id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 februari 2023
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 123, 124 en 125, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 123, 124 en 125, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 123, 124 en 125, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Overeenkomstig artikel 353 Wetboek van Strafvordering worden de arresten van het hof van assisen geschreven door de voorzitter bijgestaan door de griffier en door hen ondertekend of, indien de voorzitter verhinderd is te tekenen, door de oudst benoemde rechter en de griffier; een ondertekening door de assessoren is aldus niet vereist; niets belet dat een arrest van het hof van assisen wordt opgenomen in een proces-verbaal van de rechtszitting; dat arrest is regelmatig ondertekend wanneer het proces-verbaal is ondertekend door de voorzitter en de griffier; niet vereist is dat het arrest melding maakt van procedurele bepalingen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.
GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 12 De enkele omstandigheid dat het proces-verbaal van de rechtszitting niet uitdrukkelijk vermeldt dat aan een beschuldigde het woord is verleend ter gelegenheid van een procedurehandeling van het hof van assisen, impliceert niet dat de beschuldigde niet de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te laten gelden tegen een onregelmatigheid die hij bij deze procedurehandeling opmerkt; in elk geval kan de beschuldigde dat bezwaar ook uit eigen beweging formuleren
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.
GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 13 - 14 Geen enkele bepaling vereist dat naast het arrest van veroordeling tot een straf ook het arrest over de schuld en de motivering de wetsbepalingen over de toegepaste strafwet vermeldt; evenmin beduidt de omstandigheid dat die wetsbepalingen niet in dat arrest zijn vermeld, dat de juryleden niet afdoende zouden zijn geïnformeerd om de hen gestelde vragen met kennis van zaken te beantwoorden
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 344
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 344
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.22.1457.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “1° De vervanging van een jurylid voorafgaand aan de uitloting van plaatsvervangende juryleden en de eedaflegging en 2°het vermelden van toegepaste wetsbepalingen over de misdaad in het arrest van veroordeling”.
- Samenstelling van de jury voorafgaand aan de eedaflegging. 1.
- Verloop van de voorbereidende procedure.
- Eisers worden vervolgd wegens moord op J.V.W., te Hasselt, op 27 september
- In een eerste middel komen zij op tegen de samenstelling van de rechtsprekende jury, die hen op 15 september 2022 schuldig achtte aan moord. De uitloting en aanduiding van de effectieve en plaatsvervangende juryleden is weergegeven in het “proces-verbaal van samenstelling van de rechtsprekende jury” van 6 september 2022, met handtekening onderaan van de voorzitter van het hof van assisen te Limburg en van de griffier (groene kaft 9). Voorafgaand, eveneens op 6 september 2022, heeft het hof van assisen in afzonderlijke arresten bevolen dat een aantal uitgelote kandidaat-juryleden zijn vrijgesteld om deel uit te maken van de rechtsprekende jury (art. 287 Sv.) en dat ‘buiten de twaalf werkende gezworenen nog drie plaatsvervangende gezworenen zullen worden uitgeloot die de debatten in deze zaak zullen bijwonen om in voorkomend geval een jurylid te vervangen dat voor het eindarrest belet zou zijn” (art. 124 Ger. W.).
- Het proces-verbaal van 6 september 2022, waartegen eisers geen afzonderlijk cassatieberoep hebben ingesteld, stelt vast dat er 54 namen van niet-vrijgestelde juryleden in de bus werden gelegd voor uitloting, de voorzitter één voor één de namen uit de dooreengeschudde bus trok, de partijen vier van de opgeroepen personen hebben gewraakt (art. 289 Sv.), er “twaalf namen van niet gewraakte personen uit de bus van de gezworenen zijn gekomen” en: “Hierop wordt de rechtsprekende jury samengesteld verklaard”.
- Vervolgens stelt de voorzitter vast dat het twaalfde jurylid (nr. 74G) “weigert in de jury te zetelen en de eed af te leggen om reden dat zij persoonlijk contact zou hebben met één van de beschuldigden”. Het proces-verbaal vermeldt dat 1°: “het hof beslist om nr. 74 G ambtshalve te vervangen” (met handtekening van de voorzitter en beide rechters-assessoren) en 2° er wordt overgegaan tot loting van ‘het vervangend jurylid’ 25G. De voorzitter ging vervolgens over tot uitloting van drie plaatsvervangende gezworenen, door hun namen uit de bus te nemen (45G, 13G en 3G). Nadat de voorzitter de verplichte toespraak van art. 290 Sv. heeft gericht aan de twaalf juryleden en de drie plaatsvervangende juryleden, heeft elk jurylid met opgeheven hand geantwoord: “ik zweer het”. Daarop schorste de voorzitter de terechtzitting en verklaarde zij dat de rechtszitting zal hernomen worden op 12 september 2022, om 09:00uur. Eisers hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest 35/2022 van 12 september 2022, tot vervanging van het plaatsvervangend jurylid 45G (arrest I) en tegen het arrest 36/2002 van 14 september 2022, tot vervanging van het effectief jurylid 29G (arrest II). 1.
- De uitloting van een vervangend jurylid voorafgaand aan de uitloting van plaatsvervangende juryleden. a) Eerste middel.
