← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 februari 2023

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, 43, eerste lid, en 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, 43, eerste lid, en 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GOEDEREN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, 43, eerste lid, en 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, 43, eerste lid, en 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, 43, eerste lid, en 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, 43, eerste lid, en 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 14 - 17 De rechter oordeelt, op grond van de door hem vastgestelde gegevens en na een afweging tussen het belang van de beklaagde op teruggave en het belang van de maatschappij op verbeurdverklaring, onaantastbaar over het verzoek tot teruggave; hij mag alleen geen onverantwoorde gevolgen uit zijn vaststellingen afleiden, wat het Hof nagaat; deze teruggave staat de verbeurdverklaring van het informaticasysteem of de digitale gegevensdrager op grond van de artikelen 42, 1°, en 43, eerste lid, Strafwetboek niet in de weg; die verbeurdverklaring is namelijk een straf die de rechter aan de beklaagde moet opleggen als gevolg van het bewezen verklaarde misdrijf, indien de voorwaarden daartoe zijn vervuld

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GOEDEREN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.22.1492.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De verplichte verbeurdverklaring van interne gegevensdragers en/of het ganse informaticasysteem als instrument van het misdrijf en de beoordeling van een gemotiveerd verzoek van de beklaagde tot teruggave van zijn legale digitale bestanden die erop zijn bewaard (artikelen 42, 1°, 43 en 44 Sw. en artikelen 8 EVRM en 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM)”.
  1. Probleemstelling.
  2. De vraag die in deze zaak aan bod komt, is hoever de verplichte verbeurdverklaring reikt van een informaticasysteem, als voorwerp of instrument van het misdrijf (art. 42, 1° Sw.), waarop digitale bestanden staan (foto’s en bijhorende teksten) die verband houden met het bewezen verklaarde misdrijf. Mag de strafrechter de verbeurdverklaring beperken tot alleen de illegale data of tot een specifieke harde schijf van de computer (als segment dat deze data bevat), of moet hij het gehele informaticasysteem dat toebehoort aan de veroordeelde aan hem onttrekken? Indien de strafrechter het informaticasysteem of onderdelen daarvan verbeurd verklaart, rijst de bijkomende vraag of de veroordeelde recht heeft op teruggave van legale persoonlijke informaticabestanden die zijn opgeslagen op een interne gegevensdrager die aan hem is onttrokken, zoals familiefoto’s. Moet de strafrechter ingaan op een concreet en gemotiveerd verzoek van de beklaagde tot overdracht van die bestanden op een externe harde schijf (zoals een USB-stick)? Past het om de kopiename te vervangen door teruggave van een deel van de hardware, namelijk de specifieke harde schijf die volgens deskundigen of gespecialiseerde agenten alleen legale digitale bestanden bevat?
  3. Eiser wordt vervolgd wegens A) aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging ten nadele van een minderjarige jonger dan 16 jaar (I.H.), als gezaghebbend persoon (artikelen 373, 374, 377, lid 1 en 4, en 378, lid 1 op moment van de feiten, thans de artikelen 417/7, 417/16, 417/18 en 417/19 Sw.), B) aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging ten nadele van een minderjarige jonger dan 16 jaar (I.H.), als gezaghebbend persoon (artikelen 372, lid 1, 374, 377, lid 1 en 4, en 378, lid 1 op moment van de feiten, thans, thans de artikelen 417/7, 417/16, 417/18 en 417/19 Sw.), D) opzettelijke slagen en verwondingen aan een minderjarige I.H. (art. 392, 398, lid 1, 405bis, 1°, en 405ter Sw.), E) opzettelijke slagen en verwondingen aan partner (C.R) (art. 392, 398, lid 1, en 410, lid 1 Sw.) en F) Misbruik van een elektronisch communicatienetwerk om een illegaal voordeel te bekomen (art. 145, § 3 Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie), ten nadele van I.H., namelijk door middel van een internetverbinding en WIFI-camera’s heimelijk opnames te hebben gemaakt van I.H.
  4. De correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft op 12 januari 2022 eiser veroordeeld wegens deze feiten (met een heromschrijving van feit B naar aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging jegens een minderjarige jonger dan 16 jaar, door een gezaghebbend persoon en met vrijspraak voor feit D wat betreft de vereiste van het minderjarig slachtoffer) en hem wegens eenheid van opzet (art. 65, eerste lid, Sw.) één straf opgelegd, namelijk een gevangenisstraf van twee jaar met probatie-uitstel voor vijf jaar (art. 8 Probatiewet), de ontzetting uit burgerlijke en politieke rechten gedurende 10 jaar (art. 31 Sw.) en de bijzondere verbeurdverklaring van een aantal gegevensdragers, als voorwerp of instrument van het misdrijf, waaronder een desktop Antec met daarop beelden die het voorwerp zijn van feit F (art. 42, 1° Sw.). Het gaat om heimelijke opnames van het slachtoffer I.H. met camera’s die waren bevestigd aan een woning van het slachtoffer, waar eiser toen verbleef als stiefvader van I.H.
  5. Eiser stelde hoger beroep in met als enige grief ‘straftoemeting (straf en/of maatregel)’, waarna het openbaar ministerie hoger beroep aantekende, met als grieven ‘straf en/of maatregel’ (de opgelegde straf is te laag) en ‘volgberoep’. In het grievenformulier van eiser wordt expliciet de beslissing aangevochten van verbeurdverklaring van zijn computer Antec en enkele externe gegevensdragers.
  6. In zijn beroepsconclusie wierp eiser over de verbeurdverklaring van zijn computer Antec op dat de beelden van het bedrieglijk filmen van burgerlijke partij I.H. alleen zijn opgeslagen op de interne harde schijf 7 van de computer, gerangschikt in een map “I.” en het onderzoek door de politie uitwijst dat er op de overige 8 harde schijven ingebouwd in die computer geen data zijn terug te vinden die verband houden met een misdrijf. Eiser betwiste de beslissing van de eerste rechter om de computer in zijn geheel verbeurd te verklaren en vroeg aan het hof van beroep de teruggave van de “gegevens” opgeslagen op deze 8 harde schijven, zoals familiefoto’s en documenten over eisers echtscheidingsprocedure. Er is volgens hem een dubbel onderscheid nodig tussen 1°de legale digitale data en de gegevensdragers en 2°tussen de desktop en de harde schijven die er deel van uitmaken. De interne harde schijven die geen illegale data bevatten komen niet als voorwerp of instrument van het misdrijf in aanmerking voor verbeurdverklaring. Verder houdt de verbeurdverklaring van de computer in zijn geheel een (disproportionele) schending in van het recht op eerbiediging van het privéleven (art. 8 EVRM) en van het recht op eigendom (art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM). Volgens eiser dient de verbeurdverklaring van de computer te worden beperkt tot de Desktop Antec zelf, de hardware van alleen de interne harde schijf 7 en tot de illegale data die op die schijf 7 zijn opgeslagen in een map ‘I.’ (blz. 25 en 30).
