← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.12 Rolnummer: P.23.0174.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-22 Raadplegingen: 771 - laatst gezien 2026-06-17 23:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12 Fiches 1 - 2 Indien tegen een veroordeelde nieuwe veroordelingen worden uitgesproken die de naleving van de bijzondere voorwaarden onmogelijk maken, is de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van art. 64, 3° Wet Strafuitvoering slechts mogelijk indien de feiten waartoe die nieuwe veroordelingen aanleiding hebben gegeven, werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling; indien de feiten waarvoor de nieuwe veroordelingen werden uitgesproken evenwel dateren van voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, is een herroeping op grond van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering niet mogelijk, ook niet als die feiten werden gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan een voorheen toegekende strafuitvoeringsmodaliteit

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 De herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling is volgens artikel 64, 7°, Wet Strafuitvoering mogelijk indien de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt; het staat in dat geval aan de strafuitvoeringsrechtbank bij wie een vordering tot herroeping van die strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is en die is gegrond op nieuwe veroordelingen wegens feiten daterend van voor de aan die strafuitvoeringsmodaliteit verbonden proeftijd, te onderzoeken of de veroordeelde nog aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor de strafuitvoeringsmodaliteit waarvan de herroeping wordt gevorderd
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 7° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de conclusie P.23.0174.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) wegens een nieuw misdrijf begaan tijdens de vorige modaliteit van elektronisch toezicht en het nazicht naar de tijdsvoorwaarden van de VI (art. 25, 64 en 68 Wet Strafuitvoering)” 1. Uit de stukken blijkt dat eiser op 26 september 2022 de modaliteit van strafuitvoering van voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) bekwam
(1), tijdens de uitvoering van drie veroordelingen, en op 23 december 2022 terug werd opgesloten wegens de uitvoering van twee bijkomende veroordelingen (na cassatieberoep en afstand van hoger beroep)
(2).
  1. Aan de modaliteit van voorwaardelijke invrijheidstelling gingen deze van de beperkte detentie en nadien het elektronisch toezicht vooraf (beiden toegestaan in 2021), nadat een eerder elektronisch toezicht in augustus 2019 werd herroepen wegens gebrek aan medewerking met de justitie-assistent.
  2. Het bestreden vonnis herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens een strafbare gedraging van tijdens het elektronisch toezicht
(3)en bepaalt de strafrestant op 1436 dagen.
  1. De beslissing steunt op artikel 64, 3° Wet Strafuitvoering van 17 mei 2006, dat bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) op vordering van het OM een modaliteit kan herroepen wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd.
  2. De vraag rijst of deze VI-herroeping mogelijk is als de veroordeelde de opgelegde voorwaarden niet kan naleven, omdat hij inmiddels is opgesloten op grond van een andere titel. Het bestreden vonnis stelt dat de aparte, bijkomende strafuitvoering het eiser onmogelijk maakt de bijzondere VI-voorwaarden na te leven, en deze toestand te wijten is aan zijn foutief gedrag. Hierdoor ontstaat volgens het vonnis een ‘coherente strafuitvoering’, met bundeling van alle straffen (namelijk de vijf uitvoerbare titels).
  3. Mij komt voor dat in deze hypothese de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling slechts mogelijk is als het misdrijf waarop de nieuwe en uitvoerbare veroordeling steunt werd gepleegd tijdens de proeftijd verbonden aan de VI zelf, daar de gronden tot herroeping strikt te interpreteren zijn. Het Hof leidde uit artikel 64 Wet Strafuitvoering, punt 1 tot en met 6, reeds af dat “alleen wangedrag van de veroordeelde tijdens de proeftermijn een herroepingsgrond kan opleveren”
(4).
  1. Dateert dat bijkomend misdrijf van vóór de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) als specifieke modaliteit, dan is een herroeping op basis van artikel 64, 3° Wet Strafuitvoering niet mogelijk, zelfs als op het moment van dat misdrijf een eerdere modaliteit gold (in dit geval het elektronisch toezicht).