- Eisers voeren als eerste middel aan dat na de vaststelling dat de rechtsprekende jury is samengesteld het hof van assisen onmogelijk kan overgaan tot de loting van een 13e jurylid (25G), omdat één jurylid (74G) weigerde te zetelen, en dit voorafgaand aan de uitloting van drie plaatsvervangende juryleden. De wijze waarop de rechtsprekende jury tot stand kwam, voorafgaand aan de aanduiding van plaatsvervangende juryleden en de eedaflegging van art. 290 Sv., is volgens eisers in strijd met de artikelen 123 en 125 Ger. W. en art. 289, § 3 Ger. W. Volgens eisers “is de wet niet gerespecteerd door voorafgaandelijk aan de uitloting van de drie plaatsvervangende juryleden een reeds een nieuw twaalfde (in concreto dertiende) ‘vervangend jurylid’ uit te loten”. b) Wetsbepalingen over de jurysamenstelling.
- Beoordeling. De jury houdt zitting met twaalf gezworenen (art. 123 Ger. W.). In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist, kan het Hof van assisen, ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal voor de uitloting bevelen dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog één tot vierentwintig plaatsvervangende gezworenen worden uitgeloot die de debatten zullen bijwonen. Het hof is daartoe gehouden wanneer de eerste voorzitter aan een of meer plaatsvervangende voorzitters van het Hof van assisen opdracht heeft gegeven (art. 124 Ger. W.)
(1). Art. 125 Ger. W. bepaalt dat: “De voorzitter en de assessoren van het hof van assisen die gedurende de debatten verhinderd zijn hun ambt te vervullen, worden vervangen door hun plaatsvervangers in de volgorde van de aanwijzing. De gezworene die verhinderd is de debatten bij te wonen, wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting, indien de reden van verhindering door het hof is aangenomen. De plaatsvervangende voorzitters en assessoren trekken zich eerst terug wanneer het arrest is uitgesproken”
(2). 6. Voorafgaand aan de samenstelling van de rechtsprekende jury doet de voorzitter van het hof van assisen uitspraak over de ontslagen en vrijstellingen van de opgeroepen gezworenen, waarna de namen van de aanwezige niet-vrijgestelde gezworenen in een bus worden gelegd (art. 287, tweede en derde lid, Sv.). In dat selectieproces, voorafgaand aan de wraking van juryleden, ontslaat de voorzitter degenen die kennelijk niet in staat zijn de taak van gezworene te vervullen (art. 287, vierde lid, Sv.)
(3). De namen van de aanwezige en niet-vrijgestelde gezworenen worden in een bus gelegd (art. 287, vijfde lid, Sv.). Zijn er niet voldoende gezworenen aanwezig, dan gelast de voorzitter van het hof van assisen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (overeenkomstig de artikelen 238 en 239 van het Gerechtelijk Wetboek), zoveel gezworenen te doen uitloten als hij bepaalt (art. 288 Sv.). Dezen worden onmiddellijk met alle nuttige middelen opgeroepen om te verschijnen op de dag die de voorzitter bepaalt. Met de aldus opgeroepen, aanwezige en niet vrijgestelde gezworenen wordt het vereiste aantal aangevuld, in de orde die het lot bepaalt (art. 288 Sv.). 7. De voorzitter neemt één voor één de namen van de gezworenen uit de bus, waarna eerst de beschuldigde, daarna de procureur-generaal, een gelijk aantal gezworenen kan wraken, in functie van het aantal aan te stellen plaatsvervangende juryleden (art. 289, § 1 Sv.). Bij drie of vier plaatsvervangende juryleden is het aantal wrakingen per partij acht (art. 289, § 1 Sv.). Art. 289, § 3 Sv. bepaalt: “De jury is rechtsgeldig samengesteld zodra twaalf gezworenen zijn aangewezen. Op het ogenblik waarop de jury wordt samengesteld, is ten hoogste twee derde van de leden ervan van hetzelfde geslacht. Vervolgens loot de voorzitter van het hof van assisen het aantal plaatsvervangende gezworenen uit dat bepaald is ter uitvoering van artikel 124 van het Gerechtelijk Wetboek”. Na aanduiding van de juryleden en plaatsvervangende juryleden richt de voorzitter van het hof van assisen de volgende toespraak, die in een procedure met het Nederlands als procestaal luidt: “U belooft de aan N. ten laste gelegde feiten onpartijdig en met de grootste aandacht te zullen onderzoeken rekening houdende met de belangen van de beschuldigde, de burgerlijke partij en de maatschappij. U belooft tevens tot na uw verklaring met niemand te zullen communiceren en uw beslissing enkel te zullen steunen op de bewijzen en de middelen van verdediging die tijdens de openbare zitting werden uiteengezet”. De gezworenen, één voor één door de voorzitter genoemd, antwoorden daarop met opgeheven hand “Ik zweer het”, op straffe van nietigheid (art. 290 Sv.). Na deze eedaflegging worden de debatten voor het hof van assisen geopend en kan de voorzitter de nodige onderzoeksdaden stellen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, dat mondeling wordt gevoerd (art. 280 Sv.)
