← België

V. contra MY FAMILY vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.5 Rolnummer: S.20.0021.N Zaak: V. contra MY FAMILY vzw Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-06-16 Raadplegingen: 381 - laatst gezien 2026-06-15 08:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.5 Fiches 1 - 3 De “gezinsbijslagen” die beogen de gezinslasten te bestrijden hebben niet noodzakelijk allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, kenmerken of rechthebbenden, maar dat het aan de rechter is om, rekening houdend met de in de zaak “Wiering” door Hof van Justitie van de Europese Unie aangegeven criteria, te oordelen of de prestaties in rekening kunnen worden gebracht bij de toepassing van de samenloopregels, toepasselijk bij de cumulatie van rechten

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)HvJ 8 mei 2014, Caisse nationale des prestations familiales t. U. en M. Wiering, C-347/12. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 1, z), 10 en 68 Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 1, z), 10 en 68 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 1, z), 10 en 68 Fiche 4 Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindt niet slechts de verwijzende rechter, maar ook elke andere nationale rechter, wat betreft de uitleg van de in het geding zijnde bepalingen van Unierecht, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor deze nationale rechter om een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 19, eerste en derde lid,
  1. b)- 56 Link Justel databank 20071213-56 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Tekst van de conclusie S.20.0021.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden: 1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 18 december 2019. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd. 2. Het derde onderdeel. Eerste subonderdeel.
  2. a)Problematiek. Het geschil dat voor uw Hof wordt gebracht, handelt over de anticumulregel zoals vervat in artikel 10 van verordening (EG) nr. 883/04. De toepassing van deze anticumulregeling, in huidige zaak, betreft enerzijds, naar Belgisch recht, de gewone kinderbijslag voor werknemers, en anderzijds, naar Nederlands recht, de kinderbijslag en de kinderopvangtoeslag. Er moet dus worden nagegaan of er sprake is van prestaties van dezelfde aard voor eenzelfde tijdvak. Ingevolge de prioriteitsregels, zoals vervat in artikel 68 van de voormelde verordening is er, en dit staat niet ter discussie tussen partijen, een voorrang van de Nederlandse uitkeringen. Deze dienen, in voorkomend geval, aangevuld te worden met het verschil tussen de in Nederland genoten uitkeringen en de bedragen die in België van toepassing zijn voor zover deze laatsten hoger zijn dan de in Nederland genoten uitkeringen. Verweerster in cassatie stelt dat voor de berekening van het verschil tevens rekening dient gehouden te worden met de, in Nederland, genoten kinderopvangtoeslag. Deze zou een uitkering zijn, van dezelfde aard, als de Belgische kinderbijslag. De appelrechters zijn dit standpunt bijgetreden.
  3. b)Beoordeling. Voor de appelrechters werd het arrest Wiering
(1)van het Hof van Justitie aangevoerd. Desbetreffend stelden de appelrechters dat de conclusies van dit arrest niet zonder meer kunnen toegepast worden daar het arrest toepassing maakte van de verordening 1408/71, die ondertussen vervangen werd door verordening 883/04, en dat deze beide verordeningen niet identiek zijn. Vooreerst moeten de relevante verschillen tussen beide verordeningen onder de aandacht worden gebracht. In verordening 1408/71 wordt in artikel 1, u, een onderscheid gemaakt tussen
  1. i)gezinsbijslagen en
  2. ii)kinderbijslag. In de verordening 883/04 wordt er geen zulk danig onderscheid gemaakt. In deze laatste verordening wordt enkel gesproken over gezinsbijslagen. Van kinderbijslag is er geen sprake meer. De vraag die zich stelt is of het verschil in de normen tussen deze beide tot gevolg heeft dat de principes die verwoord werden in het arrest Wiering nog langer kunnen in aanmerking genomen worden. Om deze vraag te beantwoorden is het van belang om enkele overwegingen van dit arrest nader in ogenschouw te nemen. Zo zijn ter zake de overwegingen 57 tot 61 relevant: “57 Daaraan zij toegevoegd dat verordening nr. 1408/71 ziet op, enerzijds, de in artikel 1, sub u-i, van deze verordening omschreven „gezinsbijslagen”, en anderzijds, de „kinderbijslag”, dat een categorie van de „gezinsbijslagen” is en wordt omschreven in artikel 1, sub u-ii, van die verordening. 58 Gelet op het voorgaande is er bij de verschillende gezinsbijslagen die een migrerende werknemer kan ontvangen op grond van de wetgeving van de lidstaat van tewerkstelling en die welke hij of zijn gezinsleden ontvangen op grond van de wetgeving van de lidstaat van woonplaats, niet noodzakelijk sprake van uitkeringen „van dezelfde aard” in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1408/71. 59 Hoewel die gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 1, sub u-i, van die verordening beogen de gezinslasten te bestrijden, hebben zij immers niet noodzakelijkerwijs allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, en evenmin dezelfde kenmerken of rechthebbenden. 60 Bovendien zijn slechts een deel van de gezinsbijslagen kinderbijslagen in de zin van artikel 1, sub u-ii, van voormelde verordening. 