  2. Het feit dat het vonnis (van 23 december 2021) dat het elektronisch toezicht toestond als voorwaarde bevatte ‘geen strafbare feiten plegen’ (art. 55, 1° Wet Strafuitvoering) lijkt mij voor toepassing van vermeld art. 64, 3° over de bijzondere VI-voorwaarden niet tot een ander besluit te leiden, omdat 1°deze modaliteit niet meer gold op moment van het bestreden vonnis (en dus niet kan worden herroepen) en 2° de eis ’geen strafbare feiten’ een algemene voorwaarde is van de modaliteit. Het eerste middel (over art. 64, 3° Wet Strafuitvoering) is in zoverre gegrond.
  3. Is de nieuwe veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf definitief, omdat de termijnen voor rechtsmiddelen zijn verstreken of de rechtsmiddelen zijn uitgeput, dan wordt zij onmiddellijk uitgevoerd, samen met de vorige titels van de strafuitvoering en de eraan verbonden voorwaardelijke invrijheidstelling. Er wordt voor de uitvoering van bijkomende straffen dus niet gewacht tot het einde van de voorwaardelijke invrijheidstelling, bij niet-herroeping, of tot het einde van de strafrestant bepaald bij herroeping van deze modaliteit van strafuitvoering.
  4. Door deze gelijktijdige uitvoering van meerdere titels van gevangenisstraffen kan er aan een lopende voorwaardelijke invrijheidstelling (op basis van de eerste veroordelingen) een einde komen.
  5. Advocaat-generaal Damien VANDERMEERSCH stelt dat wanneer de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten wegens een definitieve veroordeling van na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, er aan die modaliteit een einde komt louter door de tenuitvoerlegging van deze nieuwe veroordeling tot een effectieve vrijheidsstraf, zij het dat in de beperkte gevallen van art. 64 Wet Strafuitvoering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is, waardoor er nog een strafrestant van de vorige titel blijft bestaan
(5).
  1. De tenuitvoerlegging van nieuwe veroordelingen zorgt alleszins voor een nazicht en herberekening van tijdsvoorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die zelfs een herroeping van deze modaliteit van strafuitvoering kan teweegbrengen.
  2. In een zaak over artikel 64, 1° Wet Strafuitvoering (de situatie van een definitieve veroordeling wegens een misdaad of wanbedrijf begaan tijdens de proeftermijn), gaf het Hof in 2009 aan dat een strafuitvoeringsmodaliteit “niet meer kan worden nageleefd als de wettelijke tijdsvoorwaarden niet meer voorhanden zijn”
(6)en dat de strafuitvoeringsrechtbank desgevallend moet vaststellen dat de toegekende modaliteit niet meer kan worden nageleefd
(7). 14. Ondertussen bepaalt artikel 64, 7° Wet Strafuitvoering (toegevoegd door art. 166 Wet 5 februari 2016, BS 19 februari 2016) dat herroeping van een modaliteit van strafuitvoering mogelijk is als de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden bevindt voor die modaliteit. Deze situatie kan ontstaan door de opsluiting van de veroordeelde die de modaliteit van voorwaardelijke invrijheidstelling genoot, wegens de uitvoering van een nieuwe straf voor bijkomende feiten
(8). Van belang is dan ook dat de strafuitvoeringsrechtbank klaarheid schept over deze tijdsvoorwaarden. 15. Advocaat-generaal Damien VANDERMEERSCH stelt dat in geval van herroeping de datum van toelaatbaarheid voor een nieuwe voorwaardelijke invrijheidstelling wordt berekend op basis van het geheel van de straffen, dit is de som van de nieuw uitgesproken vrijheidsstraf en het resterend deel van de deels uitgevoerde gevangenisstraf, waarbij de strafuitvoeringsrechtbank dit deel (strafrestant) bepaalt conform art. 68, § 5 Wet Strafuitvoering
(9). Ook bij niet-herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) na een nieuwe opsluiting hangt de datum waarop een nieuwe VI mogelijk is volgens hem af van het geheel van de straffen, door de nieuwe vrijheidsstraf op te tellen bij het overblijvende gedeelte van de straffen die nog te ondergaan zijn op het ogenblik waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling is afgelopen
(10).
  1. Telkens het OM de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling vordert, moet de strafuitvoeringsrechtbank nagaan welke daarvan de tijdsvoorwaarden zijn. Dit is niet anders als de veroordeelde de modaliteit van elektronisch toezicht en daarna deze van VI bekwam, en er tijdens de VI een nieuwe en definitieve veroordeling is uitgesproken voor een misdrijf gepleegd tijdens het elektronisch toezicht.