(4). c) Toepassing van art. 125 Ger.W. 8. Van zodra de twaalf namen van door de voorzitter uitgelote en niet-gewraakte juryleden bekend zijn, eventueel vermeerderd met het aantal plaatsvervangende juryleden, is de rechtsprekende jury rechtsgeldig samengesteld, ongeacht de vraag of het toegelaten aantal wrakingen werd bereikt of niet
(5). Uit art. 125 Ger. W. volgt dat als een gezworene is verhinderd het debat bij te wonen, hij wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene, volgens de orde van uitloting
(6). In een strikte interpretatie is art. 125 Ger.W. niet van toepassing voorafgaand aan de eedaflegging van de juryleden, omdat het ‘debat’ pas na die eedaflegging wordt geopend
(7). 9. Eisers verwijzen naar het arrest van uw Hof van 29 november 2006, over de vervanging van het eerste jurylid (tevens hoofd van de jury, oud art. 342 Sv.
(8)) voorafgaand aan de eedaflegging, waarin het Hof aannam dat: “Ofschoon de gezworenen aldus een andere hoofdman kunnen kiezen dan degene die is uitgeloot en zelfs zonder dat deze met zijn vervanging instemt, zijn het evenwel de magistraten van het hof van assisen die, met toepassing van artikel 125, eerste lid, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, voor een gezworene een grond van verhindering aannemen om de debatten bij te wonen en, in dat geval, die gezworene vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting”
(9). Het arrest van 29 november 2006 lijkt mij gericht op de situatie voorafgaand aan het debat ten gronde waarbij de vervanging van een lid van de rechtsprekende jury aan de orde is nadat alle plaatsvervangende juryleden zijn uitgeloot en (na mogelijkheid tot wraking) zijn aangewezen. In deze zaak van 2006, waarin het cassatieberoep werd verworpen, had het hof van assisen op het moment van de eedaflegging, het eerste lid van de rechtsprekende jury, dat weigerde de eed af te leggen, vervangen door het eerste plaatsvervangend jurylid. Wanneer er nog geen plaatsvervangende juryleden zijn uitgeloot en een jurylid vrijstelling vraagt, lijkt mij art. 125 Ger.W. niet van toepassing te zijn. In zoverre faalt het middel naar recht. d) De onregelmatige aanduiding van een vervangend jurylid.
- Er ontbreekt een concrete wetsbepaling die de voorzitter van het hof van assisen toelaat een lid van de rechtsprekende jury vrij te stellen of te vervangen nog voor de uitloting en aanduiding van de plaatsvervangende juryleden. Verder legt geen enkele bepaling aan de voorzitter op om onmiddellijk te beslissen over de vraag tot vrijstelling van een uitgeloot en niet-gewraakt effectief jurylid, nog voor de aanstelling van de plaatsvervangende juryleden, in aantal dat vooraf was bepaald. Art. 289, § 3 Sv. regelt de samenstelling van de jury en de aanduiding van plaatsvervangende juryleden voorafgaand aan de eedaflegging en het debat ten gronde, ook al wordt daarin de term ‘gezworenen’ gebruikt. Deze bepaling gaat ervan uit dat na aanwijzing van de vereiste twaalf juryleden de voorzitter meteen overgaat tot uitloting en aanwijzing van plaatsvervangende juryleden. Op die manier kan voorafgaand aan de eedaflegging de voorzitter aan een lid van de rechtsprekende jury een vrijstelling toekennen en meteen de ‘reserve’ aanspreken, door het eerst uitgelote en niet-gewraakte plaatsvervangend jurylid te laten plaatsnemen in de rechtsprekende jury, ter vervanging van het vrijgesteld jurylid.
- Art. 289, § 3 Sv. lijkt mij geen ‘tussenprocedure’ toe te laten die erin bestaat een effectief jurylid te vervangen door een ‘vervangend jurylid’, na aparte loting, alvorens de voorzitter overgaat tot de uitloting van de plaatsvervangende juryleden. Het feit dat tijdens de selectie van de twaalf juryleden of op het moment van samenstelling van de rechtsprekende jury één van de juryleden aangeeft niet te kunnen zetelen, is bijgevolg geen reden om met de uitloting van de plaatsvervangende juryleden te wachten. Pas als het vooraf bepaald aantal plaatsvervangende juryleden is uitgeloot en plaatsneemt, kan de voorzitter beslissen over de vervanging van een effectief jurylid (door een plaatsvervangend jurylid), om vervolgens de eed af te nemen van de juryleden en overblijvende plaatsvervangende juryleden.
- De aanduiding van een ‘vervangend jurylid’ (25G) voorafgaand aan de uitloting van de ‘plaatsvervangende juryleden’ komt erop neer dat, wegens een onverwachte vraag tot vrijstelling van jurylid 74G, er vier in plaats van drie plaatsvervangende juryleden zijn uitgeloot en opgeroepen. Daarbij werd het eerst opgeroepen plaatsvervangend jurylid toegewezen aan de rechtsprekende jury en bleven er drie plaatsvervangende juryleden over om zo nodig een (ander) effectief jurylid te vervangen dat weigert de eed af te leggen, na de eedaflegging niet meer komt opdagen of na opening van het debat zijn taak niet meer kan vervullen.