  7. Het hof van beroep te Gent heeft op 4 oktober 2022 het oordeel van de eerste rechter bevestigd, binnen de perken van zijn onderzoeksopdracht. De verbeurdverklaring van de computer, betwist in cassatie, bleef eveneens behouden.
  8. Motivering van de verbeurdverklaring.
  9. Het bestreden arrest stelt dat de Desktop Antec eigendom is van eiser, filmpjes bevat die het voorwerp zijn van de bewezen telastlegging F en is gebruikt voor het plegen van de feiten omschreven in deze telastlegging. De appelrechters oordeelden eveneens: “Dat deze filmpjes slechts zouden zijn terug te vinden op 1 van de 9 interne harde schijven doet hieraan geen afbreuk nu deze harde schijven deel uitmaken van één en hetzelfde apparaat. Rekening houdende met de aard en de aanwezigheid van de feiten is de verbeurdverklaring van deze Desktop Antec zeker niet te beschouwen als een (disproportionele) schending van het recht op privéleven en het recht op eigendom van de beklaagde” (blz. 13).
  10. Mij komt voor dat de appelrechters met voldoende redenen aangeven dat het op basis van art. 42, 1° Sw. verantwoord is de Desktop in zijn geheel verbeurd te verklaren en deze verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf geen onredelijke straf voor eiser inhoudt. De redenen kunnen volstaan als antwoord op het verweer in de beroepsconclusie. De rechter is immers niet verplicht te antwoorden op elk feitelijk gegeven dat een partij heeft aangevoerd tot staving van haar verweer
(1). Het eerste middel over de motiveringsplicht inzake de verbeurdverklaring van de Desktop met alle interne gegevensdragers, waarbij eiser schending aanvoert van art. 149 Grondwet en artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, kan aldus niet worden aangenomen.
  1. Wat betreft enkele externe gegevensdragers, één USB-stick en twee SD-kaarten van eiser, beveelt het arrest de teruggave. Eiser heeft geen belang om deze teruggave in cassatie te betwisten. Op dit punt is het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
  2. De verbeurdverklaring van digitale bestanden.
  3. Het tweede middel, eerste onderdeel, is gericht tegen de beslissing om de computer Desktop Antec in zijn geheel verbeurd te verklaren, met alle bestanden die in negen interne harde schijven zijn opgeslagen, wegens ‘de zwaarwichtigheid van de feiten’ (blz. 13), hoewel de filmpjes die verband houden met feit F alleen zijn opgeslagen op harde schijf nr.
  4. Eiser vroeg in conclusie de teruggave van ‘belangrijke privé-bestanden’, waaronder familiefoto’s en documenten over een procedure voor de familierechtbank. De afwijzing van dit verzoek en de verbeurdverklaring van de computer in zijn geheel is volgens eiser in strijd met art. 8 EVRM, art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, art. 22 Grondwet en de artikelen 42, 1° en 43, eerste lid, Strafwetboek.
  5. Beoordeling. Bij de bijzondere verbeurdverklaring op basis van art. 42, 1° Sw. dient de veroordeelde zonder enige schadevergoeding afstand te doen van zijn eigendomsrecht op bepaalde goederen, aangeduid door de rechter, als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde misdrijf
(2). 12. Artikel 42, 1° Strafwetboek bepaalt dat de bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast op de ‘zaken’ die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn
(3). Bij een misdaad of wanbedrijf wordt bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het misdrijf altijd uitgesproken (art. 43, eerste lid, Sw.). Zaken die het instrument zijn van de misdaad of het wanbedrijf worden eveneens verbeurd verklaard, behalve als dit voor de veroordeelde een onredelijk zware straf zou inhouden (art. 43, eerste lid, Sw.). Verder beslist de strafrechter over de teruggave van in beslag genomen geldbedragen of voorwerpen (art. 44 Sw.)
(4).
  1. Eiser stelt vooreerst dat de artikelen 42, 1°, en 43 Sw. niet uitdrukkelijk voorzien in een onderscheid tussen de ‘gegevens’ en de ‘in beslag genomen en verbeurd te verklaren gegevensdragers’. Volgens hem volgt uit artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het privéleven) en art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM (recht op ongestoord genot van eigendom) dat een beklaagde steeds de mogelijkheid moet hebben om ‘een verzoek tot de rechter te richten strekkende tot de (partiële) teruggave van legale gegevens dewelke zich op een gegevensdrager bevinden, niettegenstaande de wet in de verplichte verbeurdverklaring van deze gegevensdrager voorziet’.
  2. Artikel 42, 1° Sw. verduidelijkt niet de term ‘zaken’ die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring: roerend of onroerende goederen, in een tastbare vorm of digitaal, …?
