← België

SLEDERLO YUNUS EMRE DIYANETMOSKEE SOCIA contra J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2023

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie P.22.1582.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijke partijstelling tegen een volksvertegenwoordiger (art. 59 en 120 Grondwet, art. 6.1 EVRM en art. 63 Sv.)”.

  1. Voorgaanden.
  2. Eiseressen in cassatie hebben bij de onderzoeksrechter te Limburg, afd. Tongeren, op 4 november 2021 een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen ‘onbekenden, mogelijks geïdentificeerd als zijnde C.J.’, wegens A) aanranding van de eer of goede naam van personen (art. 443 Sw.) en B) aanzetten tot discriminatie of segregatie jegens een gemeenschap wegens o.a. hun nationaliteit of etnische afstamming (art. 20, 3° Antiracismewet van 30 juli 1981).
  3. Het openbaar ministerie stelde geen gerechtelijk onderzoek in en verzocht de onderzoeksrechter om het strafdossier meteen mee te delen voor eindvordering, om reden dat de inverdenkinggestelde volksvertegenwoordiger is in het Vlaams Parlement en art. 59 Grondwet een burgerlijke partij verbiedt om de strafvordering op gang te brengen tegen een Parlementslid, via een klacht met burgerlijke partijstelling.
  4. Op gelijkluidende vordering van het openbaar ministerie heeft de raadkamer te Limburg, afd. Tongeren, op 24 mei 2022 de onderzoeksrechter ontlast van verder onderzoek, omdat ‘de burgerlijke partijstelling ontoelaatbaar en derhalve onontvankelijk is’.
  5. Op hoger beroep van eiseressen en gelijkluidende vordering van het openbaar ministerie heeft de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) te Antwerpen de bestreden beschikking bevestigd. De K.I. nam aan dat 1°de klacht met burgerlijke partijstelling tegen een volksvertegenwoordiger niet-ontvankelijk is, bij gebrek aan een vordering tot gerechtelijk onderzoek (art. 59 GW); 2°de onmogelijk voor een particulier om de strafvordering in te stellen tegen een parlementslid geen schending uitmaakt van het recht op toegang tot de rechter en 3° eiseressen niet aannemelijk maken dat verweerder in cassatie zou genieten van een feitelijke absolute onschendbaarheid. Ingevolge het incidenteel beroep van verweerder werden eiseressen tot een rechtsplegingsvergoeding veroordeeld.
  6. Het bestreden arrest veroordeelt eiseressen solidair tot de kosten van de strafvordering, begroot op 3,30€. Betreffende dit onderdeel van de bestreden beslissing zijn de cassatieberoepen niet-ontvankelijk, bij gebrek aan betekening ervan aan het openbaar ministerie (art. 427 Sv.)

(1). Voor de overige onderdelen zijn de cassatieberoepen, waarvan het bewijs van betekening tijdig is ingediend ter griffie, ontvankelijk
(2).
  1. De uitsluiting van de klacht met burgerlijke partijstelling.
  2. Eiseressen voeren aan dat de beslissing om de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren indruist tegen hun recht op toegang tot een rechter (art. 6.1 EVRM en art. 47 Handvest Grondrechten EU). Volgens hen is de praktijk van de parlementaire onschendbaarheid zo geëvolueerd dat parlementsleden gedurende de gehele legislatuur onschendbaar zijn en de kans ‘disproportioneel groot’ is dat verweerder nooit voor de aangeklaagde misdrijven kan worden vervolgd, ook omdat heel wat politici een lange parlementaire carrière doorlopen.
  3. Beoordeling. Artikel 58 Grondwet bepaalt: “Geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht”. Voor alle andere strafbare feiten is de strafvordering gericht tegen een volksvertegenwoordiger aan beperkingen onderworpen.