- Deze wijze van samenstelling van de jury, voorafgaand aan de eed, heeft enig nadeel voor de verdediging, wat betreft haar wrakingsrecht, als onderdeel van het recht van verdediging
(10). Op moment van de vraag van het effectief jurylid 74G tot vervanging beschikte de verdediging over vier resterende wrakingen. Wanneer meteen na de samenstelling van de rechtsprekende jury de plaatsvervangende jury wordt aangeduid (wat naar mijn mening voortvloeit uit art. 289 Sv.), kon de verdediging vier wrakingen ‘opgebruiken’ voor slechts drie plaatsvervangende juryleden, in plaats van de vier in het gevolgde scenario. Eisers lijken mij dan ook belang te hebben om in cassatie op te komen tegen de uitloting en aanwijzing van een vervangend jurylid en het nadien samenstellen van de plaatsvervangende jury. 14. Of de vervanging van een effectief jurylid door de uitloting van een ‘vervangend jurylid’ een grond tot cassatie oplevert, omdat deze vervanging voorafgaand aan de samenstelling van de plaatsvervangende jury niet bij wet is geregeld en moeilijk is te verenigen met art. 289, § 3 Sv., hangt naar mijn mening af van de concrete aantasting van het recht van verdediging. Uit de stukken blijkt niet dat eiser enig bezwaar formuleerde tegen vermelde wijze van vervanging van een lid van de rechtsprekende jury. Het Hof oordeelde dat als de beschuldigde zich ten gronde heeft verdedigd zonder de samenstelling van de jury te betwisten, het middel in cassatie over deze samenstelling nieuw en niet-ontvankelijk is
(11). Het eerste middel is bijgevolg nieuw en niet-ontvankelijk. 1.
- Ondertekening van het tussenarrest.
- Vervolgens werpen eisers in hun eerste middel op dat de vervanging van het twaalfde lid van de rechtsprekende jury (74G) door een vervangend jurylid (25G) niet het voorwerp uitmaakt van een arrest van het hof van assisen, ondertekend door de voorzitter, de assessoren en de griffier. Overeenkomstig art. 125 Ger.W. dient een gezworene die is verhinderd de debatten bij te wonen te worden vervangen door een plaatsvervangende gezworene en moet deze vervanging bij arrest worden bevolen. Indien de beslissing tot vervanging van het jurylid 74G een ‘arrest’ is, vervat in een proces-verbaal, moet het beantwoorden aan art. 782, lid 1 Ger.W., dat stelt: “Voor de uitspraak wordt het vonnis ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier”. Aangezien de beslissing tot vervanging van het jurylid 74G niet is ondertekend door de griffier, is er een onregelmatigheid.
- Beoordeling. Overeenkomstig artikel 353 Wetboek van Strafvordering worden de arresten van het hof van assisen geschreven door de voorzitter bijgestaan door de griffier en door hen ondertekend of, indien de voorzitter verhinderd is te tekenen, door de oudst benoemde rechter en de griffier. De volgens eisers ongeldige beslissing is deze met als hoofding ”proces-verbaal samenstelling van de jury”, ondertekend door de voorzitter en de griffier, waarbij na samenstelling van de rechtsprekende jury, de aanduiding van plaatsvervangende juryleden en de eedaflegging van alle juryleden de terechtzitting wordt geschorst. De beslissing op blz. 7 om het twaalfde jurylid 74G te vervangen door een vervangend jurylid 25G is afzonderlijk ondertekend door de voorzitter en de twee rechters-assessoren. De beslissing “er wordt overgegaan tot loting van het vervangend jurylid: 25G.” is niet ondertekend door de rechters-assessoren.
- Om uit te maken of een beslissing een ‘arrest’ is, is de vermelding op het voorblad niet van belang. Een arrest van het hof van assisen kan worden opgenomen in een proces-verbaal van de rechtszitting, dat is ondertekend door de voorzitter en de griffier. Aan deze voorwaarde is voldaan. De bestreden beslissing is onderaan ondertekend door de voorzitter en de griffier en heeft op blz. 7 een bijkomende handtekening van de voorzitter. Het is volgens art. 353 Sv. niet vereist dat een tussenarrest eveneens wordt ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen
(12). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 1.
- Recht op tegenspraak bij de samenstelling van de jury.
- Tenslotte stellen eisers over de bestreden beslissing I in hun eerste middel dat de vervanging van het twaalfde jurylid 74G door het vervangend jurylid 25G niet onderworpen was aan enige controle of tegenspraak. Het middel, dat miskenning aanvoert van het recht op tegenspraak, lijkt mij op dit punt niet-ontvankelijk, omdat uit geen enkel stuk blijkt dat eisers bezwaar hebben geuit tegen de vervanging van het twaalfde jurylid voorafgaand aan de uitloting van de vooraf bepaalde drie plaatsvervangende juryleden. De aangevoerde miskenning van het recht van verdediging kan m.i. niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen
(13).
- Het feit dat het betwiste tussenarrest I niet vermeldt dat de verdediging opmerkingen kon maken over de vervanging van een jurylid, voorafgaand aan de uitloting van de plaatsvervangende juryleden, betekent overigens niet dat eisers geen kans hadden om onregelmatigheden bij de samenstelling van de rechtsprekende jury en aanduiding van plaatsvervangende juryleden te betwisten. Uit de stukken blijkt m.i. niet dat eiseres in de onmogelijkheid waren om onregelmatigheden op te werpen nog voor de juryleden de eed hadden afgelegd of voor de opening van de debatten ten gronde. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De vervanging van een plaatsvervangend jurylid tijdens de rechtspleging ten gronde.