(5). Het aangebrachte onderscheid tussen ‘gegevens’ en ‘gegevensdrager’ lijkt mij niet van belang te zijn voor de toepassing van de artikelen 42, 1°, en 43, eerste lid, Sw., indien de digitale gegevens (data) van de beklaagde zijn opgeslagen op een in beslag genomen gegevensdrager, welke eveneens zijn eigendom is
(6). Een digitaal bestand (zoals een tekst in Word, een excel-tabel of een foto genomen door een tablet) is onlosmakelijk verbonden met de gegevensdrager waarop dat bestand is bewaard, zoals een interne of externe harde schijf, USB-stick, DVD, of micro SD-geheugenkaart. Stel dat een digitaal bestand (bits and bytes) op zich vatbaar is voor verbeurdverklaring, indien dit al op een juridische grond zou steunen
(7), dan past het deze straf eveneens toe te passen op de gegevensdrager, als omhulsel van dat bestand, zoals één van de harde schijven die in een Desktop zijn ingebouwd. De eigenaar van een digitaal bestand, al dan niet opgeslagen in een specifieke virtuele map, kan dat bestand alleen maar creëren, bereiken, bewerken of verder verspreiden (o.a. naar een Cloud-provider) door dit bestand op te slaan op een gegevensdrager. 15. Indien een digitaal bestand het voorwerp of instrument is van een misdrijf, zoals beelden van kinderpornografie (art. 417/46 Sw.) of een schriftelijke bedreiging (art. 328 Sw.), en op het moment van de veroordeling is opgeslagen op een gegevensdrager (intern of extern) die rechtsgeldig in beslag is genomen, dan komt mij voor dat de strafrechter deze gegevensdrager dient op te vatten als een instrument van het misdrijf in de zin van art. 42, 1° Sw. De verbeurdverklaring is dan verplicht indien de gegevensdrager eigendom is van de beklaagde
(8). Dat de gegevensdrager kan worden ‘gezuiverd’ van de erin opgeslagen digitale bestanden die strijdig zijn met de wet, door deze data te wissen (deleten), laat m.i. niet anders toe te besluiten. Het lijkt mij overigens niet zo evident een digitaal bestand als ‘zaak’ af te splitsen van de gegevensdrager waarin het is opgeslagen
(9). 16. Het voorliggende probleem heeft gelijkenis met de verplichte verbeurdverklaring van een wagen waarmee verdovende middelen werden vervoerd (art. 4, § 6 Drugswet)
(10). De beklaagde die is veroordeeld wegens drughandel maakt geen aanspraak op teruggave van die wagen om reden dat de politie de verdovende middelen uit die wagen heeft gehaald, voor staalname en vernietiging. Die wagen met al zijn onderdelen heeft immers gediend om het misdrijf tot stand te brengen. Hetzelfde geldt voor de specifieke gegevensdrager dat een illegaal digitaal bestand bevat. 17. Stel dat na inbeslagname van een laptop of desktop de illegale digitale bestanden van de harde schijf worden overgezet naar een aparte USB-stick of server van een Cloud-provider en nadien worden verwijderd, waardoor die harde schijf is ‘opgekuist’, dan is er nog geen reden tot teruggave van de gegevensdrager(s) aan de veroordeelde. De illegale digitale bestanden waren immers geënt op de in beslag genomen gegevensdrager, waardoor die gegevensdrager als instrument van het misdrijf vatbaar is voor verbeurdverklaring (art. 42, 1°, en 43, eerste lid, Sw.). Omgekeerd dient de rechter die beslist tot teruggave van digitale bestanden bewaard in een in beslag genomen gegevensdrager steeds de gegevensdrager zelf aan de rechthebbende terug te geven
(11). In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het m.i. naar recht.
  1. De verbeurdverklaring van een interne harde schijf en/of het gehele informaticasysteem.
  2. Een ander aspect is de selectie van in beslag genomen gegevensdragers om tot verplichte verbeurdverklaring over te gaan. Uit het bestreden arrest valt af te leiden dat de filmpjes die het voorwerp zijn van telastlegging F zijn terug te vinden op slechts één van de negen harde schijven die in de verbeurdverklaarde computer zijn ingebouwd. Houdt de verbeurdverklaring van de overige harde schijven van hetzelfde informaticasysteem dan geen onevenredige inbreuk in op het privéleven en het eigendomsrecht van de veroordeelde? Is de rechter er niet toe gehouden, indien de beklaagde daartoe een gemotiveerd verzoek richt, de verbeurdverklaring te beperken tot de ‘besmette’ interne harde schijf en voor de overige ingebouwde harde schijven de teruggave te bevelen, indien dit technisch mogelijk is?
  3. Over het ‘opsplitsen’ van een in beslag genomen overtuigingsstuk ontbreken er concrete wetsbepalingen. In de praktijk komt het al eens voor dat op basis van een gemotiveerd verzoek tot teruggave van in beslag genomen goederen (art. 61quater Sv.) de onderzoekende magistraat of vonnisrechter beslist tot gedeeltelijke teruggave, ook al zijn de goederen eigendom van de verdachte. Zo kunnen er redenen zijn om uit een wagen waarmee verdovende middelen zijn vervoerd voorwerpen te halen met een strikt persoonlijk karakter, zoals foto’s van gezinsleden of bankdocumenten, om deze voorwerpen terug te geven aan de verdachte van drughandel. Deze voorwerpen hebben immers weinig nut voor de verkoop van de wagen aan een derde, na verbeurdverklaring (art. 197bis, § 2/1 Sv.) of verkoop door het COIV tijdens de strafprocedure, in het kader van het waardevast beheer van in beslag genomen goederen (artikelen 28octies § 1, 1°, en 61sexies, § 1, 1° Sv.)
(12).
  1. Eiser voert aan dat als de beklaagde een gemotiveerd verzoek indient om privébestanden opgeslagen op één van de harde schijven in een computer terug te krijgen, de rechter een ‘betekenisvolle belangenafweging’ dient te maken, waarbij hij met vier aspecten rekening moet houden: 1° de mate waarin de beklaagde aanduidt van welke gegevens hij of zij de teruggave wenst, 2° de technische en personele uitvoerbaarheid van een verzoek tot (partiële) teruggave van gegevens, 3° het belang van de beklaagde bij het behoud van de gegevens en 4° de mate waarin de beklaagde dit belang heeft onderbouwd. Het bestreden arrest heeft volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser, door wegens de zwaarwichtigheid van de feiten de computer in zijn geheel verbeurd te verklaren, als voorwerp van de bewezen verklaarde feiten F.
  2. Beoordeling. De verplichte verbeurdverklaring van zaken op basis van art. 42, 1° Sw. is aan bepaalde grenzen gebonden. Vooreerst wordt de verbeurdverklaring van zaken die ‘gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf’ niet uitgesproken wanneer deze bijkomende straf tot gevolg heeft dat aan de veroordeelde een onredelijk zware straf wordt opgelegd (art. 43, eerste lid, Sw., zoals aangevuld door art. 19 Wet 18 maart 2018, BS 2 mei 2018)
(13). Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde misdrijf, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt
(14).
  1. De appelrechters oordeelden dat de in beslag genomen computer van eiser werd gebruikt voor het plegen van de bewezen verklaarde feiten van telastlegging F en in zijn geheel vatbaar is voor de verplichte verbeurdverklaring. Aangezien eiser in zijn conclusie geen toepassing vroeg van art. 43, eerste lid, Sw. over de kennelijk onredelijke straf, lijkt mij de straftoemeting op dit punt naar recht verantwoord. In zoverre het onderdeel een schending aanvoert van art. 43, eerste lid, Sw., kan het niet worden aangenomen.
  2. Mij komt voor dat als een illegaal digitaal bestand is opgeslagen in de computer of een ander informaticasysteem van de beklaagde, de verplichte verbeurdverklaring op basis van art. 42, 1° Sw. in beginsel niet kan worden beperkt tot dat bestand of tot de specifieke interne schijf waarop het bestand is terug te vinden. Het illegaal bestand kwam immers niet rechtstreeks terecht op die interne gegevensdrager. Voor die opslag werd software en andere apparatuur van de computer aangewend. De computer als omvattend geheel was voor de beklaagde een instrument om toegang te krijgen tot het illegaal digitaal bestand, dat bestand te downloaden en vervolgens aan te wenden, eventueel digitaal te verspreiden. Het is dan ook logisch dat de verbeurdverklaring van één harde schijf, als opslagruimte voor illegale digitale bestanden, zich uitstrekt tot het ganse informaticasysteem dat de beklaagde toebehoort, zelfs als er in dat systeem meerdere harde schijven zijn ingebouwd, waarop geen illegale digitale gegevens zijn aangetroffen.
