← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2023

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 32 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 32 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 32 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 32 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.22.1750.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De negatieve gevolgtrekking uit het gebrek aan medewerking van de verdachte aan het strafrechtelijk onderzoek bij het oordeel over de schuld”.

  1. Inhoud bestreden vonnis en middel.
  2. Eiseres wordt vervolgd wegens (op 15 februari 2021) het wetens een motorvoertuig te hebben toevertrouwd aan een persoon die geen geldig rijbewijs had voor het besturen van dat voertuig (art. 32 Wegverkeerswet, feit D in het dossier). Haar vriend A.K, die geen partij is in de cassatieprocedure, werd vervolgd wegens weigering van de speekseltest en bloedproef (art. 37bis, §1 Wegverkeerswet) en het besturen van een motorvoertuig zonder geldig rijbewijs (art. 21 en 30, §1 Wegverkeerswet).
  3. De politierechtbank te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, achtte op 18 februari 2022 de feiten bewezen en veroordeelde eiseres tot een geldboete van 800 € (incl. opdeciemen), met volledig uitstel voor een termijn van drie jaar

(1).
  1. Op hoger beroep van eiseres en het openbaar ministerie oordeelde de correctionele rechtbank te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 25 november 2022 het volgende: “De politie stelde vast dat beklaagde A.K. de auto BMW bestuurde zonder houder te zijn van een geldig rijbewijs. De auto was eigendom van C.V. (eiseres). De politie poogde C.V. te verhoren in verband met het toevertrouwen van de auto BMW aan een persoon zonder rijbewijs, maar zij gaf geen gevolg aan de opeenvolgende schriftelijke en telefonische oproepen; ze daagde niet op na een gemaakte afspraak bij de politie en ook niet na een nieuwe afspraak…..C.V. vertrouwde haar auto BMW toe op de openbare weg aan A.K., zijnde een vluchteling uit Egypte waarmee ze, volgens haar versie, een prille relatie had. Het ‘wetens’ handelen in de zin van artikel 32 Wegverkeerswet, betekent niet dat men in elk geval en absoluut moet weten dat de persoon aan wie men de auto toevertrouwt, geen houder is van een geldig rijbewijs. De goede trouw speelt mee en de zogezegde ‘onwetendheid’ mag niet voortvloeien uit de eigen fout (vergelijk: Arnoud en De Busscher, ‘Misdrijven en sancties in de Wegverkeerswet’, 1999, Kluwer, p.145, nr. 447). Gelet op de hierboven geschetste context, is de rechtbank van oordeel dat C.V. in alle redelijkheid niet onwetend kon zijn over het feit dat haar nieuwe partner uit Egypte geen geldig rijbewijs had om in België te sturen. Zij verleende geen enkele medewerking met het onderzoek. Ook in graad van beroep komt de tenlastelegging D derhalve bewezen voor”.
  2. Vervolgens legde de correctionele rechtbank, met eenparigheid van stemmen, een zwaardere straf op, namelijk een geldboete van 800 € (incl. opdeciemen), waarvan 400 € (inclusief opdeciemen) wordt toegekend met uitstel voor drie jaar.
  3. Eiseres voert in een eerste middel aan dat de correctionele rechtbank haar gebrek aan medewerking aan het onderzoek in haar nadeel heeft geïnterpreteerd als steunmotief voor het bewijs van de verkeersinbreuk, in strijd met het vermoeden van onschuld en het zwijgrecht, zoals beschermd door resp. de artikelen 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR.
  4. Beoordeling.
  5. Het zwijgrecht, of het recht van de verdachte niet tegen zichzelf te getuigen, is opgenomen in art. 14.3.g van het Verdrag van Burgerlijke en Politieke rechten (IVBPR) van
  6. Hoewel deze waarborg niet expliciet voorkomt in art. 6 EVRM, neemt het Europees Hof te Straatsburg aan dat het zwijgrecht een essentieel onderdeel is van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM). Het zwijgrecht van verdachten en beklaagden houdt twee aspecten in, namelijk 1°het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, geen antwoord te geven op vragen tijdens een verhoor en 2°het recht van iedere persoon die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling
(2).
  1. Artikel 7 EU Richtlijn 2016/3343 bepaalt: “
  2. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om te zwijgen in verband met het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.
  3. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden het recht hebben om zichzelf niet te belasten.
  4. De uitoefening van het recht om zichzelf niet te belasten mag de bevoegde autoriteiten niet beletten bewijsmateriaal te vergaren dat rechtmatig wordt verkregen door gebruik van legale dwang en dat onafhankelijk van de wil van de verdachten of beklaagden bestaat.
  5. De lidstaten mogen hun rechterlijke instanties toestaan bij de veroordeling rekening te houden met de bereidheid tot medewerking van verdachten en beklaagden.