- In het tussenarrest I van 12 september 2022 (nr. 35) heeft het hof van assisen, na opening van het debat, beslist dat 1° het plaatsvervangend jurylid 45G wegens medische redenen in onmogelijkheid verkeert om zijn taak verder te zetten, 2° dit plaatsvervangend jurylid wordt ontslaan van zijn verplichting om te zetelen, 3° er verder wordt gegaan met twee plaatsvervangende juryleden en 4°de behandeling van de zaak zal worden voortgezet. Het tussenarrest vermeldt dat geen van de aanwezige partijen daarover een bezwaar heeft geuit.
- In een tweede middel werpen eisers op dat het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt dat het plaatsvervangend jurylid 45G op 9 september 2002 een medisch attest heeft overgemaakt waaruit blijkt dat hij niet kan zetelen en dit medisch attest werd gevoegd aan het dossier, terwijl de inventaris van de stukken neergelegd ter zitting geen melding maakt van dat attest. Bijgevolg blijkt de regelmatigheid van de procedure en de samenstelling van de zetel niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting, wat in strijd is met de artikelen 119 en 125 Ger.W. en het recht op tegenspraak.
- Beoordeling. Het Hof nam in 2011 aan dat: “De arresten die uitspraak doen over de verzoeken tot vrijstelling van de gezworenen, de uitloting bevelen van verschillende plaatsvervangers, of ontbrekende juryleden vervangen, zijn verrichtingen die losstaan van het debat. Het zijn puur administratieve handelingen waarop de beschuldigde en diens raadsman geen toezicht moeten uitoefenen, en die bijgevolg niet voor hun kritiek vatbaar zijn, zelfs als worden die formaliteiten in hun aanwezigheid vervuld. In zoverre de middelen tegen die arresten zijn gericht, zijn ze niet ontvankelijk”
(14). Verder stelde het Hof in 2017 dat: “Het hof van assisen beoordeelt onaantastbaar in feite of de verhinderingsgrond die door een gezworene wordt aangevoerd, moet worden aangenomen, alsook over de noodzaak om in zijn vervanging te voorzien, met het oog op de behandeling van de zaak tot aan de eindbeslissing en om te vermijden dat de zaak niet verder kan worden behandeld omdat in de loop ervan, hetzij de voorzitter, hetzij de assessoren, hetzij de gezworenen verhinderd zijn hun ambt te vervullen. Noch uit artikel 125 Gerechtelijk Wetboek, noch uit de andere in de middelen bedoelde bepalingen noch uit enige andere bepaling blijkt dat de wettigheid van de beslissing van het hof van assisen wat dat betreft zou afhangen van het overleggen, door de verhinderde gezworene, van een bewijs dat de werkelijkheid van het door hem aangevoerde feit bevestigt”
(15).
- De beslissing om een jurylid te ontslaan wegens de reden die hij opgeeft, namelijk ‘medische redenen’, lijkt mij bijgevolg te volstaan voor een geldige vervanging van een jurylid. Er moet geen debat meer volgen over het medisch attest dat het jurylid heeft aangebracht. De grief dat het medisch attest van het vrijgestelde jurylid niet voorkomt in de inventaris van de stukken, kan dan ook niet tot cassatie leiden en is niet-ontvankelijk.
- Bijkomend hebben eisers m.i. geen belang om de vrijstelling te bekritiseren van een plaatsvervangend jurylid dat niet deelnam aan de beraadslaging over de schuld en de straf. Ook om deze reden is het middel niet-ontvankelijk. De beslissing in het tussenarrest nr. 36 van 14 september 2022 om het effectief jurylid 29G om medische redenen vrij te stellen en te vervangen door de plaatsvervangende gezworene 13G wordt niet aangevochten. Ook deze vervanging, niet betwist ter zitting, is m.i. regelmatig.
- Vermelding van de toegepaste wetsbepalingen van de misdaad.
- Eisers werden bij arrest III (nr. 37/2022) van 15 september 2022 schuldig bevonden aan moord, zijnde het doden met het oogmerk om te doden (doodslag) gepleegd met voorbedachten rade, met verwijzing naar de artikelen 66, 392 en 393 Strafwetboek. In een derde middel werpen eisers op dat het arrest III geen melding maakt van art. 394 Sw. over de verzwarende omstandigheid van ‘voorbedachten rade’, zodat het arrest in strijd is met de artikelen 149 Grondwet en 343 Sv. Bijkomend stellen eisers dat de zittingsbladen geen melding maken van art. 394 Sw., zodat: “men kan zich de vraag stellen in hoeverre de jury met kennis van zaken deze vragen kan beantwoorden indien de jury niet werd ingelicht aangaande de wetsartikelen hieromtrent”.
- Beoordeling. Art. 343 Sv. heeft betrekking op de beraadslaging over de straftoemeting en is bijgevolg niet van toepassing op beslissingen over de schuld en de motivering ervan. In zoverre faalt het derde middel naar recht. Bovendien geeft het middel niet aan hoe en waarom het arrest III art. 343 Sv. zou schenden, zodat het niet-ontvankelijk is
(16).