  3. Verder bevatten de artikelen 42, 1°, en 43 Sw. geen verplichting om de interne opslag van een computer op te splitsen in ‘compartimenten’ en alleen die interne gegevensdragers verbeurd te verklaren die de illegale digitale bestanden bevatten, zoals beelden van voyeurisme, omschreven in feit F. Een dergelijk selectieve aanpak is overigens moeilijk haalbaar als er voor interne dataopslag de RAID-technologie wordt aangewend (redundant array of independent disks). Daarbij worden meerdere interne harde schijven via een RAID-controller
(15)gecombineerd tot één virtueel geheel, om het databeheer te verbeteren
(16). Het ligt dan voor de hand dat bij opslag van een illegaal digital bestand op één interne harde schijf de verbeurdverklaring zich uitstrekt tot alle interne gegevensdragers in dezelfde computer of een ander informaticasysteem dat de beklaagde toebehoort.
  1. Evenwel beletten de artikelen 42, 1°, en 44 Sw. de strafrechter m.i. niet om de bijzondere verbeurdverklaring op verzoek van de beklaagde te beperken tot specifieke interne gegevensdragers waarop data zijn opgeslagen die in strijd zijn met de wet, zoals kinderpornografie (art. 417/46 Sw.) of een digitale boekhouding gesteund op valse stukken. Voorwaarden voor deze partiële verbeurdverklaring zijn dan dat 1° de door het misdrijf ‘besmette’ gegevensdragers duidelijk te onderscheiden zijn van andere interne schijven van hetzelfde informaticasysteem, waarop geen enkel illegaal digitaal bestand is aangetroffen, en 2° deze overige interne gegevensdragers niet om andere redenen illegaal zijn (zoals een interne harde schijf die is bekomen door misbruik van vertrouwen). In zoverre het onderdeel aanneemt dat de strafrechter alleen aparte interne gegevensdragers mag verbeurdverklaren als instrument van het misdrijf, los van andere hardware die ermee is verbonden, faalt het m.i. naar recht. Deze optie van het ‘uit elkaar halen’ van een informaticasysteem bewaard ter griffie, zodat de veroordeelde bepaalde interne harde schijven kan bekomen met daarop alleen legale data, is evenwel tijdrovend en moeilijk te realiseren, zeker indien het informaticasysteem een RAID-controller bevat. Het verdient m.i. aanbeveling dat als de strafrechter de teruggave van identificeerbare legale digitale gegevens beveelt, opgeslagen op een specifieke interne harde schijf, hij kiest voor de overdracht van die gegevens op een externe gegevensdrager van de beklaagde zelf (zoals een USB-stick), eerder dan de teruggave te bevelen van bepaalde segmenten of harde schijven van het informaticasysteem van de beklaagde.
  2. Teruggave van legale digitale bestanden.
  3. Wanneer de strafrechter de bijzondere verbeurdverklaring beveelt van een interne gegevensdrager of het ganse informaticasysteem, rijst de vraag of deze sanctie onvermijdelijk het verlies inhoudt van legale digitale bestanden die erin zijn opgeslagen. Het uitsluiten van elke mogelijkheid tot teruggave van die bestanden aan de beklaagde is moeilijk verenigbaar met zijn fundamentele rechten. Art. 8.1 EVRM stelt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Een inperking van deze waarborg is volgens art. 8.2 EVRM alleen geoorloofd voor zover ze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is om een specifiek belang te beschermen, namelijk het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
(17). Het ingeroepen art. 22 Grondwet over het recht van ieder op eerbiediging van zijn privéleven en gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, heeft dezelfde strekking als art. 8 EVRM
(18). 27. In de zaak Prezhdarovi achtte het Europees Hof te Straatsburg de weigering om persoonlijke informatie opgeslagen in een in beslag genomen computer terug te geven in strijd met het recht op privéleven (art. 8 EVRM), omdat het verzoek tot teruggave niet concreet werd beantwoord en de rechterlijke toetsing louter formalistisch was, zonder enige overweging over de noodzaak of relevantie van het beslag voor het onderzoek
(19). Ook in de zaak Amarandei nam het Europees Hof te Straatsburg aan dat een te ruim beslag van persoonlijke gegevens en voorwerpen, die geen verband houden met het op te berechten misdrijf en waarop een effectieve rechterlijke controle ontbreekt, een schending oplevert van art. 8 EVRM
(20).
  1. Verder geniet elke burger het recht op bescherming van zijn eigendom, dat in art. 1 van het Eerste aanvullend protocol bij het E.V.R.M. als volgt is geformuleerd: "alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren".
  2. Lidstaten mogen het gebruik van goederen regelen in het algemeen belang, op die wijze dat er geen onredelijke beperkingen worden opgelegd aan de rechten van eigenaars of derden op deze goederen
(21). Er is bijgevolg ruimte voor het beslag en de verbeurdverklaring van goederen in het kader van een strafprocedure. Van belang hierbij is een redelijke verhouding tussen de aangewende middelen, zoals de onttrekking van eigendom via bijzondere verbeurdverklaring, en het nagestreefde doel
(22). Om uit te maken of een inperking van het eigendomsrecht geoorloofd is, gelden er volgens het Europees Hof te Straatsburg drie criteria, die aansluiten op deze van art. 8.2 EVRM, namelijk: 1° is de inmenging rechtmatig, in overeenstemming met de wet
(23)?, 2° heeft de inmenging een legitieme doelstelling in het algemeen belang? en 3° is van de inmenging evenredig (proportioneel), dit betekent is er een behoorlijk evenwicht bereikt tussen de vereisten van het belang van de samenleving en de fundamentele rechten van het individu?
