id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230210.1N.4 Rolnummer: C.21.0273.N Zaak: SA EULER HERMES contra NV AGFA FINANCE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-05-30 Raadplegingen: 438 - laatst gezien 2026-06-18 08:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.4 Fiche 1 Artikel 1704, 2, g), Gerechtelijk Wetboek sanctioneert met zijn eerste vernietigingsgrond van een arbitrale uitspraak een miskenning van het met artikel 1694 Gerechtelijk Wetboek, in zijn geheel genomen, gewaarborgde recht van verdediging in een arbitrale procedure
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1694.1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1694.2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1694.3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1704, 2, g) - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 De rechter is verplicht om een arbitrale uitspraak slechts ten dele te vernietigen indien het te vernietigen deel van de uitspraak kan worden gescheiden van de andere delen van de uitspraak
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1705 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.21.0273.N Conclusie van mevrouw advocaat-generaal E. Herregodts: Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende. 1. Op 20 december 2007 werd door verweerster, samen met andere vennootschapen (hierna kortweg “de Vennootschappen”), een arbitrageprocedure opgestart teneinde een geschil te horen beslechten, gerezen in het kader van een kredietverzekeringsovereenkomst gesloten tussen eiseres en verweerster. Er werd een arbitraal college samengesteld, bestaande uit de drie in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen (hierna kortweg “de arbiters”). 2. Het arbitraal college sprak op 29 november 2011 een eerste tussensententie uit, waarmee werd geoordeeld dat de Vennootschappen geen partij waren bij de kredietverzekeringsovereenkomst. Het arbitraal college verklaarde zich zonder rechtsmacht en bevoegdheid om uitspraak te doen over de vorderingen ingesteld door de Vennootschappen. De debatten werden heropend om eiseres en verweerster toe te laten te concluderen over de wijziging van hoedanigheid en de aanpassingen die zich ingevolge deze wijziging opdrongen. Door de Venootschappen werd afstand gedaan van hun rechtsvorderingen. Verweerster handhaafde haar eigen vorderingen alsook de vorderingen die zij in eigen naar maar voor rekening van de Vennootschappen stelde. 3. Bij brief van 24 januari 2013 vroegen de arbiters aan eiseres en verweerster om nieuwe syntheseconclusies op te stellen, waarin aan bod diende te komen welke de gevolgen waren van de afstanden en hoe de eisen dienden te worden geactualiseerd ingevolge die afstanden. Een zitting werd gepland op 21 juni 2013, waaraan voorafgaand, bij schrijven van de arbiters van 7 juni 2013, aan eiseres en verweerster werd meegedeeld wat ter zitting zou worden behandeld. 4. Ter zitting van het arbitraal college van 21 juni 2013 werd gedebatteerd over de afstanden van rechtsvordering, over de herformulering van de vordering van verweerster in het licht van deze afstanden, over de vraag of de kredietverzekeringsovereenkomst gesloten tussen partijen aan de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen dan wel aan de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna kort “wet landverzekeringsovereenkomst”) was onderworpen, alsook over de vraag of de verkoop van de verzekerde schuldvorderingen door verweerster aan een derde, gevolgd door een inpandgeving van diezelfde schuldvorderingen door de derde aan verweerster ertoe leidde dat verweerster haar verzekerbaar belang bij die schuldvorderingen verloor. 