  4. Artikel 59, eerste lid, Grondwet bepaalt dat behalve bij ontdekking op heterdaad, geen lid van één van beide Kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, kan worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of kan worden aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan een lid deel uitmaakt. Volgens artikel 59, vierde lid, Grondwet kan de vervolging in strafzaken van een lid van één van beide Kamers, tijdens de zitting, enkel worden ingesteld door de ambtenaren van het openbaar ministerie en de bevoegde ambtenaren
(3). De regels over parlementaire onschendbaarheid van art. 59 Grondwet, gelden eveneens voor ieder lid van een Gemeenschaps- of Gewestparlement (art. 120 Grondwet). 9. Het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie ten aanzien van volksvertegenwoordigers steunt op een legitiem doel, dit is de werking en onafhankelijkheid van de wetgevende macht
(4). Het Hof stelde hierover: “Parlementaire onschendbaarheid heeft tot doel de uitvoering van gerechtelijke procedures uit te stellen die gegrond zijn op misdrijven die geen verband houden met de normale uitoefening van het parlementair ambt. Het doel van de grondwetgever bestaat erin de normale werking van de parlementaire vergaderingen te verzekeren door hun leden te onttrekken aan arbitraire vervolgingen of aan vervolgingen die met een politieke drijfveer of op bevel van de uitvoerende macht zouden zijn ingeleid”
(5). Verder wordt door de verplichte tussenkomst van het openbaar ministerie inzake de vervolging de volksvertegenwoordiger niet voor elke klacht of elk strafrechtelijk onderzoek blootgesteld aan media-aandacht die gepaard gaat met debatten in de wetgevende vergadering over de al dan niet vervolging voor de aangeklaagde strafbare feiten
(6). 10. Anders dan eiser aanvoert, houden de regels over parlementaire onschendbaarheid geen straffeloosheid in voor volksvertegenwoordigers, wat betreft misdrijven begaan buiten de strikte uitoefening van hun parlementaire functie. Vooreerst kan elke burger die beweert het slachtoffer te zijn van een misdrijf een gewone klacht indienen bij de procureur des Konings of de politiediensten (art. 5bis V.T.Sv.). Er is voor het openbaar ministerie geen voorafgaande toelating nodig van de parlementaire vergadering om tegen één van haar leden een strafrechtelijk onderzoek op te starten. Rekening houdend met bindende vervolgingsrichtlijnen oordeelt de procureur des Konings vrij over de opportuniteit van de vervolging (art. 28quater Sv.). Dit neemt niet weg dat de procureur des Konings verplicht is de strafvordering in te stellen in bepaalde gevallen, als daartoe bevel wordt gegeven door de procureur-generaal (art. 143 Ger.W. en art. 364 Sv.), de Minister van Justitie (art. 364 Sv.) of het hof van beroep, zetelend in verenigde kamers (art. 343 Ger.W.)
(7). Verder is een voorafgaande toelating van de parlementaire vergadering voor het instellen van vervolging niet nodig wanneer het misdrijf op heterdaad is ontdekt
(8)of wanneer de vervolging is ingesteld buiten de parlementaire zittijd (art. 59 Grondwet)
(9). 11. Art. 63 Sv. over de klacht met burgerlijke partijstelling laat een particulier die een persoonlijk en rechtmatig belang heeft toe de strafvordering in te stellen, in afwijking van art. 1 V.T.Sv., dat stelt dat de strafvordering alleen kan worden uitgeoefend door ambtenaren die de wet daarmee belast, dit is in de regel de leden van het openbaar ministerie
(10). De klacht met burgerlijke partijstelling is niet alleen uitgesloten als de verdachte een volksvertegenwoordiger is (art. 59, 120 Gw), maar ook als de verdachte minderjarig is ten tijde van de feiten (artt. 47 en 49 Jeugdbeschermingswet en art. 28 Decr. Vl. 15 februari 2019), titularis is van voorrecht van rechtsmacht (art. 479 Sv.) of een minister of staatssecretaris is (artt. 125 en 126 Gw). 12. Over de verenigbaarheid van art. 59, vierde lid, Grondwet met het recht op toegang tot de rechter, zoals beschermd door art. 6.1 EVRM, nam het Hof aan: “Artikel 6.1 van het Verdrag geeft evenwel de partij die beweert door een misdrijf te zijn benadeeld, niet het recht om zelf de strafvordering op gang te brengen tegen degene die zij beschuldigt. Weliswaar, wanneer een dergelijk recht door de interne rechtsorde van een Lidstaat is bepaald, zijn de waarborgen die door de voormelde verdragsbepaling zijn vastgelegd toepasselijk op de rechtspleging die de benadeelde partij overeenkomstig de interne wetgeving op gang heeft kunnen brengen. Artikel 59 van de Grondwet kent evenwel dit recht niet toe aan het slachtoffer van de misdrijven waarvan het de vervolging regelt. De niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de eiser kan bijgevolg het voormelde artikel 6.1 niet schenden, aangezien dit niet dient om ter zake een rechtspleging te creëren die het intern recht niet kent”
(11). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het m.i. naar recht.