(24). 30. Het Gerechtshof van Den Haag (NL) oordeelde in 2018, met verwijzing naar vermeld arrest Prezhdarovi, dat de rechterlijke toetsing achteraf over in beslag genomen gegevensdragers betekenisvol moet zijn en de rechter de strafrechtelijke relevantie van inbeslaggenomen persoonlijke gegevens moet onderzoeken, ook als deze zich op een (interne) gegevensdrager bevinden. Het Gerechtshof stelde over art. 8 EVRM (RO 3.1): “In concreto betekent dit …dat ook bij de rechterlijke toetsing in het kader van een verzoek tot onttrekking van een gegevensdrager waarop zowel strafbare en niet-strafbare gegevens zijn opgeslagen in beginsel ruimte dient te zijn voor een belangenafweging, waarbij onder meer de strafrechtelijke relevantie van individuele gegevens op de in beslag genomen gegevensdrager in beschouwing kan worden genomen”
(25). 31. Inzake de bescherming van het recht op eigendom (art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM) nam het Gerechtshof van Den Haag aan, met verwijzing naar het arrest EHRM 17 mei 2016, Dzinic t/Kroatië, dat (RO 3.1): “de nationale rechter niet alleen de ruimte, maar in voorkomende gevallen ook de verplichting heeft om te beslissen tot (voorafgaande) splitsing van strafbare en niet-strafbare gegevens op in beslag genomen gegevensdragers”
(26). 32. Verder achtte het Gerechtshof van Den Haag zich bevoegd om te oordelen over het verzoek van de verdachte om hem een kopie te verstrekken van specifieke gegevensbestanden behorende tot het niet-strafbare privé-beeldmateriaal dat zich op de voor onttrekking vatbare laptop bevindt. Aan de verdachte werd, bij tussenarrest, de gelegenheid geboden om gedurende maximaal één dag samen met een politieambtenaar een selectie te maken van legale digitale bestanden en deze bestanden terug te krijgen door kopie ervan op een legale gegevensdrager
(27).
  1. Bij gebrek aan specifieke (Nederlandse) wettelijke normen over de verbeurdverklaring van data en onderdelen van een informaticasysteem heeft het Gerechtshof van Den Haag in 2018 zelf criteria aangereikt om te oordelen over een gemotiveerd verzoek van de verdachte of beklaagde om in beslag genomen digitale gegevensbestanden terug te krijgen. Het Gerechtshof wijst op de noodzaak van een concrete belangenafweging tussen enerzijds de strafvorderlijke en maatschappelijke belangen bij de onttrekking van de gegevensbestanden en anderzijds de persoonlijke belangen van de verdachte bij behoud of verkrijging van de verzochte gegevensbestanden. Daarbij moet er worden gelet op 1° de mate waarin door de verdachte informatie is verstrekt over de bestandnamen en bestandslocaties, 2° de technische en personele uitvoerbaarheid van het verzoek, 3° het belang van de verdachte bij het behoud van de gegevens, 4° de mate waarin de verdachte dat belang heeft onderbouwd en 5° de vraag of de verdachte door zijn wijze van handelen of opslag van gegevens wordt geacht zelf het risico te hebben aanvaard op vermenging van strafbare en niet-strafbare gegevensbestanden.
  2. Voor dat laatste criterium mag de politie niet worden geconfronteerd met een ‘onevenredig arbeidsintensieve wijze’ om de legale en strafbare gegevensbestanden van elkaar te scheiden
(28). Wat ook relevant is, is de vraag of de beklaagde nog beschikt over de legale digitale gegevens van persoonlijke of professionele aard die worden bewaard op een in beslag genomen interne gegevensdrager. De beklaagde kan immers voorafgaand aan het beslag een kopie van deze data hebben bewaard op een eigen externe gegevensdrager, zoals een USB-stick, of op een harde schijf van een ander eigen informaticasysteem, of op een server van een datacenter via opslag “in de Cloud’ (zoals iCloud, One Drive of Dropbox)
(29). In dat geval van backup van zijn legale persoonlijke bestanden heeft de beklaagde geen belang bij een verzoek tot teruggave van deze digitale gegevens die (ook) zijn opgeslagen in het informaticasysteem dat in zijn geheel in aanmerking komt voor verplichte verbeurdverklaring. 35. De mogelijkheid van teruggave van legale persoonlijke bestanden via een kopie op een externe gegevensdrager van de beklaagde, toegestaan door de strafrechter aan de hand van vermelde criteria (§ 33-34), lijkt mij nodig om een evenwicht te bereiken tussen enerzijds het algemeen belang van criminaliteitsbestrijding en de belangen van het slachtoffer
(30)en anderzijds de individuele rechten van de beklaagde, eigenaar van de digitale bestanden. Indien een informaticasysteem data bevat die het voorwerp of het instrument zijn van een misdaad of wanbedrijf, wordt in de regel dat gehele systeem verbeurd verklaard (art. 42, 1° en 43 Sw.) en aldus aan de beklaagde onttrokken, zonder dat de belaagde steeds of automatisch legale data kwijtraakt waaraan bij gehecht is.
  1. Mij komt voor dat de criteria aangereikt door het Gerechtshof te Den Haag (§ 33) relevant zijn voor de beoordeling van het onderdeel over de verbeurdverklaring van interne harde schijven waarop geen digitale gegevens zijn gevonden die in strijd zijn met de wet. Het is aan de beklaagde om tijdig een gemotiveerd en concreet verzoek in te dienen tot teruggave van legale en persoonlijke digitale gegevens die zijn opgeslagen in een informaticasysteem dat hem toebehoort. Op de rechter rust m.i. geen plicht om ambtshalve een selectie te maken van geïdentificeerde legale data, opgeslagen in een informaticasysteem dat vatbaar is voor verbeurdverklaring, om vervolgens de teruggave te bevelen van deze digitale gegevens (door kopie op een externe gegevensdrager) of van de specifieke gegevensdrager die alleen legale data bevat. Vervolgens dient de strafrechter alle belangen tegenover elkaar af te wegen en bij een gegrond verzoek aan te geven hoe de beklaagde zijn legale en persoonlijke digitale gegevens kan bekomen, namelijk het kopiëren van de gegevens op een externe gegevensdrager of het teruggeven van specifieke interne gegevensdragers die de gevraagde legale data bevatten en niet op een andere wijze illegaal zijn. Veel hangt af van de concrete informatie die de beklaagde aanbrengt over de vindplaats van de digitale bestanden en de werklast die op de griffie of een politiedienst rust om de concrete overdracht van digitale bestanden aan hem te realiseren.
  2. Wanneer 1° de beklaagde er niet in slaagt aan te duiden op welke interne harde schijf de door hem geselecteerde legale bestanden van persoonlijke of professionele aard zijn opgeslagen (met naam van het bestand en eventueel de virtuele map) en 2° het niet evident is een computer of een ander informaticasysteem op te splitsen in compartimenten en te ‘ontmantelen’ (in de zin van het afzonderen en losmaken van interne harde schijven met daarop alleen legale bestanden), kan de rechter aan de hand van vermelde criteria (§ 33-34) voldoen aan het recht op privacy en het recht op eigendom van de beklaagde door te bevelen dat de beklaagde op een eigen externe gegevensdrager kopie mag nemen van de nauwkeurig opgegeven bestanden. De teruggave via kopie van digitale bestanden aan de beklaagde heeft m.i. geen effect op de omvang van de verbeurdverklaring van apparatuur en bijhorende software. De verplichte verbeurdverklaring op basis van art. 42, 1°, en 43, eerste lid, Sw., kan de volledige ‘hardware’ van de in beslag genomen informaticasysteem omvatten, als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde misdrijf. Teruggave van specifieke legale gegevensdragers van persoonlijke of professionele aard in de zin van art. 44 Sw. is geen gunst en kan niet worden geweigerd om de enkele reden van de zwaarwichtigheid van de feiten. Het tweede onderdeel komt dan ook als gegrond voor.