5. Op 4 december 2014 werd door het arbitraal college een tweede tussensententie uitgesproken. Daarin werd akte genomen van de afstanden en werd geoordeeld dat de aanpassing van de vorderingen door verweerster toelaatbaar was. Onder de titel “discussie en beoordeling ten gronde” werd enerzijds geoordeeld dat de kredietverzekeringsovereenkomst rechtsgeldig van de toepassing van de wet landverzekeringsovereenkomst was uitgesloten zodat de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen toepassing vond, met als rechtsgevolg dat de partijen de vrije keuze werd gelaten over de inhoud en de draagwijdte van hun verbintenissen, en anderzijds geoordeeld dat verweerster haar verzekerbaar belang verloor door de verkoop en de inpandgeving van de schuldvorderingen, zonder daarbij toepassing te maken van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen of van de wet landverzekeringsovereenkomst. De hoofdvordering van verweerster werd afgewezen in zoverre zij betrekking had op schuldvorderingen daterend van na 1 november 2004. De tegenvordering van eiseres, die strekte tot terugbetaling van alle beweerdelijk onterecht uitbetaalde schadegevallen daterend van na 1 november 2004, werd gegrond verklaard. De debatten werden heropend met betrekking tot de vorderingen van verweerster in zoverre zij betrekking hadden op schuldvorderingen voorafgaand aan 1 november 2004. 6. Bij dagvaarding van 4 maart 2015 werd door verweerster de vernietiging gevorderd van de tweede tussensententie door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. 7. Op 18 februari 2016 werd door het arbitraal college een eindsententie geveld, waarmee de vorderingen van verweerster voor het overige werden afgewezen. 8. Bij dagvaarding betekend op 4 en 5 juli 2016 werd door verweerster de vernietiging gevorderd van de eindsententie door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. 9. Bij vonnis gewezen op 12 oktober 2016 werd de vordering tot vernietiging van de tweede tussensententie ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Bij vonnis van 22 februari 2018 werd de vordering tot vernietiging van de eindsententie eveneens ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Door verweerster werd tegen beide vonnissen hoger beroep aangetekend bij het hof van beroep van Brussel. 10. Met een tussenarrest door het hof van beroep van Brussel gewezen op 16 juni 2020 worden beide hoger beroepen samengevoegd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard in zoverre het strekt tot de vernietiging van de arbitrale sententies van 4 december 2014 en 18 februari 2016 op grond van de strijdigheid met de openbare orde en de overschrijding van rechtsmacht of bevoegdheden. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard in zoverre het strekt tot de vernietiging van de arbitrale sententie van 4 december 2014 op grond van artikel 1704, 2°,
- g)van het Gerechtelijk Wetboek. De arbitrale tussensententie van 4 december 2014 wordt vernietigd. Het debat wordt heropend teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep in zoverre het gericht is tegen de arbiters, en teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de gevolgen van de vernietiging van de tweede arbitrale tussensententie van 4 december 2014. 11. Met een eindarrest gewezen op 20 oktober 2020 wordt het hoger beroep van verweerster onontvankelijk verklaard in zoverre gericht tegen eisers als arbiters, en wordt de arbitrale eindsententie van 18 februari 2016 vernietigd. 12. Eiseres komt met haar voorziening in cassatie, met 1 middel bestaande uit 3 onderdelen, op tegen de arresten van 16 juni en 20 oktober 2020 gewezen door het hof van beroep van Brussel. Voor verweerster werd op 10 september 2021 een memorie van antwoord betekend aan eiseres. De memorie van antwoord werd neergelegd op dezelfde datum. Bespreking. Eerste onderdeel. 13. Eiseres voert aan dat uit de brief van de arbiters van 7 juni 2013, inzonderheid uit de mededeling van de punten die zouden worden behandeld tijdens de pleidooien op 21 juni 2013, blijkt dat deze pleidooien zich ook voor een stuk tot de grond van de zaak zouden uitstrekken, meer bepaald dat zij zouden handelen over de kwestie van de toepasselijke wetgeving en haar gevolgen en over de kwestie van de overdracht en inpandgeving van schuldvorderingen en hun gevolgen. Volgens eiseres werden de partijen dus wel degelijk uitgenodigd om ook die beide aspecten van het geschil, die reeds in conclusies waren besproken, mondeling uiteen te zetten, minstens konden de partijen zich volgens eiseres eraan verwachten, gelet op het procesverloop vóór de pleitzitting van 21 juni 2013, dat de arbiters zich na de pleitzitting reeds over die aspecten zouden uitspreken In de gegeven omstandigheden is er volgens eiseres geen sprake van een schending van het recht van verdediging en schendt de appelrechter, door daar anders over te oordelen, het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging en de artikelen 1694, 1, 2 en 3 (oud) en 1704, 2°,