  2. De tijdsvoorwaarden zijn vervat in artikel 25 Wet Strafuitvoering en hangen voor correctionele veroordelingen af van de duur van het uitvoerbaar gedeelte van de straf (meer of minder dan drie jaar effectief) en de straf die de veroordeelde minstens moet ondergaan om voorwaardelijke invrijheidstelling te kunnen bekomen, dit is één derde of twee derde
(11). Als na uitvoering van bijkomende gevangenisstraffen blijkt dat de nieuwe datum voor voorwaardelijke invrijheidstelling (voor het geheel) nog niet is bereikt tijdens de lopende voorwaardelijke invrijheidstelling (op basis van eerdere veroordelingen), is er reden tot herroeping van deze modaliteit op grond van art. 64, 7° Wet Strafuitvoering.
  1. Hoewel de stukken een recente detentiefiche bevatten (met daarop de nieuwe veroordelingen + het aangekruiste vakje ‘actif’), stelt het vonnis: “In de huidige stand van het dossier is de rechtbank niet bevoegd met betrekking tot die nieuwe strafuitvoering, zodat de rechtbank op huidig moment geen standpunt kan innemen met betrekking tot de tijdsvoorwaarden wanneer er één coherente strafuitvoering zou komen, inclusief de strafuitvoering van de nieuwe veroordelingen”. Ook op dit punt lijkt mij het vonnis niet naar recht verantwoord, gelet op vermeld artikel 64, 7° Wet Strafuitvoering. Het eerste middel is in zoverre (ook) gegrond.
  2. Het tweede en derde middel (beiden over art. 68 Wet Strafuitvoering) over het tegelijk uitvoeren van alle straffen en het bepalen van de datum voor een nieuw verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling, behoeven geen verder antwoord. Cassatie met verwijzing van de zaak. _____________________________________
(1)Volgens eiser is het strafeinde voor de eerste drie veroordelingen bepaald op 18 december 2026 en was hij in de tijdsvoorwaarden voor elektronisch toezicht vanaf 27 mei 2019 en voor voorwaardelijke invrijheidstelling vanaf 23 november 2019.
(2)De strafuitvoeringsrechtbank stelt hierover, op basis van de detentiefiche, dat eiser voor de strafuitvoering van de bijkomende veroordelingen pas in aanmerking komt voor de modaliteiten van beperkte detentie of elektronisch toezicht op 23 december 2023.
(3)Uit de stukken blijkt dat de vijfde veroordeling (Corr. Rb. Antwerpen van 10 juni 2022, een gevangenisstraf van drie jaar, een veroordeling die definitief werd wegens de afstand van hoger beroep van 7 december 2022, dit is na de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in het kader van de eerste drie veroordelingen) feiten betreft begaan in de periode februari 2017-maart 2020 (dit is tijdens de eerdere modaliteit van elektronisch toezicht, maar voor de lopende modaliteit van VI, toegekend in 2022).
(4)Cass. 2 januari 2008, AR P.07.1812.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080102.3, AC 2008, nr. 1 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RDPC 2008, 592, T. Strafr. 2008, 275; Cass. 12 oktober 2010, AR P.10.1516.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.6, AC 2010, nr. 592 (wat betreft art. 64, 1° Wet Strafuitvoering). Over art. 64 Wet Strafuitvoering, over de herroeping van een modaliteit strafuitvoering, zoals de voorwaardelijke invrijheidstelling, zie M. DE RUE, “Le statut juridique externe des détenus”, in L’exécution des peines, Die Keure, 2006, 327-328, Y. VAN DEN BERGHE, “De externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de werking van de strafuitvoeringsrechtbank”, in Recente ontwikkelingen in het strafrecht, Larcier, 2008, 185-187; L. DELBROUCK en V. GOVAERTS, “Herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit. No jumping the gun…”, T. Strafr. 2016, 167-169; L. BREULS, “Motivering van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling: (stil)zwijgen is goud?”, T. Strafr. 2017,, 30-32; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2018, 410-411; M.-A. BEERNAERT, Manuel de droit pénitentiaire, Anthemis, 2019, 334-343; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2022, 581-582.
(5)Concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. in de zaak Cass. 2 januari 2008, AR P.07.1812.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080102.3, AC 2008, nr. 1. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat op moment van deze zaak van 2008 de gronden van herroeping van de VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING vermeld in art. 64, 7° en 8° Wet Strafuitvoering nog niet bestonden.