61 Bijgevolg moet met het oog op de toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72, in het kader van de berekening van de eventueel aan een migrerende werknemer in zijn lidstaat van tewerkstelling verschuldigde aanvulling, worden vastgesteld welke van de onderscheiden gezinsbijslagen waarop deze werknemer recht heeft op grond van de wetgeving van die staat, of die door die werknemer of zijn gezinsleden worden ontvangen uit hoofde van de wetgeving van de lidstaat van woonplaats, van „dezelfde aard zijn” in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1408/71, gelet op hun voorwerp, hun doelstellingen, hun berekeningsgrondslag en hun toekenningsvoorwaarden, alsook de rechthebbenden ervan”. Na, in RO 57, te hebben vastgesteld dat er in artikel 1 van de verordening 1408/71 in sub u-i er sprake is van gezinsbijslagen en in sub u-ii van kinderbijslag, oordelen zij, in RO 59, dat hoewel de gezinsbijslagen van artikel 1 sub u-i beogen de gezinslasten te bestrijden zij niet noodzakelijkerwijs allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, en evenmin dezelfde kenmerken of rechthebbenden hebben. Om in RO 61 tot het besluit te komen dat om de anticumulregeling toe te passen en na te gaan of er sprake is van gezinsbijslagen “van dezelfde aard” er rekening dient gehouden te worden met “hun voorwerp, hun doelstellingen, hun berekeningsgrondslag en hun toekenningsvoorwaarden, alsook de rechthebbenden ervan”
(2). Uit het voorgaande blijkt dat de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak Wiering zijn relevantie behoudt niettegenstaande in de verordening 883/04 een deels andere regelgeving heeft dan de verordening 1408/71
(3). Immers het enige verschil is dat eerst vermelde geen onderscheid meer maakt tussen gezinsbijslag en kinderbijslag. Voor wat betreft het aspect gezinsbijslagen, zijnde de enige categorie die aan te treffen is in verordening 883/04, kan niet anders dan vastgesteld worden dat zij, in de diverse lidstaten, allen niet hetzelfde voorwerp, kenmerken of rechthebbende hebben
(4). Waardoor er aan de hand van de criteria van het arrest Wiering moet nagegaan worden of ze “van dezelfde aard zijn”. Daar de criteria van het arrest Wiering nog steeds in aanmerking te nemen zijn, dient de aandacht gevestigd te worden op het gegeven dat het antwoord, van het Hof van Justitie, op een prejudiciële vraag niet enkel de verwijzende rechter bindt, maar tevens elke andere nationale rechter. Een zulkdanig arrest van het hof van Justitie geniet in een gezag van interpretatie
(5). De appelrechters oordelen dat de conclusies van het arrest Wiering niet zonder meer kunnen worden toegepast gelet op het verschil tussen de verordening 1408/71 en 883/04 gezien de eerste een onderscheid maakt tussen gezinsbijslag en kinderbijslag, terwijl de tweede enkel spreekt over gezinsbijslag. Verder oordelen zij dat de kinderopvangtoeslag tegemoet komt aan de gezinslast zijnde kosten van de opvang van de kinderen waardoor het valt onder het begrip gezinsbijslag en dit derhalve een uitkering betreft die van dezelfde aard is als de Belgische gezinsbijslag. Zij oordelen tevens dat de kinderopvangtoeslag dezelfde doelstelling heeft als de Belgische kinderbijslag en dat dit het enige criterium is waarmee rekening mag gehouden worden. Uit deze overwegingen komt naar voor dat de appelrechters, om uit te maken of er sprake is van uitkeringen van dezelfde aard, stellen dat enkel moet worden nagegaan of de uitkeringen onder het begrip gezinsbijslag vallen waarbij het enige criterium waarmee rekening moet gehouden worden de doelstelling van de respectievelijke uitkeringen betreft. Deze overwegingen gaan evenwel voorbij aan de criteria die, ingevolge het arrest Wiering, dienen gehanteerd te worden om uit te maken of er sprake is van uitkeringen van dezelfde aard. De appelrechters schenden dan ook de artikelen 19, eerste en derde lid, VEU en 267, eerste, tweede en derde lid VWEU. Conclusie: Cassatie. ________________________________
(1)HvJ, 8 mei 2014, C-347/12.
(2)Na in RO 54 deze criteria te hebben vastgesteld maakt het Hof van Justitie, in RO 55 van het arrest Wiering, een kanttekening voor wat betreft de criteria berekeningsgrondslag en toekenningsvoorwaarden. Deze criteria zouden gelet op de talrijke verschillen tussen de nationale stelsels tot een aanzienlijke, en dus strijdig met de doelstelling van het cumulatieverbod, beperking van de toepassing van de anticumulregel leiden.
(3)Y. JORENS en J. DE CONINCK, “Reply to an ad hoc request for comparative analysis of national legislations. Family Benefits – Consequences of the Wiering judgment in C-347/12”, FreSsco report, European Commission, December 2014-16, p. 9 en 10; K. LENAERTS en S. ADAM, “La solidarité, valeur commune aux états membres et principe fédératif de l’union européenne”, Cahiers de droit européen 2021, p. 322; C. MORIN, “Chronique Droit de la protection sociale”, La Semaine Juridique Entreprise et Affaires 2014, afl. 44,
(1559)nr. 24 en R. VAN ’T HOF, “Artikel 10 – Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels” in NDSZ Commentaar, deel Arbeidsongeschiktheid, LI, 2022, punt 2.
(4)Zo heeft men, bijvoorbeeld om enkele lidstaten in ogenschouw te nemen, in Nederland benevens het in huidig geschil aangehaalde kinderopvangtoeslag ook nog kinderbijslag en kindgebonden budget. In Frankrijk kent men, onder andere, allocations familiales, allocation forfaitaire, complément familial… (vrije vertaling: familietoeslag, forfaitaire toeslag en familiale aanvulling).
(5)De rechter kan evenwel altijd opnieuw een prejudiciële vraag stellen. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.