reeds als onderzoeksrechter was opgetreden, uitstelt naar een latere terechtzitting” (in dezelfde zin Cass. 26 april 1977, AC 1977, 880); Cass. 18 maart 1981, AC 1980-81, nr. 413 met concl. van advocaat-generaal J. VELU (raadsheer die in de zaak optrad als onderzoeksrechter, wel schending van art. 292 Ger.W.); Cass. 19 juli 2022, AR P.22.0914.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220719.VAC.3, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas. (over een raadsheer in de K.I die in dezelfde zaak als rechter van de raadkamer had geoordeeld over de voorlopige hechtenis, schending van art. 6.1 EVRM en art. 292 Ger. W.); zie F. KUTY, L’impartialité du juge en procédure pénale, Larcier 2005, 286-288; L. HUYBRECHTS, “Commentaar bij art. 292 Ger. W.”; in Comm. Ger. R., Kluwer 2013, 14. Over de beslissing inzake conclusietermijnen op basis van art. 152 Sv. zie I. COUWENBERG en F. VAN VOLSEM, Concluderen voor de strafrechter, Intersentia 2018, 44-50. Over de onverenigbaarheid tussen de functies van een parketmagistraat en rechter in dezelfde zaak zie J. FLO, “Belangenconflicten: wrakingen en onverenigbaarheden”, in Statuut en deontologie van de magistraat, Die Keure 2020, 474, met verwijzing naar EHRM 1 oktober 1982, Piersack t/ België en EHRM 31 oktober 2018, Kamenos t/Cyprus, www.echr.coe.int.
(17)Op dit punt van een maatregel van inwendige aard zie Cass. 29 januari 1991, AR 3125, AC 1991, nr. 283: “…dat de rechter, die als enige rechter, op het verzoek van de beklaagde, met toepassing van artikel 91, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak verwijst naar een kamer met drie rechters en die in die kamer zelf zitting neemt, geen rechter is die bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt reeds kennis heeft genomen van de zaak”.
(18)Het middel stelt concreet (p. 15): “Gelet op het eerdere overleg tijdens de beraadslagingen van het hof waaraan de voormalige substituut-procureur-generaal deelnam, bestaat er ook in hoofde van raadsheer-wnd. Kamervoorzitter P.G. en raadsheer A.S. eveneens een schijn van partijdigheid”.
(19)Over de bestanddelen van oplichting (art. 496 Sw.) zie Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0272.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27, AC 2022, nr. 474; Cass. 1 december 2020,AR P.20.0784.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, AC 2020, nr. 736, met concl. OM; Cass. 11 december 2018, AR P.18.0791.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5, AC 2018, nr. 702, T. Strafr. 2019, 73 noot B. MEGANCK; Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1080.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3, AC 2015, nr. 360, RABG 2016, 26 noot V. VEREECKE; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6, AC 2015, nr. 123; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47; Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, AC 2012, nr. 660, T. Strafr. 2013, 189 noot G. SCHOORENS; F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2020, 509-511.
(20)L. HUYBRECHTS, “Oplichting”, in Comm. Sr. 2015, 3-4.
(21)Cass. 16 november 2021, AR P.21.1410.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.18, AC 2021, nr. 726, RABG 2022, 615; Cass. 2 maart 2021; AR P.20.1234.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11, AC 2021, nr. 150, NC 2021, 345; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0565.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4, AC 2020, nr. 659, T. Strafr. 2021, 35; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0746.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.4, AC 2020, nr. 735; J. DE CODT, “La présentation des moyens de cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 170-171; F. VAN VOLSEM, “Enkele vuistregels bij het opstellen van cassatiemiddelen in strafzaken”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 283; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 99-100. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980908.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090324.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170912.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.15 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.27 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220719.VAC.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div