← België

BOUWBEDRIJF VMG-DE COCK c. Provincie Oost-Vlaanderen

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.6 Rolnummer: C.22.0128.N Zaak: BOUWBEDRIJF VMG-DE COCK c. Provincie Oost-Vlaanderen Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-16 Raadplegingen: 1188 - laatst gezien 2026-06-18 19:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.6 Fiches 1 - 2 Verwerpingsarresten van de Raad van State hebben een relatief gezag van gewijsde krachtens een algemeen rechtsbeginsel van administratief recht; artikel 23 Gerechtelijk Wetboek is hierop niet van toepassing

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 De verwerping van een beroep tot nietigverklaring door de Raad van State houdt niet in dat de betreffende akte of reglement geen enkele onwettigheid inhoudt of dat zij foutloos werd genomen; het gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest geldt slechts ten aanzien van dezelfde feiten, als deze die in een navolgend geding aan de rechter worden voorgelegd en die volgens dezelfde rechtsnorm zijn beoordeeld
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 14 december 2015, AR S.10.0216.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.4, AC 2015, nr. 746 met concl. van advocaat-generaal Genicot. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State Fiche 5 Aan het gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest van de Raad van State doen geen afbreuk argumenten die een partij, zonder een afzonderlijk middel te vormen, in het licht van de als geschonden aangevoerde wetsbepaling voor de Raad van State heeft aangevoerd ter staving van haar beroep tot nietigverklaring, maar niet door de Raad van State zijn beoordeeld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van administratief recht betreffende het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2024, nr. 503, p. 526-527. - COPPENS, Alain; Noot'Gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest van de raad van state' Tekst van de conclusie C.22.0128.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden: 1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep Gent gewezen op 20 oktober 2021. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd. 2. Het middel in al zijn onderdelen.
  1. a)Problematiek. De vraag die aan de orde is in huidig geschil, inzake een aansprakelijkheidsvordering gegrond op de artikelen 1382 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek, betreft enerzijds wat de rechtsgrond is van het gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest van de Raad van State en anderzijds, in voorkomend geval, wat zijn de implicaties, van dit gezag, ten aanzien van de burgerlijke rechter.
  2. b)Beoordeling. Voor de beantwoording van enige aspecten van deze problematiek kan men zich keren tot de rechtspraak van uw Hof. Vooreerst moet er worden vastgesteld dat het aspect gezag van gewijsde van een arrest van de Raad van State niet beheerst wordt door, de appelrechter toegepaste, artikel 23 Gerechtelijk Wetboek
(1)doch wel een algemeen rechtsbeginsel is van het administratief recht
(2). De toepassing van dit gezag verschilt evenwel al naargelang het een vernietigingsarrest dan wel een arrest van verwerping betreft. In het eerste geval spreekt men van een gezag erga omnes
(3). In het tweede geval heeft het arrest een relatief gezag van gewijsde. Specifiek betreffende verwerpingsarresten van de Raad van State neemt uw Hof standpunt in inzake de uitgestrektheid van het gezag van gewijsde. Zo oordeelde U in het arrest van 14 december 2015
(4)dat het gezag van gewijsde van een arrest van verwerping van een beroep tot nietigverklaring door de Raad van State niet impliceert dat de litigieuze handeling geen enkele onwettelijkheid inhoudt, noch dat zij foutloos werd genomen. Dus niettegenstaande een beslissing tot verwerping kan de handeling toch aangetast zijn waardoor er een gehoudenheid kan zijn van de administratieve overheid waarvoor er door de burgerlijke rechter een vergoeding kan worden toegekend
(5)
(6). Betreffende wat wel onder de toepassing van het gezag valt, oordeelde uw Hof: “Het gezag van gewijsde geldt slechts ten aanzien van dezelfde feiten die volgens dezelfde rechtsnorm beoordeeld zijn”. Uit uw rechtspraak komt derhalve naar voor dat de werking van het gezag van gewijsde van arresten van de Raad van State, ten aanzien van de burgerlijke rechter, zich niet beperkt tot de vernietigingsarresten maar dat er hiervan ook sprake is bij een verwerpingsarrest