  6. De uitoefening door verdachten en beklaagden van het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten, mag niet tegen hen worden gebruikt en mag niet worden beschouwd als bewijs dat zij het betrokken strafbaar feit hebben begaan
(3). Preambule 27 van de Richtlijn 2016/343, aangehaald door eiseres, verduidelijkt dit laatste punt als volgt: “ Het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te belasten, impliceren dat de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden niet tegen hun wil mogen dwingen informatie te verstrekken. Bij de beoordeling of sprake is van schending van het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten moet rekening worden gehouden met de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op een eerlijk proces uit hoofde van het EVRM”. 8. Over de component van het afzijdig blijven tijdens het onderzoek nam het Hof aan dat het zwijgrecht, wat het recht inhoudt om niet mee te werken aan zijn eigen beschuldiging, betekent dat de vervolgende partij haar standpunt niet mag steunen op bewijsgelegens die zijn bekomen door dwang of een ongeoorloofde druk, ten nadele van de wilsvrijheid van de betrokken persoon (vrije vertaling van “Le droit au silence, qui est celui de ne pas devoir contribuer à sa propre incrimination, signifie que l'accusation ne peut pas fonder son argumentation en recourant à des éléments de preuve obtenus par la contrainte ou la pression au mépris de la volonté de la personne concernée”)
(4). In een zaak over de regelmatigheid van de psychiatrische expertise, nodig voor de internering (art. 5 en 9 Interneringswet), stelde het Hof: “Het zwijgrecht, dat besloten ligt in het recht op een eerlijk proces, houdt niet alleen het recht in om niet tegen zichzelf te getuigen maar ook het recht van iedere inverdenkinggestelde om niet mee te werken aan de eigen beschuldiging. Aangezien de verdachte niet kan worden gedwongen om zijn medewerking te verlenen aan het bewijs van de gegrondheid van de beschuldiging die tegen hem zal worden ingesteld, kan hij niet worden bestraft omdat hij niet deelneemt aan het onderzoek”
(5). Het zwijgrecht en het vermoeden van onschuld hebben op dit punt dezelfde inhoud, namelijk het beginsel dat de verdachte niets hoeft te bewijzen, een passieve houding mag aannemen, zich tijdens een verhoor niet moet verantwoorden over de hem ten laste gelegde feiten, zelfs al wordt op hem geen enkele ongeoorloofde druk uitgeoefend
(6). 9. Niettemin mag de strafrechter, wanneer de bezwaren ten aanzien van de vervolgde persoon overweldigend zijn, bij wijze van feitelijke vermoedens, ongunstige besluiten trekken uit het stilzwijgen of uit onbevredigende verklaringen van de verdachte tijdens een verhoor, waarbij die negatieve gevolgtrekkingen dan geen miskenning inhouden van het recht van verdediging of het vermoeden van onschuld
(7). In concrete omstandigheden kan de strafrechter een betekenisvol stilzwijgen van de beklaagde, samen met ander bewijs, dus opvatten als een gegeven ten laste, dat andere bewijselementen à charge versterkt
(8).
  1. Dit laatste aspect van het zwijgrecht lijkt mij in deze zaak niet van toepassing, aangezien eiseres zich niet aanbood voor een verhoor tijdens het opsporingsonderzoek. Zij heeft het recht niet in te gaan op een uitnodiging tot verhoor door de politie. Mij komt voor dat, toegespitst op het tenlastegelegde feit, het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen (zoals gewaarborgd door de artikelen 6.1 EVRM en 14 IVBPR) de strafrechter beletten zich voor de beoordeling van de schuldvraag te baseren, geheel of gedeeltelijk, op het feit dat de beklaagde geen medewerking verleende aan het strafrechtelijk (voor)onderzoek, door niet in te gaan op uitnodigingen tot verhoor. Het zwijgrecht houdt immers niet alleen het recht in om tijdens een verhoor geen verklaringen af te leggen, maar ook om niet mee te werken aan de eigen beschuldiging, om na oproeping niet op te dagen voor een verhoor en dus afzijdig te blijven tijdens het onderzoek. Het bestreden vonnis dat het gebrek aan medewerking van de beklaagde opvat als een bewijs van schuld, lijkt mij niet naar recht verantwoord. Het eerste middel is bijgevolg gegrond.
  2. Het tweede middel over een schending van artikel 32 Wegverkeerswet kan niet leiden tot een ruimere cassatie en behoeft geen antwoord. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak. _____________________________________
(1)Het beroepen vonnis (st. 13) bevat over de schuld van eiseres alleen de zin “Overwegende dat de tenlastelegging D tegen C.V. bewezen is” (in de procedure in eerste aanleg voerde eiseres geen verweer in conclusie).