  1. Het recht op toegang tot de rechter.
  2. Eiser werpt op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Tsalkitsiz
(2006)
(12)oordeelde dat een de facto absolute onschendbaarheid van een parlementslid een schending uitmaakt van het recht op toegang tot de rechter. Door het bestreden arrest wordt de klacht met burgerlijke partijstelling opgeschort, tot het moment dat verweerder geen volksvertegenwoordiger meer is. De kans bestaat dan dat als deze klacht (ooit) toelaatbaar is, een strafrechtelijke vervolging niet meer mogelijk is wegens ‘bewijsproblemen’. Deze praktijk van schorsing verhindert de toegang van burgerlijke partijen tot een rechter, in strijd met de artikelen 6.1 EVRM en 47 Handvest Grondrechten Europese Unie. 14. Beoordeling. Een systeem waarbij de vervolging van een volksvertegenwoordiger afhangt van een officiële instantie, nl. het openbaar ministerie, is op zich niet in strijd met art. 6 EVRM. Uit deze fundamentele waarborg vloeit niet voort dat slachtoffers de strafvordering zelf moeten kunnen instellen en verder moeten kunnen uitoefenen, als het openbaar ministerie zich daar niet bij aansluit
(13). Het Europees Hof te Straatsburg neemt wel aan dat als een lidstaat de klacht met burgerlijke partijstelling toelaat, het slachtoffer zijn recht op toegang tot de strafrechter moet kunnen uitoefenen, binnen bepaalde grenzen
(14). Lidstaten mogen het instellen van de strafvordering door benadeelden beperken, afhankelijk maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen, er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel en de wettelijke beperkingen het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern aantasten
(15). 15. Het Kaderbesluit 2012/29 over de minimumrechten van slachtoffers stelt niet dat benadeelden van een misdrijf de strafvordering zelf op gang moeten kunnen brengen, los van een beslissing van de officiële vervolgende instantie
(16). 16. België is één van de weinige landen in Europa waar elke persoon die beweert te zijn benadeeld door een misdrijf de strafvordering op gang kan brengen, zelfs al is er nog geen onderzoek gevoerd door het openbaar ministerie
(17). De benadeelde kan op eigen initiatief de strafvordering instellen door de verdachte rechtstreeks te dagvaarden voor het vonnisgerecht, in geval van overtredingen of wanbedrijven (art. 146 en 182 Sv.), of door een klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen bij de onderzoeksrechter, in geval van wanbedrijven of misdaden (art. 63 Sv.). In beide gevallen dient de strafvordering als drager voor de vordering tot schadevergoeding. De strafrechter kan over de burgerlijke vordering pas uitspraak doen als de strafvordering geldig bij hem geldig is aanhangig gemaakt. Het enkele belang dat de benadeelde zou hebben bij de bestraffing van de verdachte, is hierbij ontoereikend
(18). Behoudens wettelijke uitzonderingen, dient de benadeelde een rechtstreeks en persoonlijk belang te hebben om via een klacht met burgerlijke partijstelling of rechtstreekse dagvaarding de strafvordering in te stellen, met zijn burgerlijke vordering als aanhangsel
(19). Daarnaast kan de benadeelde van een misdrijf in alle gevallen zijn vordering tot schadevergoeding indienen bij de burgerlijke rechter (art. 3 en 4.V.T.Sv.). 17. Mij komt voor dat eiser met deze burgerlijke afhandeling van de zaak geen of onvoldoende rekening hield, wat betreft de toepassing van het recht op toegang tot de rechter (art. 6.1 EVRM) ten aanzien van een verdachte die, onder bepaalde voorwaarden, tijdelijk strafrechtelijke immuniteit geniet. De burgerlijke rechter heeft net als de strafrechter dezelfde en volle bevoegdheid om de gegrondheid van de burgerlijke vordering te beoordelen, overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 oud BW. Dr. Raf VERSTRAETEN stelt hierover terecht: “Het recht op toegang tot een rechter impliceert dat voor de vergoeding van de schade op een rechter een beroep moet kunnen worden gedaan, doch dit moet niet noodzakelijk een strafrechter zijn. Dit verklaart dat België perfect de burgerlijke partijstelling kan uitsluiten, wanneer sprake is van het regime van voorrecht van rechtsmacht”