(7). Zij het, wat betreft deze laatste, binnen de parameters die door uw Hof, in de voormelde rechtspraak, zijn vastgesteld. Er is dus sprake van gezag van gewijsde wanneer, na een verwerping door de Raad van State, de burgerlijke rechter gevat wordt met vorderingen die betrekking hebben op dezelfde feiten en waarvan de beoordeling dient te gebeuren op basis van dezelfde rechtsnorm. Het middel dat voorhoudt dat het relatief gezag van gewijsde enkel geldt tussen partijen en verhindert dat tussen hen, voor de Raad van State, dezelfde middelen worden aangevoerd geeft een te beperkte werking aan dit gezag van gewijsde. Inderdaad, uit uw arrest van 14 december 2015 komt naar voor dat het niet zo is dat dit enkel geldt indien het geschil opnieuw voor de Raad van State wordt gebracht. In zoverre gaat het middel van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt het naar recht. In huidig geschil is voldaan aan de criteria die uw Hof vooropstelde opdat er sprake is van een gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest van de Raad van State ten aanzien van de burgerlijke rechter. Dit blijkt uit de door de appelrechter, niet bekritiseerde, gedane vaststellingen en beoordelingen
(8). De appelrechter stelt vast dat de voor hem gestelde vordering ertoe strekt verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 168.531,14 EUR, één en ander ten titel van schadevergoeding. Hij oordeelt dat de grondslag van de vordering voor de Raad van State dezelfde betreft als deze gesteld voor de burgerlijke rechter namelijk of de attesten ISO-9002 en VCA konden worden geëist als bewijs van technische bekwaamheid in de zin van artikel 19 van het KB Overheidsopdrachten. Hij oordeelt verder dat zowel voor de burgerlijke rechter als voor de Raad van State hetzelfde wordt gevraagd, namelijk het horen vaststellen van de nietigheid van de vereisten opgenomen in het bestek en op basis waarvan, door het ontbreken ervan, de gunning niet kon worden verleend. Hij oordeelt tevens dat de voor hem gestelde vordering, net als de procedure voor de Raad van State, de vraag centraal staat of de aanbestedende overheid het voorleggen van een ISO-9002 attest en een VCA-attest mocht vragen. Waardoor de vordering tot bekomen van een schadevergoeding geënt is op het vraagstuk over de rechtmatigheid en rechtsgeldigheid van de vereisten die door verweerster werden opgelegd als criterium van de gunning. Derhalve stelt de appelrechter terecht vast dat zowel voor de burgerlijke rechter als de Raad van State hetzelfde wordt gevraagd namelijk het oordelen dat de hoger vermelde attesten niet deel uitmaken van de limitatieve opsomming van het, op het ogenblik van de administratieve beslissing, van toepassing zijnde voormeld artikel 19. Door een substitutie van motieven, zijnde het algemeen rechtsbeginsel van administratief recht van gezag van gewijsde, in de plaats van de door de appelrechter in aanmerking genomen en in de voorziening bekritiseerde rechtsgrond van de artikelen 23 en 25 Gerechtelijk Wetboek verantwoordt de appelrechter naar recht zijn oordeel dat: - de Raad van State een oordeel heeft geveld over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van in het bestek opnemen van het voorleggen van de kwestieuze attesten; - dezelfde betwisting niet nogmaals voor de burgerlijke rechter kan worden gebracht zonder het aan de beslissing van de Raad van State verbonden gezag van gewijsde te miskennen; - het al dan niet inwilligen van de gestelde vordering tot schadevergoeding afhankelijk is van het oordeel over de regelmatigheid van de vraag tot voorlegging van de attesten. Aspect waar de Raad van State reeds definitief en ondubbelzinnig heeft geoordeeld zodat het hof van beroep botst op het gezag van gewijsde van dit arrest van de Raad van State. In zoverre de schending van de artikelen 23 en 25 Gerechtelijk Wetboek worden aangevoerd, kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Betreffende de grief dat het gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest van de Raad van State niet verhindert om voor de burgerlijke rechter nieuwe middelen aan te voeren die niet aan de Raad van State werden voorgelegd. Zoals hoger aangehaald, heeft een verwerpingsarrest van de Raad van State enkel een gezag van gewijsde, ten aanzien van de burgerlijke rechter, zo het dezelfde feiten betreft die dienen beoordeeld te worden op basis van dezelfde rechtsgrond. Derhalve vorderingen gesteund op rechtsmiddelen, die niet het voorwerp uitmaakten van een beoordeling ten gronde door de Raad van State, zullen niet op enige wijze gehinderd worden door een gezag van gewijsde van een verwerpingsarrest van de Raad van State
(9). Uit het verweer van eiseres, zoals dit blijkt uit de bladzijden 12 tot 16 van haar conclusies in hoger beroep, betreffende de analyse van artikel 19 van het KB Overheidsopdrachten alsook de evolutie van de regelgeving, komt naar voor dat dit argumenten betreffen ter ondersteuning van het middel over de schending van het artikel 19 zonder dat deze evenwel afzonderlijke middelen vormen. De appelrechter, ongeacht de omschrijving die hij aan het desbetreffende verweer geeft, verantwoordt met de hoger aangehaalde overwegingen dan ook naar recht zijn beslissing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. ____________________________________
(1)Vóór de wijziging door de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie.