(6)Cass. 12 oktober 2010, AR P.10.1516.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.6, AC 2010, nr. 592; Cass. 27 juli 2010, AR P.10.1166.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 10 februari 2009, AR P.09.0067.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.12, AC 2009, nr.
  1. L. DELBROUCK en V. GOVAERTS, “Herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit. No jumping the gun…”, T. Strafr. 2016,
  2. Over de toepassing van art. 64, 1° Wet Strafuitvoering zie Cass. 29 juli 2020, AR P.20.0727.F, AC 2020, nr. 472 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200729.VAC.3.
(7)Cass. 10 februari 2009, AR P.09.0067.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.12, AC 2009, nr. 110.
(8)De wetgever stelde hierover: “De toevoeging onder 7° komt tegemoet aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie die in haar arrest van 10 februari 2009 oordeelde dat, zelfs indien het door de wet niet uitdrukkelijk bepaald is als grond voor herroeping, de strafuitvoeringsrechtbank de wettelijke onmogelijkheid tot het naleven van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit moet vaststellen en de modaliteit moet herroepen, wanneer de veroordeelde zich niet meer in de wettelijke tijdsvoorwaarden bevindt, meestal door de tenuitvoerlegging van een nieuwe straf of door de toepassing van een nieuw aanhoudingsmandaat. De rechtszekerheid vereist dat een dergelijke grond tot herroeping wettelijk verankerd wordt” (Wetsontwerp van 23 oktober 2015 houdende wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Doc 54-1418/001, p. 137, www.dekamer.be); T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2018, 411 en P. LOTHE, “Les modifications apportées à la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnés à une preine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine: amélioration ou durcissement?”, in La réforme ‘Pot-Pourri II’ en droit pénal et en procédure pénale, Anthemis, 2016, 158-159. P. LOTHE geeft het volgende voorbeeld: een veroordeelde bekomt VI na 2 jaar uitvoering van een gevangenisstraf van 6 jaar, tijdens de proeftijd van de VI wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor feiten begaan vóór de toekenning van de VI. De nieuwe datum voor de toelaatbaarheid van de VI moet dan worden berekend in functie van een termijn van 9 jaar, wat betekent dat hij na één derde in aanmerking komt voor VI, dit is na drie jaar (uitgezeten) gevangenisstraf, zodat op vordering van het OM de strafuitvoeringsrechtbank tot herroeping van de VI is verplicht wegens niet-naleving van de tijdsvoorwaarden VI, art. 64, 7° Wet Strafuitvoering (P. LOTHE, o.c., 159).
(9)Concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. in de zaak Cass. 2 januari 2008, AR P.07.1812.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080102.3, AC 2008, nr. 1. Over de berekening van de strafrestant bij herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) zie Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1314.N, AC 2021, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.5; Cass. 10 maart 2015, AR P.15.0257.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150310.6, AC 2015, nr. 180; Cass. 19 december 2012, AR P.12.1931.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.2, AC 2012, nr. 702; Cass. 29 maart 2011, AR P.11.0452.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110329.4, AC 2011, nr. 234, L. BREULS, “Motivering van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling: (stil)zwijgen is goud?”, T. Strafr. 2017, 32; L. BREULS, V. SCHEIRS en K. BEYENS, “Iudex non calculat? De bepaling van het strafrestant na herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling”, Panopticon 2017, 162-178.
(10)Concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. in de zaak Cass. 2 januari 2008, AR P.07.1812.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080102.3, AC 2008, nr. 1.
(11)De termijn van één derde of twee derde hangt voor correctionele straffen af van de duur van de opgelegde straf (lager of hoger dan drie jaar), het aspect wettelijke herhaling en de beveiligingsperiode die de correctionele rechtbank of het hof van assisen heeft opgelegd, voor een specifiek misdrijf (art. 25, § 1 en 25, § 2,
  1. a)en
  2. b)Wet Strafuitvoering). Zie M. DE RUE, “Le statut juridique externe des détenus”, in L’exécution des peines, Die Keure, 2006, 313-314; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2018, 390-396; M.-A. BEERNAERT, Manuel de droit pénitentiaire, Anthemis, 2019, 296-304; C. VAN DEN WYNGAERt, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2022, 568-574. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.12 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080102.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110329.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150310.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200729.VAC.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.