(20). 18. Het Europees Hof oordeelde in de zaak Dimitras
(2018)dat als de klacht van een benadeelde tegen een volksvertegenwoordiger niet tot een strafprocedure kan leiden, bij gebrek aan toestemming van het parlement om de strafvordering voort te zetten, de benadeelde een effectieve toegang moet hebben tot de burgerlijke rechter
(21). Daarbij komt dat in beide procedures de bewijslast voor de fout, de schade en het oorzakelijk verband bij de burgerlijke partij ligt (art. 870 Ger. W.). Het enige verschil is dat in een strafprocedure de bewijslast voor de fout, het overtreden van de strafwet, in de eerste plaats bij het openbaar ministerie rust
(22). 19. Het door eiseressen aangehaalde ‘bewijsprobleem’ moet eveneens worden genuanceerd. Een klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.) tegen een volksvertegenwoordiger zonder bijkomende vordering tot gerechtelijk onderzoek door het openbaar ministerie (art. 47 Sv.) belet alleen dat een strafproces ten gronde wordt gevoerd tegen de volksvertegenwoordiger. Het openbaar ministerie kan (steeds) een opsporingsonderzoek voeren naar het aangeklaagde misdrijf of een gerechtelijk onderzoek instellen, om voor en tegen de volksvertegenwoordiger de nodige bewijzen te verzamelen
(23). Deze bewijzen kunnen dan aan de strafrechter worden voorgelegd van zodra er conform art. 59 Grondwet geen reden meer is om de strafvordering te schorsen. Ook buiten de situatie van heterdaad is er voor de opening van een gerechtelijk onderzoek geen toestemming van de wetgevende vergadering vereist
(24). 20. Daarbij komt dat de benadeelde van het misdrijf ongehinderd zelf bewijs kan verzamelen en meteen kan voorleggen aan de burgerlijke rechter, als hij kiest voor de burgerlijke rechtspleging. Wanneer een stuk in het bezit is van de tegenpartij of een derde, kan de burgerlijke rechter daarvan de overlegging bevelen (art. 877 Ger.W.)
(25). Er komt onder toezicht van de burgerlijke rechter ook bewijs tot stand door getuigen (artt. 915-961 Ger.W.) en deskundigen (artt. 962-991 Ger.W.). De beperkende voorwaarden van art. 59 Grondwet houden dus niet (steeds) een risico op het teloorgaan van bewijsgegevens à charge, nodig voor de beoordeling van de gegrondheid van de burgerlijke vordering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 21. Verder vloeit uit art. 6 EVRM niet voort dat de strafvordering tegen een volksvertegenwoordiger, ingesteld door het openbaar ministerie na klacht van een burgerlijke partij, in alle gevallen mogelijk moet zijn. In de door eiseressen aangehaalde zaak Tsalkitsiz
(2006)gaf het Europees Hof te Straatsburg (EHRM) aan dat de schorsing van elke strafvervolging tegen een parlementslid, op vraag van het openbaar ministerie, zou leiden tot een aanzienlijk tijdsverloop tussen de feiten en de strafvordering, waardoor het recht van de benadeelde op toegang tot de rechter in het gedrang komt, aangezien het parlementair mandaat meermaals kan worden hernieuwd (§ 50-51)