(2)Cass 6 februari 2009, AR C.08.0296.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.10, AC 2009, nr. 99 en Cass 21 juni 2004, AR S.03.0139.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040621.3, AC 2004, nr. 343 en D. DELVAX, “Quelle autorité de chose jugé convient-il de reconnaitre aux arrêts rendus par le Conseil d’Etat au contentieux de l’annulation”, noot onder Cass 14 december 2015, AR S.10.0216.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.4, AC 2015, nr. 746, RCJB, 2018, p. 289.
(3)Waardoor de burgerlijke rechter noodzakelijkerwijze dient te beslissen dat de administratieve overheid, auteur van de vernietigde handeling, behoudens rechtvaardigingsgrond, een fout heeft begaan die tot vergoeding aanleiding geeft, op voorwaarde dat het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is. Zie Cass 14 december 2015 AR S.10.0216.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.4, AC. 2015, nr. 746, met concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT, op datum in Pas.
(4)Cass. 14 december 2015, AR S.10.0216.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.4, AC 2015, nr. 746.
(5)Zie D. DELVAX, oc, p. 298-299 en de aldaar aangehaalde voorbereidende werken betreffende de wet tot oprichting van de Raad van State waar betreffende deze problematiek hetzelfde standpunt werd ingenomen.
(6)Wat in huidig geschil niet ter berde komt, is de toepassing van artikel 159 Grondwet. Dus de vraag betreffende de verplichte controle die de burgerlijke rechter, inzake de interne en externe wettigheid van de administratieve akte, op grond waarvan een vordering, verweer of exceptie, is gegrond, dient uit te voeren. Uw vaste rechtspraak betreffende deze verplichting is duidelijk. Het gaat om een ambtshalve controle die dient te worden uitgevoerd. (Cass. 9 januari 2020, AR C.18.0146.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9, AC 2020, nr. 22; Cass 29 juni 2018, AR F.17.0062.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180629.2, AC 2018, nr. 427 en Cass 1 juni 2017, AR C.15.0300.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170601.5, AC 2017, nr. 365) Ik meen evenwel dat ook in dat geval het relatief gezag van gewijsde zijn toepassing vindt. Zie desbetreffend D. DELVAX, oc, p. 304.
(7)Wat betreft de verwerpingsarresten is het natuurlijk zo dat dit gezag van gewijsde kleeft aan de beslissingen van de Raad van State die de vordering ten gronde beoordelen en dus, bijvoorbeeld, niet wanneer er sprake is van een verwerping ingevolge een niet-ontvankelijkheid die gesteund is op de laattijdigheid van de ingestelde vordering (D. DELVAX, oc, p. 298). Dit vloeit tevens voort uit de toepassingsvoorwaarden die Uw Hof bepaalt inzake de werking van het gezag van gewijsde van verwerpingsarresten.
(8)Pagina 8 en 9 bestreden beslissing.
(9)D. DELVAX, oc, p. 305. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040621.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151214.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170601.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180629.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.