- Artikel 344, eerste en tweede lid, Sv. bepaalt: “Ieder veroordelend arrest maakt melding van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf. Het arrest vermeldt de aanwijzing van de toegepaste strafwet”. Uit deze bepaling volgt m.i. dat het volstaat dat de artikelen over de toegepaste strafwet en de constitutieve bestanddelen van de bewezen verklaarde misdaad zijn vermeld in het arrest over de straftoemeting. Aan deze voorwaarde is voldaan. Het bestreden arrest IV (nr. 38/2022) van 16 september 2022 (arrest van veroordeling), dat de straf van levenslange opsluiting bepaalt, maakt melding van art. 394 Sw. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Noch art. 334 Sv. over de motivering van de schuld noch enige andere wetsbepaling vereisen dat het arrest over de schuld melding maakt van de toegepaste strafwet. Het feit dat het arrest III over schuld geen verwijzing naar art. 394 Sw. bevat, laat overigens niet toe te stellen dat de juryleden met onvoldoende kennis van zaken het aspect voorbedachtheid hebben beoordeeld. De verzwarende omstandigheid van voorbedachtheid werd omschreven in de telastlegging en was het voorwerp van het debat. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting (kaft 10, blz. 6-7) dat de voorzitter van het hof van assisen ten behoeve van de jury een omstandige uitleg gaf over o.a. het arrest van verwijzing en ‘het begrip voorlopige kwalificatie’. Het openbaar ministerie heeft vervolgens de akte van beschuldiging voorgelezen, waarvan de juryleden een kopie ontvingen en waarop de partijen voorafgaand aan de onderzoeksdaden opmerkingen konden geven. Over de vragen 2 en 4 inzake voorbedachtheid hebben de juryleden beraadslaagd en gestemd en hebben zij de voornaamste redenen van hun beslissing kenbaar gemaakt, weergegeven in arrest III (blz. 7-9). In zoverre kan het middel over art. 149 Grondwet niet worden aangenomen.
- Motivering van de schuld.
- Het vierde middel, eerste onderdeel, is gericht tegen het feit dat het arrest III van 15 september 2022 (arrest verklaring van de jury en motivering) de voorbedachtheid afleidt uit het achterlaten van het slachtoffer (J.V.W.), het terugkeren om het slachtoffer definitief het zwijgen op te leggen en het feit dat eisers een maand voordien hebben gehandeld volgens een gelijkaardig patroon, eenzelfde modus operandi, ten opzichte van getuige B.V., met minder dramatische gevolgen. Eisers voeren aan dat 1°het arrest eisers schuldig verklaart aan de feiten ten nadele van B.V., terwijl deze feiten het voorwerp uitmaken van een hangende strafprocedure, zodat het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM) is miskend, 2°het aspect van ‘eenzelfde modus operandi’ niet het voorwerp was van het debat ten aanzien van eiser 1 C., zodat zijn recht op tegenspraak is miskend en 3°de motivering over ‘eenzelfde modus operandi’ van een maand voordien onduidelijk is, in strijd met art. 149 Grondwet.
- Beoordeling. Het bestreden arrest steunt de schuldigverklaring van eiser 1 C aan moord niet alleen op feiten met een gelijkaardig patroon ten nadele van B.V., maar vooral op een geheel van omstandigheden eigen aan de zaak, zoals het gebruik van extreem en langdurig geweld (meerdere messteken, toesnoerend geweld tegen de hals), het laten liggen van het slachtoffer in de voorraadkamer, het wegbrengen van het slachtoffer met een gestolen bromfiets om hem achter te laten bij een gracht, het terugkeren naar de gracht waarbij opnieuw messteken aan het slachtoffer werden toegebracht, het gebruik van geweld over een lang tijdsverloop met de intentie tot doden, waarbij eisers de doodslag ter zitting niet betwisten. Al deze elementen wijzen er volgens arrest III op dat eisers van meet af aan, die ochtend van de feiten, de intentie hadden om het slachtoffer te doden, en eiser 1 C. ‘bewust en gedurende de ganse doodstijd van het slachtoffer rechtstreeks meegewerkt heeft aan de feiten”. Verder stelt het arrest III dat eiser 2 de voorbedachtheid niet ter zitting heeft betwist. Het onderdeel van eisers dat niet opkomt tegen deze redenen waarop het oordeel over voorbedachtheid steunt, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet-ontvankelijk.
- Het tweede onderdeel stelt dat de motivering in het arrest III dat eisers een poging deden om sporen uit te wissen, om voorbedachtheid aan te nemen, tegenstrijdig is met de motivering (over de doodslag) dat uit de bevindingen van het labo (ter zitting) is gebleken dat “er enkel bloedspatten werden aangetroffen in de keuken. Er waren geen bloedspatten in de voorraadkamer, geen sporen van afgewassen bloedspatten en ook geen sporen van een gevecht zodat het slachtoffer aldaar weerloos moet gelegen hebben”.