(26). Het EHRM merkte op dat de feiten dateerden van vóór de verkiezing van de verdachte tot volksvertegenwoordiger en aldus geen verband hielden met de uitoefening van de parlementaire functie (§ 48). Het verschil met de zaak van eiseressen is dat in de zaak Tsalkitisz het openbaar ministerie (de procureur van Athene) aan het parlement de opheffing vroeg van de onschendbaarheid van de verdachte en dus van mening was dat de strafprocedure op klacht van de benadeelden moest worden voortgezet (§ 9-10). 22. In de zaak Kart
(2009), van een volksvertegenwoordiger die zelf de opheffing vroeg van zijn onschendbaarheid, nam de Grote Kamer van het EHRM een minder verregaand standpunt in
(27). Vooreerst benadrukt het EHRM dat de parlementaire onschendbaarheid nodig is om de integriteit en de werking van het parlement te waarborgen (§ 91 en § 112) en dat deze onschendbaarheid niet absoluut is, voor feiten die losstaan van handelingen in het parlement. De onschendbaarheid is in tijd beperkt en kan op elk moment worden opgeheven door het parlement. Bovendien geldt de onschendbaarheid (in Turkije) niet voor misdrijven die op heterdaad zijn ontdekt of voor misdrijven tegen de staatsveiligheid. Tenslotte is de onschendbaarheid geen obstakel voor burgerlijke procedures tegen het parlementslid (§ 98). De weigering om de onschendbaarheid op te heffen hield in de zaak Kart geen onevenredige beperking in van het recht op toegang tot de rechter. De klacht op basis van art. 6.1 EVRM werd verworpen. Het EHRM stelt dat het recht om in strafzaken een uitspraak ten gronde te bekomen niet absoluut is, in het bijzonder wanneer een schorsing van de strafprocedure (wegens de weigering de onschendbaarheid op te heffen) de rechten van partijen niet onherstelbaar aantast (§ 113). 23. In de zaak Syngelidis
(2010)over een volksvertegenwoordiger tegen wie een klacht was ingediend wegens niet-afgifte van kinderen, werd de weigering van het Griekse parlement om de onschendbaarheid op te heffen in strijd geacht met art. 6.1 EVRM, omdat deze beslissing niet was gemotiveerd, geen concrete afweging inhield van het algemeen belang tegen het belang van de benadeelde. Ook in deze zaak werd de vervolging ingesteld door het openbaar ministerie. Het EHRM nam niet aan dat de benadeelde zelf de strafvordering moet kunnen instellen tegen een volksvertegenwoordiger, voor strafbare feiten begaan buiten de uitoefening van zijn parlementair mandaat
(28). 24. In de zaak Dimitras
(2018), waarin de benadeelde klacht had ingediend tegen de weigering van het openbaar ministerie om de zaak tegen een parlementslid te vervolgen, nam het EHRM aan dat de vereiste van een machtiging van het parlement voor de voortgang van de strafprocedure tegen een parlementslid niet per se in strijd is met art. 6.1 EVRM, wat betreft het recht op toegang tot de rechter van de benadeelde (§ 43)
(29). Het EHRM verwees daarbij naar de mogelijkheid van de benadeelde om zijn eis tot schadevergoeding in te dienen bij de burgerlijke rechter, als passend en effectief rechtsmiddel (§ 46.)
  1. Ik ben van mening dat het bestreden arrest terecht aanneemt dat de onmogelijkheid om door middel van een klacht met burgerlijke partijstelling de strafvordering in te stellen tegen een volksvertegenwoordiger geen schending inhoudt van het recht op toegang tot de rechter van eiseressen in cassatie, om redenen dat 1°zij niet aannemelijk maken dat er sprake zou zijn van een de facto absolute onschendbaarheid van verweerder (blz. 11) en 2° zij zich (ook) kunnen wenden tot de burgerlijke rechter, die een volle bevoegdheid heeft om uitspraak te doen over hun burgerlijke vordering, temeer daar in alle gevallen de benadeelden van het misdrijf de bewijslast dragen voor de gegrondheid van hun burgerlijke vordering (blz. 10, met verwijzing naar de vordering OM, blz. 8).