- g)(oud) van het Gerechtelijk Wetboek. De tweede grief van eiseres luidt dat in zoverre het bestreden arrest de brief van de arbiters van 7 juni 2013 in die zin leest dat de daarin opgesomde punten niet de twistpunten ten gronde viseren waarover de arbiters in hun tussensententie van 4 december 2014 uitspraak deden, meer bepaald het punt over de toepasselijke wetgeving en het punt over de gevolgen van de overdracht en inpandgeving van schuldvorderingen, terwijl die beide twistpunten wel begrepen zijn in de punten 2 en 3 van de brief, de appelrechter niet in die brief leest wat erin staat en bijgevolg de bewijskracht van die brief miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Oud Burgerlijk Wetboek). De derde grief aangevoerd door eiseres luidt dat In zoverre het bestreden arrest er daarenboven van uitgaat dat geen enkel aspect van de grond van de zaak werd aangeraakt op de pleitzitting van 21 juni 2013, ook niet het punt van de toepasselijke wetgeving, het een betwisting opwerpt die door de appelconclusies van de partijen was uitgesloten en het derhalve het beschikkingsbeginsel en artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek schendt. 14. De appelrechter stelt in het tussenarrest van 16 juni 2020 onder meer vast en oordeelt dat: artikel 1704, 2°, g), van het Gerechtelijk Wetboek de miskenning sanctioneert van de regel uiteengezet in oud artikel 1694.1 van het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald dat de partijen degelijk dienen te zijn opgeroepen en dat zij tijdens de arbitrale procedure moeten worden gehoord; op 21 juni 2013 een nieuwe pleitzitting plaatsvond, in de aanloop naar de tweede arbitrale tussensententie; het arbitraal college daaraan voorafgaand de partijen voorstelde om een syntheseconclusie op te stellen waarbij de volgende punten aan de orde komen: 1) de gevolgen van de indiening van de afstanden namens bepaalde procespartijen, en 2) de actualisering van de gestelde eisen ingevolge de indiening van de voormelde stukken, met name de afstanden; de partijen vroegen om het voorwerp van de pleitzitting van 21 juni 2013 nader toe te lichten en de raadsman van de verweerster op 27 mei 2013 vroeg “wat het voorwerp van de zitting zal zijn: blijft dit beperkt tot de problematiek van de ontvankelijkheid en bevoegdheid die voorwerp was van de laatste conclusie of is het de bedoeling dat ook de grond van de zaak behandeld wordt?”; de arbiters hierop bij brief van 7 juni 2013 antwoordden dat de volgende punten dienden te worden behandeld: 1) de gevolgen van de indiening van de afstanden nopens bepaalde procespartijen, 2) de actualisering van de gestelde eisen, wat onder meer inhoudt dat de pleidooien dienen te worden toegespitst op de vraag welke partij aanspraak kan maken op vergoeding voor elk van de schadegevallen in het raam van deze arbitrale procedure, en 3) de toepasselijke wet en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen; de tweede arbitrale tussensententie van 4 december 2014 vooreerst het procesverloop schetst en in de daaropvolgende twee titels ingaat op de aanpassing van het voorwerp van de vorderingen van de partijen in de lopende procedure na heropening van het debat, waarna in een vierde titel de discussie en “beoordeling ten gronde” volgt; de arbiters bij deze tussensententie hebben geoordeeld over twistpunten ten gronde die niet werden geviseerd in hun schrijven van 7 juni 2013 waarin de punten van behandeling op de pleitzitting werden vermeld, “zie de tussensententie van 4 december 2014, p. 16-19, “§2 Over de verkoop en verpanding van de schuldvorderingen””, ondanks het feit dat de vraag van de raadsman van verweerster of op de pleitzitting ook de grond van de zaak zou worden behandeld niet werd bevestigd en het feit dat uit de stukken die thans voorliggen moet worden opgemaakt dat de zaak niet ten gronde werd gepleit ter zitting van 21 juni 2013; van groot belang is dat verweerster vooraf schriftelijk informeerde naar het voorwerp van de zitting, duidelijk met het oog op de nauwgezette voorbereiding ervan en dat zij op de vraag of het de bedoeling was dat ook de grond van de zaak behandeld