  3. Prejudiciële vraag over de omvang van de verbeurdverklaring.
  4. In een tweede middel, tweede onderdeel, verzoekt eiser het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, voor zover de artikelen 42, 1°, en 43, eerste lid Sw. zich verzetten tegen de teruggave van legale digitale gegevens opgeslagen op een gegevensdrager die in aanmerking komt voor verplichte verbeurdverklaring, geformuleerd als volgt: “Schendt artikel 43 Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22 Grondwet, met artikel 8 EVRM en art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre het aan de strafrechter de verplichting oplegt om de verbeurdverklaring uit te spreken van de zaken, in de zin van art. 42, 1° Sw., die het voorwerp van het misdrijf uitmaken en deze dewelke hebben gediend of waren bestemd om het misdrijf te plegen wanneer zij eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze bepaling toelaat dat de beklaagde een verzoek tot de strafrechter richt strekkende tot de (partiële) teruggave van legale gegevens dewelke zich op een gegevensdrager bevinden dewelke overeenkomstig deze bepaling verplicht verbeurd dient te worden verklaard, terwijl de verbeurdverklaring van de gegevens op deze gegevensdrager een maatregel zou kunnen uitmaken die een schending uitmaakt van het recht op eerbiediging van het privéleven (art. 22 GW en art. 8 EVRM) en van het recht op het ongestoorde genot van eigendom (art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM)”?
  5. Het onderdeel gaat m.i. uit van de onjuiste rechtsopvatting dat de artikelen 42, 1°, en 43, eerste lid, Sw. de beklaagde niet toelaten om aan de strafrechter de teruggave te vragen van legale digitale gegevens die hem aanbelangen en die zijn opgeslagen op een interne gegevensdrager of een volledig informaticasysteem dat hem via de verbeurdverklaring wordt afgenomen, waarbij de teruggave van data wordt gerealiseerd door een kopie op een externe gegevensdrager of door afgifte van een specifieke harde schijf die de gevraagde legale data bevat. De voorgestelde prejudiciële vraag berust op deze onjuiste rechtsopvatting en moet dan ook niet worden gesteld (art. 26 § 4 Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het tweede onderdeel kan aldus niet worden aangenomen
(31).
  1. Besluit.
  2. Er zijn geen ambtshalve middelen die kunnen leiden tot een ruimere cassatie. De onregelmatigheid heeft alleen betrekking op de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring en tast de overige onderdelen van het bestreden arrest over de straftoemeting niet aan
(32). Mijn advies is partiële cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de bijzondere verbeurdverklaring van de interne gegevensdragers van de Desktop Antec, in zoverre deze legale persoonlijke digitale gegevens bevatten waarvan eiser te teruggave vraagt. _____________________________
(1)Cass. 20 april 2021, AR P.20.1307.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4, AC 2021, nr. 281; Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0159.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6, AC 2020, nr. 303; Cass. 12 november 2019, AR P.19.0594.N, AC 2019, nr. 585, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.2. Zie J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 111-120.
(2)Cass. 3 mei 2006, AR P.06.0220.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19, AC 2006, nr. 254, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas; F. VAN VOLSEM, “De bijzondere verbeurdverklaring”, in Strafrecht in de onderneming, Intersentia, 2016, (791-865), 792-795; E. FRANCIS, “Algemene principes in de bijzondere verbeurdverklaring en het beslag in strafzaken”, T. Strafr. 2011, (306-336), 308; F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, reeks RPDB, Bruylant 2015, 15-16; J. ROZIE, “Koorddansen tussen eerbiediging van het recht op eigendom en een rechtvaardige verbeurdverklaring”, in 60 jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, Intersentia 2008, (133-156)
(137); J. ROZIE, “De bijzondere verbeurdverklaring opgewaardeerd”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia 2013, 305-307.
(3)Over art. 42, 1° en 43 Sw. zie G. STESSENS, De nationale en internationale bestrijding van het witwassen, Intersentia 1997, 55-67; E. VAN MUYLEM, “(Bijzondere) verbeurdverklaring”, in Comm. Sr. 1997, 6-10; Ph. VAN LINTHOUT, “Smartphone-, iPhone-en laptopliefhebbers: u bent gewaarschuwd”, T. Strafr. 2009, 115-117; E. FRANCIS, “Algemene principes in de bijzondere verbeurdverklaring en het beslag in strafzaken”, T. Strafr. 2011, 312-314; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 42 en 43 Sw.”, in Strafrecht. Duiding, Larcier 2015, 46-51; F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, reeks RPDB, Bruylant 2015, 20-24 ; S. ROYER, “De verbeurdverklaring in de digitale wereld”, NC 2015, nummer ‘Nullum Crimen Prijs 2015’, 60-64; COMMISSIE VOOR DE HERVORMING VAN HET STRAFRECHT, Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, (J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, mmv. J. DE HERDT, M. DEBAUCHE en M. TAEYMANS, Die Keure 2016, 141-144; J. ROZIE en P. WAETERINCKX, “Actualia verbeurdverklaring (2010-15). Alles stroomt, niets is blijvend”, NC 2015, 395-396; F. VAN VOLSEM, “De bijzondere verbeurdverklaring”, in Strafrecht in de onderneming, Intersentia 2016, 798-804; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge. La Peine, Larcier 2017, 304-310; J. ROZIE, “De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?”, NC 2017, 255-268; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 272-278; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure 2021, 145-147; A. RIZZO, La confiscation et le gel préventif d’avoirs terroristes, Larcier 2021, 202-204; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 446-453.
(4)Over art. 44 Sw. Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0284.N, AC 2018, nr. 124, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.1; Cass. 10 juni 2014, AR P.14.0280.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.3, AC 2014, nr. 412; A. VANDEPLAS, “Teruggave” in Comm. Sr., Kluwer 2003, 24; J. RAEYMAKERS, “De rechtsfiguren van teruggave en toewijzing ten gunste van een benadeelde, onder meer als bijzondere modaliteiten van de verbeurdverklaring als bijkomende strafsanctie”, NC 2017, 446-470.
(5)S. ROYER en R. VERSTRAETEN, “Beslag in strafzaken”, in Comm. Sr., 2020, 8.