  2. Het bestreden arrest lijkt mij met deze redenen naar recht verantwoord. De artikelen 3, 4 en 5 V.T.Sv. houden voor benadeelden van een misdrijf immers geen verplichting in om hun eis tot schadevergoeding te koppelen aan strafrechtelijke vervolging, door zelf de strafvordering op gang te brengen of zich aan te sluiten bij de strafvordering uitgeoefend door het openbaar ministerie. Het stopzetten van de strafvordering op basis van art. 59, vierde lid, Gw. vormt voor de burgerlijke rechter geen beletsel om op initiatief van eiseressen de eis tot schadevergoeding te beoordelen. Bovendien betekent het onontvankelijk verklaren van de klacht met burgerlijke partijstelling niet dat het openbaar ministerie zijn bevoegdheid zou verliezen om zelf nog onderzoek te voeren naar de aangeklaagde feiten of om een gerechtelijk onderzoek in te stellen en zo nodig de opheffing te vragen van de parlementaire onschendbaarheid van verweerder
(30). In zoverre kan het middel gesteund op art. 6.1 EVRM niet worden aangenomen. 27. Tenslotte lijkt mij er geen reden te zijn om de redenen van het bestreden arrest te toetsen aan art. 47 Handvest Grondrechten EU. Krachtens artikel 51 Handvest Grondrechten Europese Unie zijn de bepalingen van dit handvest gericht tot de Lidstaten uitsluitend van toepassing wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Bijgevolg geldt de verplichting om de grondrechten te eerbiedigen zoals ze in het kader van het Handvest Grondrechten Europese Unie zijn omschreven, enkel indien de lidstaten het communautair recht toepassen
(31), wat in deze zaak m.i. niet het geval is. In zoverre faalt het middel naar recht. Besluit. Het middel kan niet leiden tot cassatie en er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Verwerping. ______________________________________
(1)Cass. 10 december 2019, AR P.19.0795.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.4, AC 2019, nr. 656; F. VAN VOLSEM, “Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis te brengen”, NC 2017, 417-420.
(2)Cass. 8 november 2017, AR P.17.0455.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171108.1, AC 2017, nr. 621, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.
(3)R. HAYOIT DE TERMICOURT, “De parlementaire immuniteit”, RW 1955-56, 49-76; M. VERDUSSEN, Contours et enjeux du droit constitutionnel pénal, Bruylant 1995, 591-627; K. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 154-156; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 77-80; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 71-74; T. DECAIGNY, noot onder Cass. 11 juni 2013, T. Strafr. 2013, 259; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 41-42; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 36-37; M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY et D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 194-195 en 1947-1948; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 845-848.
(4)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 846. Zie ook HvJ 19 december 2019, Oriol Jonqueras Vies, C-502/19, § 77-78, www.curia.europa.eu, wat betreft de ondschendbaarheid van Europese parlementsleden.
(5)Cass. 11 december 2018, AR P.19.0888.F, AC 2018, nr. 660, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191211.3. In dezelfde zin Cass. 14 april 2021, AR P.20.1060.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210414.2F.7, AC 2021, nr. 269, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210414.2F.7 en Cass. 22 september 2021, AR P.21.0681.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210922.2F.8, AC 2021, nr. 581, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. “La victime d’une infraction imputée à un parlementaire n’a pas le pouvoir de mettre l’action publique en mouvement à sa charge” (vrij vertaald: het slachtoffer van een misdrijf dat aan een volksvertegenwoordiger wordt toegeschreven heeft niet de bevoegdheid om de strafvordering tegen deze persoon op gang te brengen), zie ook EHRM 20 december 2022, Bakoyanni t/Griekenland, §63, www.echr.coe.int.
(6)K. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 156.
(7)Over deze gevallen van ‘injunctierecht’ zie J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, 72-88; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 39-40.
(8)Over de voorwaarden van heterdaad (art. 59 Gw) zie Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0118.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.6, AC 2013, nr. 351, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal, NC 2014, 43, T. Strafr. 2013, 257 noot T. DECAIGNY.
(9)Cass. 17 december 1991, AR 6159, AC 1991-92, nr. 208, RDPC 1992, 869. Zie ook K. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 155; M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY et D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1949; K. MUYLLE, “Rechtbank verwerpt rechtstreekse dagvaarding van parlementslid buiten de zitting”, De Juristenkrant, 23 februari 2022, 3.
(10)Over het belang vereist bij de klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.) zie o.a. Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14, AC 2021, nr. 187, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14; Cass. 21 april 2020, AR P.19.1274.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1, AC 2020, nr. 239, NC 2020, 476; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N, AC 2018, nr. 128; Cass. 20 januari 2015, AR P.14.1276.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6, AC 2015, nr. 49; S. VAN OVERBEKE, “Strafrechtelijke gevolgen van een onontvankelijke burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter”, RW 2008-09, 1458-1465; F. VAN VOLSEM, “De fiscale administratie als burgerlijke partij voor de strafgerechten: een poging tot synthese”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 573-575; F. DERUYCK, “De burgerlijke vordering voor de strafrechter: een status quaestionis aan de hand van de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in CBR Jaarboek 2010-11, Intersentia 2011, 385-387; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 220-222; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 201-211; S. VERHELST, De rol van het slachtoffer in het straf(proces)recht, Intersentia 2013, 205-207; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1239-1248; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 291-294; J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia4 2017, 197-206; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2019, 303-307. Over art. 1 V.T.Sv. zie J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, 94-103.