werd, geen bevestigend antwoord kreeg; verweerster zich in de gegeven omstandigheden niet eraan diende te verwachten dat niettemin na deze pleitzitting, een deelbeslissing ten gronde zou worden genomen; het feit dat verweerster schriftelijk concludeerde over de grond van de zaak haar niet moest doen veronderstellen dat zij haar argumentatie niet meer mondeling mocht toelichten, te meer nu artikel 8.2 van het arbitragereglement bepaalt dat pleidooien worden gehouden en partijen hiervan vooraf worden verwittigd; aan verweerster op dit punt geen gebrek aan waakzaamheid of zorgvuldigheid met betrekking tot het volgen van het procesverloop kan worden verweten; het feit dat tweede arbitrale tussensententie effectief tot stand kwam na pleidooien niet belette dat, nu de betreffende pleitzitting niet over de bij deze sententie beslechte twistpunten ten gronde handelde, de arbiters zich ervan hadden dienen te onthouden een beslissing te nemen over onderdelen van de betwisting waarover partijen geen oordeel zonder voorafgaande mondelinge toelichting van hun standpunt moesten verwachten; het doel van de norm van de tegenspraak, met name vermijden dat partijen verrast worden zonder dat zij hun standpunt voor de arbitrale oordeelsvorming in pleidooien hebben kunnen toelichten zoals was overeengekomen in het arbitragereglement, niet werd bereikt. Met de voormelde redenen geeft de appelrechter mijns inziens te kennen dat op de pleitzitting van 21 juni 2013 werd gepleit over twistpunten ten gronde die werden geviseerd in de brief van 7 juni 2013, zoals de toepasselijke wet, doch niet over twistpunten ten gronde die niet door die brief werden geviseerd, met name de verkoop en de verpanding van de schuldvorderingen. In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, berust het naar ik meen op een onjuiste lezing van het bestreden arrest van 16 juni 2020 en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Op grond van de redengeving in het bestreden arrest die hiervoor werd aangehaald, kon de appelrechter mijns inziens, in het gegeven procesverloop en zonder miskenning van de bewijskracht van de brief van de arbiters van 7 juni 2013, oordelen dat de arbiters het recht van verdediging van de partijen hebben geschonden door in de tweede arbitrale sententie een gedeeltelijk oordeel ten gronde te vellen zonder dat de partijen vooraf ervan op de hoogte waren gesteld dat de pleitzitting van 21 juni 2013 ertoe zou leiden dat reeds ten gronde zou worden geoordeeld over een deel van de aanspraken van de partijen. Ik meen dan ook dat in zoverre het onderdeel niet kan worden aangenomen. Tweede onderdeel. 15. Eiseres voert aan dat uit de samenhang van de artikelen 1694.1, 1694.2, 1694.3 en 1704, 2°,
- g)(oud) Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, volgt dat wanneer partijen over het volledige geschil tegenspraak hebben gevoerd in conclusies, er geen sprake is van een schending van hun “recht om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen”, zoals bedoeld in de artikelen 1694.1 en 1704, 2° g), eerste zinsnede (oud) Gerechtelijk Wetboek. Dat laatste artikel maakt volgens eiseres een onderscheid tussen, enerzijds, de schending die het gevolg is van het feit dat aan de partijen niet de kans is gegeven om tegenspraak te voeren zoals bedoeld in artikel 1694.1 en, anderzijds, de schending die het gevolg is van een miskenning van andere dwingende procedurele bepalingen. Het enkele feit dat partijen hun middelen niet mondeling zouden hebben kunnen toelichten zoals voorgeschreven door artikel 1694.2 en 3 (oud) gerechtelijk Wetboek, maakt, nog steeds volgens eiseres, in dat geval hoogstens een schending uit van “andere dwingende regels van het scheidsrechtelijk geding” zoals bedoeld in artikel 1704, 2°, g), tweede zinsnede (oud) Gerechtelijk Wetboek, die slechts aanleiding geeft tot vernietiging van de arbitrale sententie indien zij een invloed heeft gehad op de beslissing. 16. Krachtens artikel 1704, 2°, g), Gerechtelijk Wetboek kan de arbitrale uitspraak worden vernietigd indien aan de partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen of indien er enige andere dwingend voorgeschreven regel van het scheidsgerechtelijk geding is miskend, voor zover deze miskenning van invloed is geweest op de arbitrale uitspraak. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 1704, 2°, g), van het Gerechtelijk Wetboek twee vernietigingsgronden van een arbitrale uitspraak omvat, waarvan de eerste grond, met name het geval waarbij aan de partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen, een miskenning sanctioneert van het met voormeld artikel 1694, in zijn geheel genomen, gewaarborgde recht van verdediging in een arbitrale procedure. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 1704, 2°, g), van het Gerechtelijk Wetboek met zijn eerste vernietigingsgrond enkel een inbreuk op artikel 1694.1 van het Gerechtelijk Wetboek sanctioneert, en met zijn tweede vernietigingsgrond een inbreuk op de artikelen 1694.2 en 1694.3 van dat wetboek sanctioneert, faalt mijns inziens naar recht. Derde onderdeel. 17. Volgens eiseres kon de appelrechter de arbitrale tussensententie van 4 december 2014 niet algeheel vernietigen, zonder voorafgaandelijk na te gaan of de beslissing betreffende de gevolgen van de overdacht en inpandgeving van schuldvorderingen op het verzekerbaar belang van verweerster, waartegen de nietigheidsgrond gesteund op artikel 1704, 2°,
- g)(oud) Gerechtelijk Wetboek was gericht, al dan niet onlosmakelijk verbonden is met de andere beslissingen. Door toch tot de algehele vernietiging over te gaan, zonder het voormelde voorafgaande nazicht, schendt de appelrechter volgens eiseres artikel 1705 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing. De ontvankelijkheid van het onderdeel. 18. Verweerster voert aan dat het onderdeel nieuw is omdat aan de appelrechter niet werd verzocht om toepassing te maken van artikel 1705 (oud) Gerechtelijk Wetboek. Nochtans stond, nog steeds volgens verweerster, niets eraan in de weg dat eiseres, als verweer op het verzoek tot vernietiging wegens de miskenning van de rechten van verdediging, de toepassing zou vorderen van artikel 1705 (oud) Gerechtelijk Wetboek, derwijze dat de vernietiging beperkt moest worden tot het door de vernietigingsgrond aangetaste gedeelte. 19. Ik meen dat de wetsbepaling van artikel 1705 (oud) Gerechtelijk Wetboek, blijkens de door de appelrechter vastgestelde feiten, door hem diende te worden toegepast om over het geschil uitspraak te doen, zodat ik meen dat het niet nieuw is en de grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel zodoende niet kan worden aangenomen. De gegrondheid van het onderdeel. 20. Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 1705 (oud) Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, blijkt dat de rechter verplicht is om een arbitrale uitspraak slechts ten dele te vernietigen indien het te vernietigen deel van de uitspraak kan worden gescheiden van de andere delen van de uitspraak. Ik meen dat de appelrechter die met het tussenarrest van 16 juni 2020 de tweede arbitrale tussensententie van 4 december 2014 algeheel vernietigt, zonder na te gaan of de beslissing betreffende de gevolgen van de overdracht en de inpandgeving van de schuldvorderingen op het verzekerbaar belang van de verweerster, waartegen de nietigheidsgrond was gericht, al dan niet onlosmakelijk verbonden is met de andere beslissingen, artikel 1705 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek schendt, zodat het onderdeel mij gegrond voorkomt. De omvang van de cassatie – het bestreden eindarrest van 20 oktober 2020. 21. De appelrechter vernietigt met het eindarrest van 20 oktober 2020 de arbitrale eindsententie van 18 februari 2016 in haar geheel, omdat deze onlosmakelijk verbonden is met en steunt op de algeheel vernietigde tweede arbitrale tussensententie van 4 december 2014. De cassatie van het tussenarrest van 16 juni 2020 in zoverre het de tweede arbitrale tussensententie van 4 december 2014 algeheel vernietigt, dient zich naar ik meen dan ook uit te strekken tot het eindarrest van 20 oktober 2020, dat het gevolg ervan is. 21. Ik meen dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Conclusie: Vernietiging van het tussenarrest van 16 juni 2020 in zoverre het de arbitrale tussensententie van 4 december 2014 algeheel vernietigt en vernietiging van het eindarrest van 20 oktober 2020. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230210.1N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div