id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.3 Rolnummer: C.22.0362.N Zaak: Koen CLONEN contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-07-05 Raadplegingen: 431 - laatst gezien 2026-06-17 09:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.3 Fiches 1 - 4 Gezien de vraag rijst of de wetgever op een grondwettelijk toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, en anderzijds artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de loop van de verjaring van de vordering kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering, bestaat er grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 5 - 6 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen; of de rechter dit kan, hangt af van de leemte zelf; indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen; indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 8 De leemte inzake het vertrekpunt van de verjaring in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meer vennoten is niet van die aard dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist. Aan de ongrondwettigheid kan zonder meer een einde worden gesteld door artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen aan te vullen in die zin dat, zoals het geval in het vierde streepje van deze bepaling, de termijn van vijf jaar in dat geval begint te lopen te rekenen van de ontdekking van de verborgen gehouden verrichtingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de conclusie C.22.0362.N Conclusie advocaat-generaal E. Herregodts: (…) Het middel.
- Het middel komt op tegen het oordeel van de appelrechter dat de vorderingen van eiser tegen verweerders verjaard zijn, zodat ze onontvankelijk zijn, en de beslissing van de appelrechter die eruit volgt om het hoger beroep van verweerders gegrond te verklaren en het incidenteel beroep van eiser af te wijzen als ongegrond. Eiser voert aan dat de appelrechter de volgende bepalingen en het volgende algemeen rechtsbeginsel heeft geschonden: - artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van Vennootschappen (hierna kortweg “W. Venn.”) zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij wet van 23 maart 2019; - artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op toegang tot de rechter; - artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna kortweg “EVRM”). Eerste onderdeel. (…) De gegrondheid.
- Eiser voert de schending aan door artikel 198, § 1, eerste streepje, W. Venn., van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, zoals vervat in artikel 6.1 EVRM, doordat voormeld artikel W. Venn. het vertrekpunt van de verjaring bepaalt op een tijdstip dat geen rekening houdt met het moment waarop de eiser kennis neemt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering tegen de vennoten. Eiser verzoekt het Hof de in zijn voorziening in cassatie geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De bepaling van artikel 198, § 1, eerste streepje, W. Venn. vormt een bijzondere wet ten aanzien van het gemeenschappelijk buitencontractueel verjaringsregime zoals vervat in artikel 2262bis, § 1, eerste en derde lid Oud Burgerlijk Wetboek. Het Grondwettelijk Hof sprak zich met een arrest nr. 47/2007 van 21 maart 2007 uit over het verschil in behandeling tussen de verjaring ex artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, en de verjaring ex artikel 198, § 1, vierde streepje, W. Venn. Het komt mij voor dat uit de motieven van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 47/2007 van 21 maart 2007 niet blijkt dat deze zonder meer kunnen worden doorgetrokken naar de bepalingen van artikel 198, § 1, eerste streepje, W. Venn. Krachtens artikel 26, § 1, 3° van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent, onder meer, de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel van de artikelen van titel II “De Belgen en hun rechten”, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Krachtens artikel 26, § 2 van voormelde Bijzondere wet moet, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college het Grondwettelijk Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Ik meen dan ook dat aan het Grondwettelijk Hof dient gevraagd te worden op de door eiser geformuleerde prejudiciële vraag uitspraak te doen en dat inmiddels iedere nadere uitspraak door het Hof dient aangehouden te worden. Conclusie: Het komt mij voor dat het Hof iedere nadere uitspraak dient aan te houden, tot het Grondwettelijke Hof bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: “Schendt artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, terwijl de loop van de verjaring van de vordering op grond van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering?” PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.3 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div