(11)Cass. 22 november 2006, AR P.06.1173.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.3, AC 2006, nr. 591. In dezelfde zin Cass. 24 maart 2010, AR P.10.0068.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.6, AC 2010, nr. 212; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 292; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 72.
(12)EHRM 16 december 2006, Tsalkitisz t/Griekenland, § 48-51, www.echr.coe.int.
(13)EHRM 20 december 2022, Bakoyanni t/Griekenland, § 64-66; EHRM 11 februari 2010, Syngelidis t/Griekenland, § 27-28, www.echr.coe.int; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2006, Vol. 1, 139; R. VERSTRAETEN, “De houdbaarheidsdatum van de burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011,
  1. Over het recht op toegang tot de rechter (art. 6.1 EVRM) zie alg. L. FAVOURE (e.a.), Droit des libertés fondamentales, Parijs, Dalloz, 2002, 405-406; B. DE SMET, J. LATHOUWERS en K. RIMANQUE, “Artikel
  2. Recht op een eerlijk proces”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 483-188; F. KUTY, o.c., 2006, Vol. 1, 127-180; F. SUDRE, Droit européen et international des droits de l’homme, Parijs, PUF, 2012, 411-433.
(14)EHRM 1 februari 2005, Quemar t/Frankrijk; EHRM 12 februari 2004, Perez t/Frankrijk; www.echr.coe.int; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2006, Vol. 1, 142.
(15)EHRM 20 december 2022, Bakoyanni t/Griekenland, § 57-59; EHRM 16 maart 2021, Hussein e.a. tegen België, § 64-70; EHRM 15 maart 2018, Naït-Liman t/Zwitserland, § 113-116; EHRM 23 juni 2016, Baka t/Hongarije, § 120; EHRM 2 december 2014, Urechean en Pavlicenco t/Moldavië, § 39; EHRM 11 februari 2010, Syngelidis t/Griekenland, § 40; § 47-57; EHRM 3 december 2009, Kart t/Turkije, § 79, EHRM 15 juli 2003, Ernst t/België, § 47-57; EHRM 28 oktober 1998, Aït-Mouhoub t/Frankrijk, § 52, www.echr.coe.int.
(16)EU-Richtlijn 2012/29 van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, PB van 14 november 2002, www.eur-lex.europa.eu.
(17)R. VERSTRAETEN, “De houdbaarheidsdatum van de burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 961-977; R. VERSTRAETEN (e.a.), De burgerlijke partijstelling: analyse en toekomstperspectief, Intersentia 2012, p.
  1. Voor een rechtsvergelijkend overzicht zie C. VAN DEN WYNGAERT (ed.), Criminal procedure systems in the European Community, Londen, Butterworths 1993,
  2. In Frankrijk is de klacht met burgerlijke partijstelling alleen ontvankelijk als de benadeelde zijn klacht vooraf had ingediend bij het openbaar ministerie en er na drie maanden nog geen vervolgingsbeslissing is genomen of als de zaak binnen die tijd is geseponeerd (art. 85 Code de Procédure Pénale, gew. door art. 53 Loi 22 maart 2019, JORF 24 maart 2019, www.legifrance.gouv.fr). In Duitsland is het openbaar ministerie in beginsel verplicht de strafvervolging in te stellen (Legalitätsgrundsatz, § 152-153 StPO) en kan de benadeelde zich als partij bij de vervolging aansluiten (Nebenklage, § 395 StPO). Alleen voor een beperkt aantal misdrijven kan de benadeelde de zaak zelf voor de strafrechter brengen (Privatklage, § 374 StPO, www.gesetze-im-internet.de/stpo). In Nederland beslist het openbaar ministerie (OvJ) over de strafvordering, met mogelijkheid van een rechtsmiddel van de benadeelde tegen een sepot (art. 12, 167 en 243 N.Sv., www.wetten.overheid.nl).
