← België

M. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.2 Rolnummer: P.22.1411.N Zaak: M. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-06-18 17:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.2 Fiches 1 - 2 Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een effectieve hoofdgevangenisstraf en hem door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt toegekend, dan wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor deze voorlopige invrijheidstelling; indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en aan die beklaagde door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied is toegekend, wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd indien die zich daarna situeert en omgekeerd

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM en Cass. 8 februari 2023, AR P.22.1021.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4, AC 2023, nr. …. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HERHALING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.22.1411.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De wettelijke herhaling op basis van een eerdere veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf die deels effectief en deels met uitstel is opgelegd”.
  1. In deze zaak is de vraag aan de orde vanaf welk moment de beklaagde een zwaardere straf riskeert wegens wettelijke herhaling van een wanbedrijf na een wanbedrijf (art. 56, lid 2, Sw.), wanneer de gevangenisstraf opgelegd in de eerdere veroordeling deels effectief en deels met uitstel is en het effectief deel niet volledig is uitgevoerd, doordat de strafuitvoeringsrechtbank een modaliteit toekende en deze niet heeft herroepen.
  2. Artikel 56, eerste en tweede lid, Strafwetboek, bepaalt dat: “Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld. Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is”
(1). 3. Het ‘ondergaan van de straf’, als beginpunt voor de termijn van vijf jaar, waarin het nieuwe misdrijf is begaan, is in art. 56 Sw. niet nader toegelicht. Over de wettelijke herhaling inzake wanbedrijven (art. 56 Sw.) nam het Hof aan, op 25 oktober 2022, dat als de beklaagde is veroordeeld tot een gevangenisstraf deels effectief en deels met uitstel, en hem een strafuitvoeringsmodaliteit is toegekend, de straf wordt geacht te zijn ondergaan op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde proeftijd verbonden aan het uitstel die zich daarna situeert, en omgekeerd
(2). 4. Beide termijnen hebben niet steeds dezelfde duur
(3). Voor de effectieve gevangenisstraf die niet volledig wordt uitgevoerd, wegens toepassing van de modaliteit van invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, is de straf ondergaan bij het verstrijken van de proeftermijn die geldt voor deze modaliteit
(4). 5. Volgens artikel 71, tweede lid, Wet Strafuitvoering, zoals van toepassing in deze zaak, is de proeftijd bij deze modaliteit gelijk aan de duur van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moest ondergaan op het ogenblik dat de modaliteit uitvoerbaar is geworden, zonder dat de proeftijd korter mag zijn dan twee jaar
(5). 6. Over de eerdere veroordeling met uitstel (art. 8 Probatiewet) oordeelde het Hof meermaals: “Wanneer na een wanbedrijf een nieuw wanbedrijf in staat van herhaling wordt gepleegd, de eerdere veroordeling met uitstel is uitgesproken en dat uitstel niet is herroepen, wordt de straf geacht te zijn ondergaan bij het verstrijken van de proeftijd en gaat de bij artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, bepaalde termijn van vijf jaar in op dat tijdstip”
(6). Deze regel geldt ook als de gevangenisstraf slechts gedeeltelijk met uitstel is opgelegd
(7).
  1. Eiser werd op 12 mei 2010 definitief veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan één jaar (54 maanden), deels met uitstel voor vijf jaar (10 maanden), en bekwam op 8 december 2013 de modaliteit van invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied. Het strafeinde werd vastgesteld op 28 januari
  2. Hieruit volgt dat op die datum de effectieve gevangenisstraf is ondergaan en de proeftijd van vijf jaar voor toepassing van de wettelijke herhaling (art. 56, tweede lid, Sw.) begon te lopen, met als eindpunt 28 januari
  3. Voor de straf met uitstel, die niet blijkt te zijn herroepen, is het beginpunt van de termijn van vijf jaar voor de wettelijke herhaling het verstrijken van het uitstel, dit is op 12 mei 2015 (gelet op de definitieve veroordeling van 12 mei 2010)
(8). De termijn van 5 jaar waarin het nieuwe feit moet situeren, voor toepassing van art. 56, lid 2 Sw., verstreek aldus voor dit deel op 12 mei
  1. De proeftijd van een gevangenisstraf met uitstel neemt immers aanvang op datum van het gewezen vonnis of arrest (art. 8, § 1, zesde lid, Probatiewet), ook als het gaat om een gedeeltelijk uitstel van de straf.