- Beoordeling. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegenstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling
(17). In zoverre eisers op basis van deze bepaling opkomen tegen een tegenstrijdigheid tussen twee motieven, faalt het onderdeel naar recht. Mij komt voor dat de betwiste redenen niet tegenstrijdig zijn, zodat het onderdeel gesteund op artikel 149 Grondwet feitelijke grondslag mist. De vaststelling dat er alleen bloedspatten zijn gevonden in de keuken, niet in de voorraadkamer, en er sporen ontbreken van afgewassen bloedspatten of een gevecht, sluit niet uit dat eisers hebben geprobeerd sporen uit te wissen. (…) 35. Ter ondersteuning van het vierde middel beroepen eisers zich niet alleen op vermelde wetsbepalingen, maar ook op het volgens hen geldend algemeen rechtsbeginsel ‘nullum crimen sine culpa’ (geen misdrijf zonder schuld). Dit rechtsbeginsel wordt aanvaard door het Grondwettelijk Hof
(18)en meerdere auteurs
(19). In andere rechtsleer wordt het beginsel ‘nulla poena sine culpa’ (geen straf zonder schuld) vooropgesteld
(20). Beide beginselen geven aan dat een misdrijf ook een ‘moreel element’ bevat (schuld) en de strafrechter deze schuld per beklaagde moet vaststellen. Over de schuldvereiste nam het Hof in 1987 aan dat: “Overwegende dat, afgezien van de vraag op welke manier het zedelijk bestanddeel van het misdrijf moet worden bewezen, en meer bepaald of het bestaan van dat bestanddeel kan worden afgeleid uit het louter materiële gepleegde feit, het vonnis niet wettig beslist dat het in de telastlegging vermelde misdrijf, in de wettelijke omschrijving waarvan weliswaar geen spraak is van opzet of onachtzaamheid, strafbaar is alleen maar doordat het feit materieel is gepleegd”
(21). Verder stelde het Hof in 2015: “De strafrechter kan een beklaagde niet veroordelen wegens een strafbare gedraging waarvan hij oordeelt dat die hem in de concrete situatie niet verwijtbaar is. Dit is onder meer het geval wanneer die rechter een grond van schulduitsluiting vaststelt in hoofde van de beklaagde”
(22). Procureur-Generaal Jean DU JARDIN, toen advocaat-generaal, stelde: “Hoewel de wet uit het materiële bestaan van het feit het vermoeden afleidt dat de beklaagde een fout heeft begaan (zoals het Hof reeds heeft beslist in zijn arrest van 6 maart 1934, Bull., 1934, 207), is het fundamenteel onjuist te zeggen dat een feit strafbaar kan zijn alleen maar wegens het materiële bestaan ervan, dat een misdrijf geheel kan bestaan in het materiele feit dat dit misdrijf oplevert, los van enige fout. Elk misdrijf, welk dan ook, houdt een moreel bestanddeel in, al is het maar de fout. Het strafrecht kent geen verantwoordelijkheid zonder fout”
(23). Het bestreden arrest III lijkt mij de intentie tot doden en de voorbedachtheid voor elke eiser te steunen op voldoende redenen, zodat de veroordeling van eisers wegens moord naar recht is verantwoord. In zoverre het Hof het ingeroepen beginsel ‘nullum crimen sine culpa’ als algemeen rechtsbeginsel zou erkennen, kan het middel niet worden aangenomen.
- Eiser 2 H. heeft zijn cassatieberoep tegen het arrest V van 11 oktober 2022 (nr. 44/2022) over de afhandeling van de burgerlijke belangen niet betekend aan de burgerlijke partijen (verweerders), zodat zijn cassatieberoep tegen dit arrest niet-ontvankelijk is, gelet op artikel 427 Sv. Eiser 1 C. voert in zijn memorie, geldig ter kennis gebracht aan verweerders, geen middelen aan wat betreft de uitspraak op burgerlijk gebied.
- Advies. De middelen van eisers bevatten geen grond tot cassatie en er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren tegen de arresten over de strafvordering. Verwerping van de cassatieberoepen. ___________________________________
(1)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 900; L. GEYSELAERS, Hof van assisen. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Kluwer 2012, 51-58; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1610-1611.
(2)L. GEYSELAERS, Hof van assisen. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Kluwer 2012, 59-62.
(3)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 902; L. GEYSELAERS, « Commentaar bij art. 287 Sv. », in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2012, 564-565.
(4)Cass. 25 april 1978, AC 1978, 971, “Overwegende dat de wet niet voorschrijft dat de gezworenen de eed moeten afleggen onmiddellijk nadat de voorzitter de beschuldigde over zijn identiteit heeft ondervraagd”; L. GYSELAERS, “Commentaar bij art. 290 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 567; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1612. Ook de plaatsvervangende juryleden moeten de eed afleggen (Cass. 12 juni 1973, AC 1973, 994).
(5)S. SASSERATH, Les novelles, II, La cour d’assises, Bruylant 1948, nrs. 515, 518 en 533; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 903; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, nr. 2700; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 284; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1367. Zie ook Omzendbrief Col 6/2010 van het College van Procureurs-generaal, Herziene versie van 28 november 2013, Voorlopige omzendbrief inzake de wet tot hervorming van het hof van assisen, p.102, www.om-mp.be.
(6)Cass. 29 november 2006, AR P.06.1227.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061129.12, AC 2006, nr. 612, RW 2008-09, 492; Cass. 22 maart 1995, AR P.95.0064.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950322.16, AC 1995, nr. 162; A. VANDEPLAS, “De vervanging van verhinderde gezworenen”, RW 2008-09, 492.
(7)L. GEYSELAERS, Hof van assisen. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Kluwer 2012, 60; J. DURANT en L. GYSELAERS, “Commentaar bij art. 125 Ger.W.”, in Comm. Ger., 2011.