(6)Art. 39bis, § 6 Sv. laat de onderzoekende magistraat immers toe data in een informaticasysteem in beslag te nemen zonder beslag van een gegevensdrager (hardware), door deze data te kopiëren op een gegevensdrager van de overheid, de toegang tot deze data in het informaticasysteem te verhinderen, en bepaalde data uit het informaticasysteem te verwijderen (o.a. beelden van kinderpornografie), zie F. DERUYCK, “Is de wetgever met de wetsontwerpen inzake informaticacriminaliteit on-line of off-line?”, in Internet & Recht, Maklu 2001, 539-541; F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, reeks RPDB, Bruylant 2015, 135-140; C. KONINGS, Klassiek en digitaal speuren naar strafrechtelijk bewijs, Intersentia 2017, 137-140 en 296-300; S. ROYER en R. VERSTRAETEN, “Beslag in strafzaken”, in Comm. Sr., 2020, 16-28.
(7)S. ROYER, “De verbeurdverklaring in de digitale wereld”, NC 2015, nummer ‘Nullum Crimen Prijs 2015’, 86 meent dat verbeurdverklaring van informaticagegevens (data) mogelijk is, omdat deze gelijkenis vertonen met lichamelijk roerende zaken. De auteur baseert haar standpunt op Cass. 5 januari 2011, AR P.10.1094.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110105.1, AC 2011, nr. 6, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., “De in een informaticasysteem aanwezige software, studies, verslagen, contractuele stukken, contactlijsten en andere beheersapplicaties, kunnen gelijkgesteld worden met geschriften van om het even welke aard of andere roerende lichamelijke zaken, als bedoeld in artikel 491 Strafwetboek” (derde middel, eerste onderdeel). Zie eveneens J. BAECK, “Digitaal goederenrecht: een verkenning”, RW 2020-21, 1606 en 1608 over digitale gegevens als voorwerp van eigendom.
(8)S. ROYER, “De verbeurdverklaring in de digitale wereld”, NC 2015, nummer ‘Nullum Crimen Prijs 2015’, 76.
(9)Een interessant referentiepunt is het arrest van het Gerechtshof van Den Haag (NL) dd. 3 mei 2018, dat in een zaak van beslag van een laptop waarop kinderporno werd aangetroffen op basis van de artikelen 125 en 134 N.SV. oordeelde dat (RO 2.1): “de Nederlandse wetssystematiek vooralsnog geen expliciete juridische grondslag biedt om gegevens los te zien van de in beslag genomen gegevensdrager waarop zij zich bevinden. Slechts voorwerpen-zoals de … laptop-zijn vatbaar voor beslag. De beslissing daaromtrent heeft daarom enkel betrekking op de gegevensdrager zelf, de zich daarop bevindende gegevens volgen slechts het lot van de gegevensdrager” (Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2018, rolnummer 22-000548-17, www.rechtspraak.nl, NJFS 2018/151, ECLI:NL:GHDHA:2018:1074, zie hierover D.A.G. VAN TOOR en D. VAN OS, “Partiële of geschoonde teruggave van gegevensdragers”, in Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht en Handhaving, Boom Uitg., 2020, afl. 5, 260-269). Contra: S. ROYER, “De verbeurdverklaring in de digitale wereld”, NC 2015, nummer ‘Nullum Crimen Prijs 2015’, 86, “Rechtbanken en hoven dienen in de toekomst de verbeurdverklaring van de materiële dragers én van de informaticagegevens uit te spreken” en J. BAECK, “Digitaal goederenrecht: een verkenning”, RW 2020-21, 1606: “minstens bepaalde digitale databestanden gekwalificeerd kunnen worden als voorwerpen die vatbaar zijn voor toe-eigening en dus als goederen in de zin van art. 3.41 BW”.
(10)Over art. 4, § 6 Drugswet zie Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1171.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9, AC 2021, nr. 169, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2022-23, 268, RABG 2021, 1018 noot P. WAETERINCKX, “De rechten van derden te goeder trouw bij de verbeurdverklaring van zaken die hen ‘toebehoren’. Wat houdt het toetsingscriterium ‘te goeder trouw’ in en wat is de juridische draagwijdte ervan” (1021-1030) en NC 2022, 37 noot P. TERSAGO, “Een gerichte focus op malafide autoverhuurbedrijven” (39-44); F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, reeks RPDB, Bruylant 2015, 23 en 51.
(11)S. ROYER en R. VERSTRAETEN, “Beslag in strafzaken”, in Comm. Sr., 2020, 76, met verwijzing naar Antwerpen 11 maart 2015, Limb. Rechtsl. 2015, 221 noot J. DU BUS.
(12)Zie hierover E. FRANCIS, “De vervreemding tijdens de behandeling ten gronde”, NC 2006, 268-272 en E. FRANCIS, “De tenuitvoerlegging van de objectconfiscatie: een praktische toepassing”, RABG 2013, 64-66; F. LUGENTZ en D. VANDERMEERSCH, Saisie et confiscation en matière pénale, reeks RPDB, Bruylant 2015, 78-80 en 155-168.
(13)Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0055.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.2, AC 2022, nr. 386; Cass. 26 januari 2021, AR P.20.1283.N, AC 2021, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5; GwH 9 februari 2017, arrest 12/2017, BS 20 maart 2017, NC 2017, 253 noot J. ROZIE, “De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?” (255-268).
(14)Cass. 26 januari 2021, AR P.20.1283.N, AC 2021, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5.
(15)Een RAID-controller is een toestel in de vorm van een Card of chip dat via de RAID-software toelaat verschillende interne gegevensdragers van eenzelfde computer met elkaar te verbinden (www.minitool.com/lib/raid-controller.html).
(16)De Wikipedia-pagina (www.nl.wikipedia.org) bevat als informatie: RAID, oorspronkelijk een afkorting voor redundant array of inexpensive disks en tegenwoordig voor redundant array of independent disks, is een dataopslagtechnologie, waarbij meerdere fysieke hard e schijven gecombineerd worden tot één of meer logische virtuele opslageenheden met als doel de veiligheid, snelheid en/of capaciteit te vergroten. Feitelijk was RAID het goedkopere antwoord op de zeer kostbare enkelvoudige harde schijf in de mainframecomputer van weleer. Data worden gedistribueerd over de schijven op verschillende RAID-niveaus, afhankelijk of de fouttolerantie, doorvoersnelheid of capaciteit verhoogd moet worden. …. Alle RAID-niveaus groter dan 0 voorzien in een vorm van fouttolerantie, waarbij het falen van een schijf wordt opgevangen door de overige schijven.
(17)Over art. 8 EVRM zie F. RIGAUX, “La protection de la vie privée en Europe”, in The common law of Europe and the future of legal education, Kluwer Publ. 1992, 185-212; P. DE HERT, “Recht op privacy”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, Deel II, Intersentia 2004, 705-788; J. VELU en R. ERGEC, Convention européenne des droits de l’homme, reeks RPDB, Bruylant 2014, 645-702; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 68-72; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 803-809.