  2. Het bestreden arrest oordeelt als volgt (blz. 25): ”Beklaagde M. kan niet worden gevolgd daar waar hij ter terechtzitting van het hof het bestaan van de staat van wettelijke herhaling in zijnen hoofde betwist. Beklaagde M. beroept zich in deze op een invrijheidstelling die in de loop van de maand december 2013 plaats vond. Uit st. 3 (detentiefiche) … komt naar voor dat de kwestieuze invrijheidstelling op 22 december 2013 plaats vond en dat deze een voorlopige invrijheidstelling “met het oog op verwijdering van het grondgebied” betrof. Beklaagde M. gaat evenwel voorbij aan het feit dat de gevangenisstraf opgelegd bij voormeld arrest van het hof van beroep te Gent ook deels met uitstel gedurende vijf jaar werd uitgesproken. Hieromtrent is aan te stippen dat voor de toepassing van artikel 56, tweede lid van het Strafwetboek deze proeftermijn van 5 jaar ingaat op de dag waarop de duur van de in kracht van gewijsde gegane effectieve gevangenisstraf verstrijkt. Rekening houdende met het voorgaande staat vast dat de nieuwe feiten wel degelijk werden gepleegd voordat vijf jaar verlopen zijn sinds beklaagde M. zijn straf heeft ondergaan”.
  3. De bewezen verklaarde feiten dateren van 21 maart 2021, dit is na de periode van vijf jaar, te rekenen van het ondergaan van de straf, voor zowel de effectieve gevangenisstraf als de gevangenisstraf met uitstel. Het bestreden arrest combineert ten onrechte de termijnen van uitvoering van de effectieve straf en het uitstel, door aan te nemen dat de termijn van het uitstel van vijf jaar ingaat op de dag waarop de effectieve gevangenisstraf verstrijkt, in plaats van op de datum van de eerdere definitieve veroordeling. Het middel gesteund op art. 56, tweede lid, Sw. lijkt mij dan ook gegrond. Op burgerlijk vlak is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan betekening aan de burgerlijke partijen (art. 427 Sv.). Mijn advies is partiële cassatie, beperkt tot de straftoemeting en de bijdrage aan het Slachtofferfonds, en verwerping voor het overige. __________________________________
(1)Zie alg. F. VAN VOLSEM, “Enige aspecten van de vaststelling van de herhaling”, RABG 2020, 682-704; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 522-525; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure 2021, 182-185; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2018, 338-343; J. ROZIE, “Over herhaling en voorlopige invrijheidstelling”, RABG 2005, 492-495; S. VANDROMME, “Wanneer begint de termijn van herhaling van art. 56, tweede lid, Sw. te lopen, ingeval de veroordeelde voorlopig in vrijheid werd gesteld?”, RW 2005-06, 581-582.
(2)Cass. 25 oktober 2022, AR P.22.0813.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8, AC 2022, nr. 676, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8.
(3)Zie hierover concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS in de zaak Cass. 25 oktober 2022, AR P.22.0813.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8., AC 2022, nr. 676, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8.
(4)Cass. 25 oktober 2022, AR P.22.0813.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8, AC 2022, nr. 676, met concl. van advocaat-generaal. D. SCHOETERS, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8. Voor de modaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling geldt eveneens het principe dat de gevangenisstraf is ondergaan op moment van de definitieve invrijheidstelling (Cass. 23 oktober 1996, AR P.96.1244.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961023.8, AC 1996, nr. 398, JT 1997, 221).
(5)In de huidige versie van art. 71, tweede lid, Wet Strafuitvoering, bedraagt de minimale proeftermijn één jaar (art. 83 Wet 28 november 2021, BS 30 november 2021).
(6)Cass. 13 september 2016, AR P.16.0665.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.9, AC 2016, nr. 487; Cass. 16 oktober 2012, AR P.12.0537.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.3, AC 2012, nr. 535; Cass. 2 mei 2001, AR P.01.0121.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010502.10, AC 2001, nr. 248, RDPC 2001, 1013; Cass. 15 juli 1997, AR P.97.0805.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970715.4, AC 1997, nr. 316; Cass. 24 juni 1992, AR 9910, AC 1991-92, nr. 561, met concl. van advocaat-generaal B. JANSSENS DE BISTHOVEN, RW 1992-93, 781, JLMB 1992, 1335 noot F. KEFER.
(7)Cass. 25 oktober 2022, AR P.22.0813.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8, AC 2022, nr. 676, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8.
(8)Voor deze berekening zie Cass. 13 september 2016, AR P.16.0665.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.9, AC 2016, nr. 487, RO 8. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961023.8 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970715.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010502.10 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221025.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221025.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.