(8)Over het vroegere art. 342 Sv., opgeheven ingevolge de Wet van 5 februari 2016, BS 19 februari 2016, zie A. WINANTS, “Hof van assisen- Hoofdman van de jury”, in Comm. Sr., 2022, 3p.
(9)Cass. 29 november 2006, AR P.06.1227.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061129.12, AC 2006, nr. 612, RW 2008-09, 492 noot A. VANDEPLAS.
(10)Over het wrakingsrecht als onderdeel van het recht van verdediging van de beschuldigde, zie S. SASSERATH, Traité pratique de la Cour d’Assises, Brussel, Ed. Van Fleteren 1919, 113-116; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 903.
(11)Cass. 30 maart 2022, AR P.22.0092.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220330.2F.2, AC 2022, nr. 231, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220330.2F.2; Cass. 11 december 2002, AR P.02.1389.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021211.14, AC 2002, nr. 667; Cass. 30 juli 1996, AR P.96.0824.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960730.6, AC 1996, nr. 278; Cass. 10 januari 1996, AR P.95.1335.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960110.17, AC 1996, nr. 25.
(12)Cass. 27 april 2011, AR P.11.0019.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110427.3, AC 2011, nr. 281, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.
(13)In die zin Cass. 16 juni 2004, AR P.04.0281.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.21, AC 2004, nr. 333: “Overwegende dat de middelen aanvoeren dat het arrest, dat een beschuldigde toestaat deel te nemen aan het debat, hoewel deze zich niet had aangediend op de opening ervan, de artikelen 247 en 251 van het Gerechtelijk Wetboek en 315 van het Wetboek van Strafvordering schendt, die enerzijds betrekking hebben op het recht van elke beschuldigde om kandidaat-gezworenen te wraken, en, anderzijds, op de kennisgeving van de lijst van de gezworenen en van de voorstelling van de getuigenlijst. Dat de eisers evenwel niet aanvoeren dat zij zelf hun wrakingsrecht niet hebben kunnen uitoefenen en niet betogen dat de rechtsvormen, die volgens hen jegens een andere beschuldigde niet zijn nageleefd, ook jegens hen niet zouden zijn nageleefd. Dat de middelen, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk zijn”.
(14)Cass. 27 april 2011, AR P.11.0019.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110427.3, AC 2011, nr. 281, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1611.
(15)Cass. 11 oktober 2017, AR P.17.0464.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.4, AC 2017, nr. 546; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1611.
(16)Cass. 11 oktober 2017, AR P.17.0464.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.4, AC 2017, nr. 546. Over art. 343 Sv. Zie M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1634.
(17)Cass. 5 november 2019, AR P.19.0426.N, AC 2019, nr. 569, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.2. In dezelfde zin Cass. 2 juni 2020, AR P.20.0400.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.11, AC 2020, nr. 348; Cass. 16 oktober 2018, AR P.18.0189.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.2.
(18)GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.26.12 en B.43.2, www-const-court.be; RW 2008-09, 1366. Het rechtsbeginsel ‘nullum crimen sine culpa’ werd als middel aangevoerd voor uw Hof in Cass. 21 februari 2018, AR P.16.1199.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2, AC 2018, nr. 111, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. en Cass. 31 december 2019, AR P.19.0699.N, arrest niet gepubliceerd.
(19)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, II, Story-Scientia 1968, 341: “strafrechtelijke verantwoordelijkheid ontstaat door schuld”; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, p.303, 311 en 319.
(20)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1989, 238-239, “Geen straf zonder schuld. Strafrecht is schuldstrafrecht”, 238; L. DUPONT, “De constitutieve elementen van het misdrijf”, in Om deze redenen. Liber amicorum Armand Vandeplas, Mys & Breesch 1994, 226; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, II, L’infraction pénale, Larcier 2020, 367.
(21)Cass. 12 mei 1987, AR 728, AC 1987, nr. 531, met concl. van procureur-generaal J. DU JARDIN, toen advocaat-generaal.
(22)Cass. 9 juni 2015, AR P.14.0037.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.3, AC 2015, nr. 380, RO 38, NC 2016, é.
(23)Conclusie van procureur-generaal J. DU JARDIN, toen advocaat-generaal, in de zaak Cass. 12 mei 1987, AR 728, AC 1987, nr.
- Zie eveneens Cass. 15 december 2020, AR P.20.0693.N, AC 2020, nr. 776, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14, RO 9: “Wanneer de wet bij een delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, bestaat de schuld in beginsel uit het feit dat de dader ofwel de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, ofwel onachtzaam handelde, tenzij die laatste schuldvorm door de aard van het misdrijf of de wil van de wetgever uitgesloten is”; Conclusie van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in de zaak Cass. 21 februari 2018, AR P.16.1199.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2, AC 2018, nr. 111, op datum in Pas.; Cass. 13 december 1994, AR P.94.0736.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941213.8, AC 1994, nr. 553; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2002, 117; J. ROZIE, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de geestesgestoorde delinquent”, in Verantwoordelijkheid en recht, Kluwer 2008,
- PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941213.8 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950322.16 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960110.17 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960730.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021211.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.21 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061129.12 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110427.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220330.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220330.2F.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241218.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div