(18)Cass. 27 maart 2001, AR P.99.0983.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010327.10, AC 2001, nr. 165.
(19)Over het vereiste belang van de benadeelde als vervolgende partij zie o.a. Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14, AC 2021, nr. 187, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14; Cass. 21 april 2020, AR P.19.1274.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1, AC 2020, nr. 239, NC 2020, 476; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N, AC 2018, nr. 128, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5; R. VERSTRAETEN, “De houdbaarheidsdatum van de burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 963, met verwijzing naar EHRM 29 oktober 1991, Helmers t/Zweden; EHRM Anagnostopoulos t/Griekenland; EHRM 12 februari 2004, Perez t/Frankrijk; EHRM 1 februari 2005, Quemar t/Frankrijk; EHRM 1 mei 2005, Frangy t/Frankrijk; EHRM 16 november 2006, Tsalkitzis t/Griekenland, www.echr.coe.int.
(20)R. VERSTRAETEN, “De houdbaarheidsdatum van de burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 963, met verwijzing naar EHRM 15 juli 2003, Ernst t/België, www.echr.coe.int.
(21)EHRM 19 april 2018, Dimitras t/Griekenland, §41, www.echr.coe.int.
(22)Het gaat hierbij om een volle bewijslast, gelet op het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM), zie o.a. Cass. 1 maart 2022, P.21.1303.N, AC 2022, nr. 156, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10; Cass. 30 juni 2020, P.20.0632.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.21, AC 2020, nr. 462; Cass. 14 mei 2019, P.19.0225.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.1, AC 2019, nr. 284; P. DUINSLAEGER, “Het vermoeden van onschuld”, RW 2017-18, 688-689; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1317-1319.
(23)M. VERDUSSEN, Contours et enjeux du droit constitutionnel pénal, Bruylant 1995, 602; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 72.
(24)E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 63 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 292; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 79; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 72; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1953-1954; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 847.
(25)Over art. 877 Ger.W. zie o.a. Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N, AC 2020, nr. 733, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6.
(26)EHRM 16 november 2006, Tsalkitisz t/Griekenland, www.echr.coe.int; K. MUYLLE en J. VAN NIEUWENHOVE, “Kroniek Parlementair Recht. Weigering parlementaire onschendbaarheid op te heffen in strijd met art. 6 EVRM”, Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiek recht (TBP), Kluwer 2007, 114-115.
(27)EHRM (Grote Kamer) 3 december 2009, Kart t/Turkije, www.echr-coe.int; K. MUYLLE, “Kroniek Parlementair Recht. Weigering parlementaire onschendbaarheid op te heffen in strijd met art. 6 EVRM?”, Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiek recht (TBP), Kluwer 2010, 214-215.
(28)EHRM 11 februari 2010, Syngelidis t/Griekenland, § 27-30, www.echr.coe.int Ook in de zaak EHRM 20 december 2020, Bakoyanni t/Griekenland, www.echr.coe.int heeft het openbaar ministerie toelating tot vervolging gevraagd aan het parlement.
(29)EHRM 19 april 2018, Dimitras t/Griekenland, www.echr.coe.int.
(30)Cass. 15 mei 2007, AR P.07.0047.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3, AC 2007, nr. 250, RW 2008-09, 1466 noot S. VAN OVERBEKE, “Strafprocesrechtelijke gevolgen van een onontvankelijke burgerlijke-partijstelling bij de onderzoeksrechter” (1458-1464, p.1464); zie ook Cass. 4 mei 2021, AR P.20.1325.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.7, AC 2020, nr. 318, met concl. OM, RW 2021-22, 903; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 925.
(31)Cass. 9 november 2021, AR P.21.1008.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10, AC 2021, nr. 713; Cass. 20 oktober 2020, AR P.20.0604.N, AC 2020, nr. 646, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.5; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.0261.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3, AC 2017, nr. 139; Cass. 23 december 2015, AR P.15.1596.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.4, AC 2015, nr. 781, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. Over art. 51 EU-Handvest Grondrechten zie P. PICOD, “Art.
  1. Champ d’application”, in Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne, Bruylant 2018, 1059-
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010327.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171108.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191211.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.21 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210414.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210922.2F.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210414.2F.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.