(18)GwH 17 november 2022, arrest 148/2022, B.15, GwH 11 maart 2021, arrest 43/21, www.const-court.be; K. RIMANQUE, De Grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 65-66.
(19)EHRM 30 september 2014, Prezhdarovi t/Bulgarije, § 49-50, www.echr.coe.int; S. ROYER, Strafrechtelijk beslag. Digiproof en (multi)functioneel, Die Keure 2020, 168 en 176.
(20)EHRM 21 april 2016, Amarandei e.a. t/Roemenië, § 226-228, www.echr.coe.int.
(21)Zie alg. Y. HAECK, “Recht op bescherming van de eigendom”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, II, 295-397; J. ROZIE en P. WAETERINCKX, “Actualia verbeurdverklaring (2010-15). Alles stroomt, niets is blijvend”, NC 2015, 419-421 (390-432).
(22)Cass. 21 mei 2003, AR P.03.0439.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030521.14, AC 2003, nr. 310, EHRM 23 februari 1995, Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH, EHRM 5 mei 1995, arrest Air Canada, www.echr.coe.int; J. ROZIE, “Koorddansen tussen eerbiediging van het recht op eigendom en een rechtvaardige verbeurdverklaring”, in 60 jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, Intersentia 2008, 148-151; J. ROZIE, “De bijzondere verbeurdverklaring opgewaardeerd”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia 2013, 307-308; J. VELU en R. ERGEC, Convention européenne des droits de l’homme, reeks RPDB, Bruylant 2014, 833-851; C. KONINGS, Klassiek en digitaal speuren naar strafrechtelijk bewijs, Intersentia 2017, 116 en 329-528; S. ROYER, Strafrechtelijk beslag. Digiproof en (multi)functioneel, Die Keure 2020, 165-178.
(23)Het criterium van legaliteit impliceert dat de wet die verbeurdverklaring bepaalt voldoende duidelijk, toegankelijk en voorzienbaar is; Y. HAECK, “Artikel 1 Eerste Protocol- Recht op bescherming van de eigendom”, in Handboek EVRM. Deel 2 Artikelsgewijze commentaar, Vol. II, Intersentia 2004, 356, met verwijzing naar oa. EHRM 9 november 1999, Spacek t/Tsjechië, www.echr.coe.int.
(24)EHRM 5 januari 2000, Beyeler t/Italië; EHRM 26 februari 2009, Grifhorst t/Frankrijk; EHRM 13 oktober 2015, nsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A. . t. Bulgarije; EHRM 17 mei 2016, Dzinic t/Kroatië; EHRM 28 juni 2018, G.I.E.M. SRL e.a. t/Italië; EHRM 13 juli 2021, Todorov t/België, § 182-200; EHRM 7 september 2021, Djordjevic t/Frankrijk, www.echr.coe.int; GwH 9 februari 2017, nr. 12/2017, B.9, NC 2017, 253 noot J. ROZIE; GwH 11 maart 2021, arrest 43/2021, B.27; Zie Y. HAECK, “Artikel 1 Eerste Protocol- Recht op bescherming van de eigendom”, in Handboek EVRM. Deel 2 Artikelsgewijze commentaar, Vol. II, Intersentia 2004, 353-386; noot J. ROZIE, “De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?”, NC 2017, 263-264; S. ROYER, Strafrechtelijk beslag. Digiproof en (multi)functioneel, Die Keure 2020, 248-265; S. BOLLENS, “De verruimde confiscatie in mensenrechtelijk perspectief”, NC 2021, 492-494; conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS in de zaak Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1171.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9, AC 2021, nr. 169, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210309.2N.9, RW 2022-23, 268.
(25)Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2018, rolnummer 22-000548-17, rechtspraak.nl, NJFS 2018/151, ECLI:NL:GHDHA:2018:1074, zie hierover D.A.G. VAN TOOR en D. VAN OS, “Partiële of geschoonde teruggave van gegevensdragers”, in Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht en Handhaving, Boom Uitg. 2020, afl. 5, 260-269.
(26)Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2018, rolnummer 22-000548-17, rechtspraak.nl, NJFS 2018/151, ECLI:NL:GHDHA:2018:1074.
(27)Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2018, rolnummer 22-000548-17, rechtspraak.nl, NJFS 2018/151, ECLI:NL:GHDHA:2018:1074. In het eindarrest van 2019 werd het verzoek van de verdachte afgewezen omdat de door hem aangeduide gegevens niet de gegevens betroffen die van belang konden zijn voor zijn ambulante psychologische begeleiding (Gerechtshof Den Haag 27 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:391, D.A.G. VAN TOOR en D. VAN OS, l.c., nr. 2.1).
(28)Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2018, rolnummer 22-000548-17, punt 4 ‘relevante aspecten voor de belangenafweging’, rechtspraak.nl, NJFS 2018/151, ECLI:NL:GHDHA:2018:1074, zie hierover D.A.G. VAN TOOR en D. VAN OS, “Partiële of geschoonde teruggave van gegevensdragers”, in Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht en Handhaving, Boom Uitg. 2020, afl. 5, 260-269.
(29)Over de cloudopslag en problemen van beslag van die gegevens zie P. VANDENBRUWAENE, “Uitdagingen voor de rechtshandhaving in cyberspace”, RW 2016-17, 767-768; J. BAECK, “Digitaal goederenrecht: een verkenning”, RW 2020-21, 1608-1609.
(30)Deze belangen van het slachtoffer zijn onder meer aan de orde als onwettige beelden van hem of haar (vb. kinderpornografie, voyeurisme, belaging) worden bewaard op de in beslag genomen gegevensdrager van de beklaagde.
(31)Er bestaan geen aanleiding om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die berust op een foutieve rechtsopvatting Cass. 22 maart 2022, P.21.1502.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13, AC 2022, nr. 208, met concl. OM; Cass. 4 oktober 2016, AR P.14.1881.N, AC 2016, nr. 540, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1964.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.5, AC 2015, nr. 218; Cass. 6 november 2014, AR C.14.0066.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141106.11, AC 2014, nr. 675; Cass. 7 november 2013, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11, AC 2013, nr. 590.
(32)Vb. Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1, AC 2020, nr. 211, RO 115, concl. OM, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200324.1N.1N.1/NL" rel="balloon_none" title="Conclusie ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200324.1N.1N.1" target="_new" >ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200324.1N.1N.1; F. VAN VOLSEM, “Beoordeling van het cassatieberoep in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 219-223; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1639-1641; L. DE GRYSE, “Omvang van de cassatie”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 428. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030521.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.19 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110105.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141106.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200324.1N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210309.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.2 ECLI:NL:GHDHA:2018:1074 ECLI:NL:GHDHA:2019:391 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.