(2)EHRM 25 februari 1993, Funke t/Frankrijk; EHRM 8 februari 1996, Murray t/Verenigd Koninkrijk; EHRM 3 mei 2001, J.B. t/Zwitserland; EHRM 14 oktober 2010, Brusco t/Frankrijk, §44; EHRM 5 april 2012, Chambaz t/Zwitserland, www.echr.coe.int; EHRM 28 april 2022, Wang t/Frankrijk, NC 2022, 266 noot M. COLETTE; EHRM 20 september 2022, Merahi en Delahaye t./ Franrijk, §88, www.echr.coe.int; Over het zwijgrecht zie alg. C. VANDERKERKEN, Fiscale strafvervolging en rechtsbescherming: wapengelijkheid, zwijgrecht en bewijslastverdeling, Larcier 2005, 392-422; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier 2006, 91-95; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2006, Vol. 2, 284-329; L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 120-122; L. KENNES, Manuel de la preuve en matière pénale, Kluwer 2009, 109-117; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procedure pénale, Larcier 2012, 334-335; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, 855-859; J. MEESE, “The sound of silence. Het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel in strafzaken. Een historisch en rechtsvergelijkend overzicht”, in Zwijgrecht versus spreekplicht, Antwerpen, Intersentia 2013, 37-72; M. MAUS, “De moeilijke verhouding tussen meewerkingsverplichting en het zwijgrecht in fiscale (straf)zaken”, in Zwijgrecht versus spreekplicht, Antwerpen, Intersentia 2013, 231-257; M.A. BEERNAERT, “La recevabilité des preuves en matièré pénale dans la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme: nouvel état de la question”, in La théorie des nullités en droit pénal, Anthemis, 2014, 73-77; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 68-78; K. HANOUILLE, “Het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek en het zwijgrecht”, RABG 2018, 37-42; M. BOCKSTAELE, “Verhoren”, in Comm. Sr. 2019, 19-29; P. TERSAGO, Verklaringen van verdachten in het strafproces, Intersentia 2020, 91-130; Th. BYL, B. DE BIE, K. NEVENS, B. VERSTRAETEN en F. VAN VOLSEM, Financieel rechercheren, Politeia, 2020, 97-100; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 30-37; A. L. CLAES en M. HORSEELE, “Finding nemo (tenetur)? Een stand van zaken en de toepassing in het douanerecht”, NC 2021, 392-394; M. COLETTE, “Bij politieverhoor asymmetrische verhouding tussen justitie en verdachte. EHRM bestendigt institutionele benadering van bijstandsrecht”, NC 2022, 275-281, C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 757-767.
(3)Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees parlement en de raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, www.eur-lex.europa.eu; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 36. Schending van bepalingen van de Richtlijn 2016/343 werden aangevoerd in o.a. Cass. 20 april 2021, AR P.20.1307.N, AC 2021, nr. 281 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4, Cass. 9 juni 2020, AR P.20.0304.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6, AC 2020, nr. 380 en Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1086.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6, AC 2020, nr. 102, met concl. OM.
(4)Cass. 1 september 2021, AR P.21.1078.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210901.2F.3 AC 2021, nr. 508, met concl. van advocaat generaal. D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., T. Strafr. 2022, 75 en noot P. HOET, “Het vermoeden van onschuld en de spreekplicht van de veroordeelde tegenover de justitie-assistent bij controle op naleving van voorwaarden in het raam van strafuitvoering” (77-83); Cass. 20 november 2018, P.18.0688.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5, AC 2018, nr. 647, NC 2021, 410 noot A. CLAES en M. HORSEELE, RW 2018-19, 1661; Cass. 11 maart 2014, AR P.14.0377.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.7, AC 2014, nr. 195, RABG 2014, 932; Cass. 19 juni 2013, AR P.12.1150.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130619.2, AC 2013, nr. 380, met concl. van advocaat generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RDPC 2013, 1021 en (wat betreft tuchtzaken) Cass. 9 oktober 2018, AR D.17.0015.F, AC 2018, nr. 509, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.6; J. ROZIE, M. VANDERHALLEN en P. TERSAGO, “Het zwijgrecht als tweesnijdend zwaard: een fundamenteel recht van verdediging of een katalysator voor schuldigverklaring”, NC 2021, 461- 482.
(5)Cass. 31 mei 2017, AR P.17.0388.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170531.1, AC 2017, nr. 362, RABG 2018, 31 noot K. HANOUILLE, RDPC 2018, 190 noot N. COLETTE-BASECQZ.
(6)Zie hierover M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 27; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 758.
(7)Cass. 3 oktober 2012, AR P.12.0700.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121003.2, AC 2012, nr. 507. Zie ook Cass. 21 december 2021, AR P.21.0055.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21, AC 2021, nr. 817, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21.
(8)Cass. 5 oktober 2010, AR P.10.0703.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.2, AC 2010, nr. 576, RW 2011-12, 1338 noot P. DE HERT en R. SAELENS; T. Strafr. 2011, 66 noot B. MEGANCK. In die zin zie ook EHRM 8 februari 1996, Murray t/Verenigd Koninkrijk, www.echr.coe.int; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 36; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 760-761. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121003.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130619.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170531.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210901.2F.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.